Het omgekeerde van verplicht

Op 8 december vroeg de organisatie van de Chris van Faassen vrijwilligerspenning, en de gemeente Breda, mij om een Porcelijntje te schrijven tijdens de uitreiking van de penning in het Chassétheater te Breda. De Chris van Faassen penning wordt elk jaar uitgereikt aan vrijwilligersinitiatieven. Het worden elk jaar drie prijzen uitgereikt: een voor een groep, een voor een individu en een als aanmoedigingsprijs.

Ik wacht en kijk om mij heen aan een tafeltje in de foyer van het Chassé. Langzaamaan druppelen de mensen binnen. Iedereen bestelt stilletjes een kopje koffie, er wordt geknikt en begroet, men kent elkaar hier. Wat meteen opvalt is dat de bezoekers grofweg uit twee groepen lijken te bestaan.
De vrijwilligersorganisaties, herkenbaar aan de ontspannen en vrolijke blikken, veelal losse vesten met-en-zonder-rits, warme losse truien en grapjes op de wc.
De tweede groep: de quasi-ambtelijke heren en dames met soms toch ook die losse vesten maar dan eerder van die vesten waar vrouwen in reclames een warme mok thee bij vasthebben, waarna ze een slok nemen en gelukzalig uit het raam kijken. Andere dames hebben weer iets semi-artistieks aan waarmee ze lijken te willen zeggen: overdag houd ik me aan de regeltjes en ’s avond, na de netwerkborrel, laat ik de teugels varen maar nooit té, te zien aan mijn nimmer schreeuwerige kleine oorbellen of kekke bril.
De heren zijn veelal gekleed in een wollen trui met een kraagje en een broek die zo ‘aah joh’ doet.
De bescheiden houding die iedereen hier lijkt te delen en misschien ook vrijwilliger-eigen is. ‘Aah joh, ’t is niks, doe ik even!’, en dan hier met zo’n typisch vrolijk Brabants hoofd: aah joh!

Ik ontmoet Karen, zij komt bij me zitten, en is van Vrouwen in Beweging. Met de grootste liefde vertelt ze over wat ze doet. Ze komt van Sint-Maarten en heeft daar altijd geleerd om veel te sporten. Ze heeft wedstrijden gezwommen en wil dat ‘in beweging zijn’ graag doorgeven. In Noorderlicht in Breda-Noord wordt elke week een paar keer Zumba gegeven, de sport/dans. Ook hebben ze een Speelotheek voor kinderen en wethouder Miriam Haag komt zelf elke week meedoen met Zumba. Ook organiseren ze zwemmen voor vrouwen ‘want dat sporten’, legt Karen uit ‘geef je over aan je kinderen en vervolgens ook aan de vaders’. Zij richten zich op de normaal misschien wat moeilijker bereikbare vrouwen waar ook het bewegen niet altijd in de cultuur zit.
Er gaat zoveel liefde van Karen uit, dat is vrij indrukwekkend vind ik.
Ze is niet genomineerd maar ze is hier omdat ook deze aanwezigheid een vorm van overbrugging is. Haar mede-vrijwilligers zijn niet zo gewend om bij een bijeenkomst als deze aanwezig te zijn en dus is Karen hier alleen.

Terwijl ik naar haar luister zinkt mijn maag een beetje naar mijn tenen.
Wat een egoïstisch iemand voel ik mij ineens!
Terwijl ik naar de filmpjes van Tiny, Natasja, Patricia, Lieke en Sonny kijk beef ik dat we in onze maatschappij vreselijk veel aandacht schenken aan alles wat zichtbaar is, of zichzelf zichtbaar maakt.
BN’ers kunnen nog geen appel aan een rampgebied schenken zonder dat wij er drie dagen over moeten horen. Terwijl jullie dit jarenlang in relatief kleine kring doen en eigenlijk niks verwachten.
Al 25 jaar wordt hier nu terecht aandacht aan geschonken, door middel van deze penning.
Door de uitreiking van de aanmoedigingsprijs aan Vrijwilligers Buurtkracht 4834 Breda wordt er letterlijk aandacht geschonken aan hetgeen vaak onzichtbaar blijft: stille eenzaamheid, een verstopte hulpvraag. Ik kan niet anders dan glimlachen achterin de zaal en val stil door hoe lief en leuk jullie zijn: een grote familie.

Vrijwillig: het omgekeerde van verplicht. Dat terwijl jullie blijk geven van een enorm plichtsbesef, misschien wel meer dan een willekeurig ander mens, Want jullie vragen bijna niets, misschien wat dankbaarheid.
In deze tijd vol eisen en vanzelfsprekend vinden dat iets je toebehoort, zijn jullie een verademing.
De genomineerde groepen tonen ook die onverwachte huiselijke sfeer, iets gezelligs wat er zó niet had kunnen zijn. Geen gerepareerde kraan, geen voorlichting over brand, geen festival en te weinig weggegeven speelgoed.
Slechts enkele mensen raken een ander, maar enkele mensen doen gewoon. Heel weinig mensen zijn zoals Karen: niet genomineerd maar gewoon aanwezig. Gewoon omdat het belangrijk is.
Ik ga zo naar huis met een heel blij gevoel en met het plichtsbesef dat ik ook meer kan – en moet – doen. Ik neem jullie en Karen mee in mijn gedachten voor als ik wil weten wat echt belangrijk is. Want, zoals in het filmpje werd gezegd: zo af en toe sneuvelt er dan wel een kopje, dát is dan niet meer zo belangrijk.
Op naar de volgende 25 jaar!

#basisvaardigheden

Op 2 november werd ik gevraagd door het ZB (Zeeuwse Bibliotheek/Planbureau) en Stichting Cubiss gevraagd om een Porcelijntje te schrijven tijdens de Landelijke Dag Basisvaardigheden in de Verkadefabriek te Den Bosch. De landelijke bibliotheken zijn de laatste jaren heel hard aan het werk om de laaggeletterdheid goed in kaart te brengen en terug te dringen.

Vanochtend in de trein van Rotterdam naar hier, fantaseerde ik dat ik op weg was naar een experiment. Ik bedacht dat de deuren zich luid achter mij zouden sluiten zodra ik de Verkadefabriek in zou lopen. Ik zou een bruin uniform moeten aantrekken en in de Grote Zaal zou ik jullie ontmoeten waarna een diepe stem ons zou toespreken en zou zeggen: de rest van de wereld bestaat niet meer, jullie zijn de enige mensen op aarde. Succes.

Welke basisvaardigheden zou je dan hebben?
Daar zou ik dan staan, als arme schrijver en filosoof. Dan heb je misschien niet zoveel aan mij als het gaat om het bouwen van een stevig huis maar ik kan er wel leuk over nadenken en er ook een leuk verhaaltje over schrijven. Misschien zou ik dan wel als eerste opgepeuzeld worden door jullie, nadat de oogst wat op zich zou laten wachten en de laatste supermarkt geplunderd was.

Gelukkig reed mijn trein vanochtend naar een Verkadefabriek volledig gewijd aan basisvaardigheden voor een moderne maatschappij. Men drinkt nog snel een kopje koffie voordat we de zaal ingaan en meteen valt op dat er echt veel meer vrouwen zijn dan mannen. Ook is er een duidelijke eenheid in leeftijd, zo tussen de 40 en 60 jaar. Er worden heel veel knuffelbare lange vesten gedragen. Ook is er sprake van een hoge brildichtheid en veel brillen met zo’n montuur dat zegt ‘ik ben vriendelijk en benaderbaar, ga graag naar musea en theater, zit stiekem op salsa-les, houd niet van oordelen maar als je een dt-fout maakt daal je toch een beetje in mijn achting.’
Onder die kekke en kordate monturen zitten vriendelijke gezichten van mensen die eruit zien alsof ze wel goed advies kunnen geven over levenskwesties maar ook over Goethe.
Ik ga achteraan in de zaal zitten en voordat de lichten doven maken enkele dames voor mij nog wat foto’s voor Twitter, uiteraard met de telefoon in de verticale stand, net zoals mijn moeder dat doet.

Bij twee vorige bijeenkomsten over laaggeletterdheid heb ik geschreven over de belevingswereld van een laaggeletterde en hoe vreselijk veel die niét meemaken. Daar was telkens ook een mevrouw bij, Ria. Zij is een ervaringsdeskundige die nu, na decennia te hebben gelogen over haar laaggeletterdheid, zichzelf Engels aan het leren is en ‘nu niet meer op kon houden met lezen.’
Hier, vandaag, worden even wat cijfers opgetrommeld door Maaike Tonen.
– 2,5 miljoen Nederlanders zijn laaggeletterd en die hebben vaak ook moeite met de computer
– 20% van de Nederlanders heeft een laag niveau digitale vaardigheden
– 1,2 miljoen Nederlanders heeft nog nooit internet gebruikt

1,2 miljoen?! Ik schrik. Ook wel van mijn eigen onwetendheid.
Ineens besef ik dat ik de taligheid van het gebruik van een computer nog niet goed had beseft. Het is eigenlijk niet anders dan met gesproken taal. Je moet toch een paar woordjes Frans speken om je te kunnen redden, of om in elk geval te kunnen vragen wat iets betekent of om te kunnen vragen of iemand wat langzamer wil spreken.
Die isolatie uit de (taal-)maatschappij waar wij allemaal in wonen gaat zoveel verder en dieper dan ik ooit had beseft

Betreffende in hoeverre bibliotheken uitgerust zijn voor een steeds meer technologische toekomst, en de groep laaggeletterden, komen er een paar stellingen langs:

– Netflix voor boeken is onvermijdelijk
– technologische ontwikkelingen maken de bieb overbodig

Tussen de stellingen en de discussies door bedenk ik dat het meeste dat vandaag besproken wordt in twee paradigma’s valt in te delen.
Het eerste waarin de mens inherent nieuwsgierig is en je dit slechts hoeft aan te wakkeren. Het tweede waarin je naar mensen toe moet bewegen en bepaalde eigenschappen haast af moet dwingen. Dit zijn, denk ik, ook de twee grote lijnen van de twee grotere politieke stromingen van nu. Het socialisme en het Nederlandse liberalisme, zoals van de VVD.
Ga je uit van zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid, of is het je verantwoordelijkheid als samenleving om anderen te helpen? Is de mens maakbaar of niet?

In de pauze na de eerste parallelsessies hoor ik twee dames praten over dat ze het lastig vinden om ‘een blijvende connectie met laaggeletterden te maken’.
Ik moet weer denken aan mijn gedachte-experiment van vanochtend.
Wij allemaal hier in een nieuwe minimaatschappij.

Wat zouden onze rollen zijn? Zoals blijkt uit het verhaal van Walter Breukers is creativiteit een waardevol goed en dus zouden we vast eerst allemaal enorm brainstormen over wat te doen. Terwijl Pieter Hilhorst wat huilende mensen geruststelt en Arjan Beune een vuurtje stookt, vertelt Jos Debeij over waar we vandaan komen, wat achter ons ligt en waar je we nu voor staan.
Walter Breukers kan een nieuwe mythologie ontwikkelen en roept zo af en toe een heel goed idee. Pieter Hilhorst roept nog een keer dat het allemaal echt goed zal komen en Jos Debeij roept dat we, na het jagen en eten, een school zullen moeten bouwen. Een opleiding zodat we niet in een cyclus terecht zullen komen maar vooruit blijven kijken.

Als we alles dan eindelijk hebben opgebouwd komt daar ineens Addie, de wc-juf aangelopen.
Ze kijkt ons meewarig aan en ziet een groep inmiddels wat verwilderde mensen vreemd opkijken. Ze zegt ‘he, wat doen jullie nou moeilijk? Daar staat een bieb hoor. Kun je gewoon opzoeken hoe je een huis bouwt of een vuurtje stookt. Of eh.. kunnen jullie niet lezen ofzo?’

Een vlucht ganzen

Op 30 november was ik gevraagd om een Porcelijntje te schrijven op een dag voor coaches van Defensie in Rijswijk. Deze dag was bedoeld om de interne coaches een beter idee te geven van wat zij anderen kunnen bieden en hoe ze dit kunnen formuleren. Deze dag werd geleid door het bedrijf ‘Human Centered Branding’ met Natasja Draer en Joey Vermijs, die de coaches allerlei opdrachten gaven om hun kunde en kennis beter te leren communiceren.

Vanochtend vloog er een enorme vlucht, of toom, ganzen vlak boven de afslag bij Nootdorp. Ze vlogen in meerdere formaties en ik kon nog net veilig zien hoe twee ganzen zich bij een nieuwe formatie voegden. Een oude of zieke gans raakte steeds verder achterop terwijl de voorste vogels net meer snelheid maakten voor een nieuwe afslag richting het zuiden. Er vlogen wel tweehonderd vogels maar slechts vier of vijf eenheden. Ik kon onmogelijk blijven kijken zonder een ongeluk te veroorzaken, miste bijna de afslag en kwam hier aan.

Dit gebouw is ordentelijk, dat woord komt meteen in mij op. Grijze bakstenen, overzichtelijk ingericht, duidelijke bordjes en hier en daar een medaille of insigne en natuurlijk zo nu en dan een Sloveense militair. Tussen de appeltaart en koffie door kijk ik om mij heen: wow wat is iedereen lang! Dat vind ik wel vaker natuurlijk maar iedereen hier is twee meter lang, ook de vrouwen!
Defensie tot nu toe: lange mensen in een achthoekig gebouw.
Vlak voordat we de zaal in gaan hoor ik een man zeggen: ‘ik sta er nogal tweeslachtig in’, terwijl hij een grote hap appeltaart eet. Dat belooft wat!
Erik Joosten vertelt ons over de groei aan coaches en Natasja en Joey vertellen ons over Branding.
Coaching en Branding. Twee woorden die de afgelopen jaren steeds vaker gebruikt worden en Joey en Natasja laten zien hoe zij zichzelf hebben ‘gebrand’: als respectievelijk een ‘starter, not a finisher’ en als een ‘ja-knikker’ Goed, ja prikkelend en je onthoudt het en dat is de bedoeling.
De voorbeelden die ze in hun presentatie geven zijn razend interessant. Van de kern van waarom je mensen helpt tot en met het beseffen dat wat als exentriek wordt gezien stiekem gewoon ‘jezelf zijn’ is, aldus mevrouw McHughes. Ondertussen probeer ik mijn argwaan jegens het woord ‘coach’ te ontrafelen.

In het proces waar Natasja en Joey ons doorheen helpen zijn we ineens allemaal een Michael Jordan (voortkomend uit een uitspraak van Obama waarin hij vertelt dat Michael Jordan zo goed is in iets dat andere mensen bijv. ‘de Michael Jordan of computer science’ zijn). Iedereen in de zaal moet benoemen waar hij of zij goed in is. Enkelen zeggen: verbinden, confronteren, empowerment, leervragen, out of the box. Vervolgens gaat het over authenticiteit, jezelf-zijn, en tot je eigenheid komen.
Dan ineens besef ik waarom ik de term ‘coach’ niet helemaal vertrouw: het is net als met ‘branding’, ‘authenticiteit’ en ‘out of the box’. Het zijn allemaal woorden die vaak gebruikt worden, modieus zijn en redelijk recent in hun huidige betekenis gebruikt worden maar waarbij ik mij altijd afvraag: wat betékent het?
Ik heb zojuist een huis gekocht en kwam er daardoor achter dat je bij de bank een hypotheek-coach kan krijgen. Er bestaat ook zoiets als een stoppen met roken-coach en een winkel coach en een meditatiecoach. Zo’n hypotheek-coach is natuurlijk niet te vertrouwen. Zo iemand is van de bank, behartigt de belangen van de bank en zal dus vooral die belangen coachen. De bank heeft dat prachtig ‘gebrand’ als: ‘we zijn hier voor ú’. Geniaal natuurlijk!
Kijk, ok, ik begrijp jullie coachingsvorm wel en ik wil ook niet flauw doen. Ook begrijp ik dat er steeds meer behoefte aan interne coaches bij defensie is maar een coach zie ik altijd voor mij as iemand met een fluitje op de nek. Wellicht hebben jullie interne fluitjes.

De termen die genoemd worden als: ‘leervragen’ en ‘in de eigen kracht’ klinken leuk maar ook power-pointy. Ze komen zo uit zo’n associatie-web op een slide uit een cursus. Toch hang ik aan de lippen van Natasja en Joey en daardoor bedenk ik dat het blijkbaar heel belangrijk is hoe je iets zegt. Die twee weten op de een of andere manier bepaalde vragen te stellen, allemaal best ontspannen en nonchie, waardoor je beseft dat niet alles wat je in je hoofd hebt ook overkomt en dat je dat dus naar buiten moet brengen. Jezelf zijn… jezelf zijn.. dat is toch zowel het makkelijkste als het aller moeilijkste om te zijn? Dus geen blad voor de mond nemen, zoals de voorbeelden aan het begin van Anouk, Jules Deelder en de oude excentriekelingen laten zien. Maar wél een blad voor de mond nemen zou dan toch ook jezelf-zijn kunnen betekenen? Authenticiteit is een relatief nieuw concept uit de eind 19e/begin 20e eeuw. Het ‘ware zelf’ wat overblijft nadat al het neppe is afgepeld. De term bestaat vaak als negatieve beschrijving: niet-nep en niet-gekunsteld. Je ziet het tegenwoordig veel bij productbeschrijvingen: ‘échte boerenkaas’ en ‘authentiek en ambachtelijk gebakken brood’ en ‘onbespoten glutenvrije quinoasalade’. Allemaal beschrijvingen die impliceren dat het andere dus niet-authentiek is.
Dan hebben we nog ‘image’: de gecondenseerde gebrande vertaling van dat authentieke zelf. Is dat ‘jezelf’ of is dat ‘jezelf als performance’? Ik vind het razend interessant maar ik vraag het mij gewoon af.
‘Kwetsbaarheid’ is ook zo’n term. Wanneer ben je dat dan? Als je huilt? Als je een geheim vertelt?
Een moeder van een vriendin van mij zei eens, toen we nog kinderen waren: ‘het gaat er niet om hoe je bent, het gaat erom hoe je overkomt.’ Dat heb ik altijd onthouden en ook altijd verdrietig gevonden.
Vandaag gaat over een synthese tussen beide werelden: hoe je bent naar voren halen in hoe je overkomt. Klinkt makkelijk, is het denk ik niet, maar wel zinnig: als een coachee jou wil vinden moet hij of zij weten waarop te zoeken en wat jij als coach biedt.
Je kan ook niet overkomen als niks. De te lange coachomschrijvingen die Natasja aan het begin liet zien komen over als iéts en misschien iets wat je niet bedoelde. Hoe dan ook kunnen we concluderen dat ‘branding’ zelf heel goed aan branding heeft gedaan.

Tijdens de lunchpauze kijk ik om mij heen en wat opvalt zijn de schouders. Bijna alle mannen hebben ontzettend rechte schouders en lopen heel trots en rechtop. Als ze stilstaan zetten ze hun voeten net iets verder uit elkaar dan wij gewone burgers. Ook hebben ze opvallend vaak stevige, doortastende, onderkaken en een beetje vierkante haarlijnen. Niet te missen zijn de leren puntschoenen met veters.
De vrouwen zijn allemaal hartelijk. Dit zijn de meisjes uit het hockeyteam vroeger: zakelijk maar warm en met kleding die lijkt te zeggen: ‘je neemt mij serieus maar je komt ook naar me toe om even te praten.’ Allemaal no-nonsens types.
Tijdens het eten spreek ik Mees. Ik spreek hem aan met ‘u’ en Mees vraagt waarom ik hem u noem. Die vraag had ik nou nooit verwacht van een militair!
Ik zeg: ‘omdat u eh jij mag bepalen of ik u eh jou jij mag noemen. Mees vond dat interessant want dat deden zijn kinderen nooit bij anderen. Misschien zagen ze hem te weinig in uniform?
Mees vertelt dat hij opgeleid is als apotheker, nu als militair werkt voor de patiëntenzorg van defensie en ook coach is. Ik vraag hem of hij nog wat aan zijn basistraining heeft. ‘Natuurlijk!’ zegt een mevrouw naast mij. Mees zegt dat hij nog altijd wat heeft aan de kameraadschap en dat gevoel wat daarbij hoort. Hij vertelt dat het veel verder gaat dan je pak goed aan kunnen trekken en om zeven uur al fris klaar kunnen staan. De man naast Mees zegt dat niemand sterft voor ‘volk en vaderland’ maar wel voor de kameraden, voor de eenheid, voor vrienden. Terwijl we onze broodjes eten stel ik me voor dat we in zo’n hipstercafé zouden zitten waar je die authentieke boerenkaas op oorspronkelijk speltbrood kan eten. De militair als hipster in een verfomfaaid retro-uniform. Dan zouden we met gehaakte blaadjes lekker gecamoufleerd opgesteld onder een duurzame steigerhouten tafel zitten. ‘Even helemaal lekker jezelf zijn’ hoor ik de reclamestem al zeggen.
In elk gesprek dat ik voer valt me op hoe aandachtig jullie zijn, ook naar elkaar. Tijdens de presentaties luistert iedereen en de opdrachten worden serieus uitgevoerd.

Twee mannen aan een statafel zijn aandachtig met elkaar in gesprek. Een pakt zijn why-how-whatpapier op en draait het een paar keer rond. ‘Believe in your dreams, is dat wat?’ vraagt de een. ‘Nee moet wel Nederlands’, zegt de ander. ‘Durf in je dromen te geloven’, zegt de een dan. ‘Jaja’, zegt de ander weer. In de beeldronde kraak ik even een noot met Gaby, die ook weer zo’n opvallend intelligente en aandachtige blik heeft. Ze wil iets met goed-beter-best en iets met puntjes op de i, ontwikkeling en groei en een goed beeld daarvoor. Ze zegt dat ze helemaal niet verwacht dat álle puntjes meteen op de i staan. Dat iemand daar misschien een psycholoog voor nodig heeft maar dat zij uiteindelijk met die puntjes kan helpen. In de salon voeren Oekraïense, Duitse en Nederlandse militairen in uniform een filosofische discussie over de NAVO en over of iets not-classified is of un-classified. Een van hen zegt: ‘it can never be not-classified, it is maybe un-classified, why would we use the words otherwise?’
Later google ik defensie even. Er komen misschien nog bezuinigingen aan en ik kom erachter dat ik te klein ben om ooit nog militair te worden.

Die bezuinigingen snap ik niet. Met ál die spanningen in de wereld zijn wij Nederlanders wellicht wat gewend geraakt aan de veiligheid in ons land. Het gaat dan om hetzelfde argument als die anti-vaccinatiegroep die dan zegt: ‘maar niemand hééft toch polio?!’
Nee precies.. we zijn zo veilig omdat jullie blijkbaar iets goed doen. Mensen die ons veilig houden hebben soms wellicht ook zelf hulp nodig bij iets groots of bij iets kleins. Elk mens heeft vragen of loopt tegen dingen aan. Zoals Natasja, Joey en Disneyprins Erik Joosten zeggen: om een ander te kunnen helpen moet je jezelf kennen, als eenheid maar ook als individu. Dus weg met de bescheidenheid en hier met de tikkie trumpiaanse slogans! Ik heb vanaf nu mijn eigen ondertitel voor de reclamecampagne van defensie. Met jullie priemende open aandacht en concentratie. Als je dan ooit ‘jezelf’ kwijt bent dan schiet Disneyprins Erik op zijn vlucht droneganzen te hulp. Hij is nu al razend populair namelijk.
Defensie: je moet het maar kunnen; met aandacht.

Wiskundigen langs de sloot

Op 16 november was ik gevraagd om een Porcelijntje te schrijven bij een dag over cultuuronderwijs voor leerkrachten (basisonderwijs) van de Nutsscholen in Breda. Deze dag stond geheel in het teken van cultuuronderwijs, het belang daarvan maar ging ook over hoe dit het beste aangepakt kan worden. De Nieuwe Veste en de Cultuurwinkel Breda hebben een plan hiervoor opgezet en alle leerkrachten kregen workshops en lezingen over het belang van cultuuronderwijs en de meest recente onderzoeken over hoe kinderen leren.

Juffen en meesters kunnen zich vaak goed inleven in kinderen en je weet zeker dat er juffen in de zaal zitten als er heel hard ààààhh geroepen wordt bij een filmpje van een leeuw die op het punt staat een klein zebraatje op te peuzelen. Als vervolgens iemand Mark Mieras een vraag stelt: ‘wat zou u doen als u minister van onderwijs was?’ en ik hoor een dame naast me in de zaal onverhoopt: ‘zou zijn’ corrigeren, dan smelt ik een beetje.
Onder juffen en meesters, zoveel is duidelijk.
Wetenschapsjournalist en natuurkundige Mark Mieras geeft een zeer interessante lezing en is de eerste spreker van zijn soort die ik eindelijk eens heb horen zeggen dat het concept ‘out of the box’ stiekem best ‘in the box’ is.
Hij vertelt ons over hoe het brein leert, zo blijkt dat de retorische methode eenvoudigweg minder goed werkt omdat je door die gesloten vragen de kinderen onzeker maakt waardoor het leren juist geremd wordt. Kinderen gaan er dan snel vanuit dat ze iets niet weten en niet kunnen en dat komt dan, vaak onterecht, niet meer goed. Kinderen moeten leren fouten maken en ook leren dat het maken van een fout je niet hoeft te ontmoedigen. Uitproberen, opnieuw uitproberen en daardoor creativiteit ontwikkelen. Die creativiteit is zeker ook belangrijk omdat er door de snel ontwikkelende automatisering weinig andere belangrijke tools, dan creativiteit, zullen overblijven op de arbeidsmarkt.
Terwijl ik naar de hersenen op het kussentje kijk (rekwisiet van Mark Mieras) denk ik: ja, maar niet iedereen hééft hersenen op een rood kussentje van velours. Hoewel alle assertieve bakfietsmoeders natuurlijk overtuigd zijn van de onwaarschijnlijke hoogbegaafdheid van hun Sem of Sep, is Sem misschien een heel gewoon jongetje en misschien ook niet zo ontzettend creatief. Wat gebeurt er later met Sem? Want ok, stel dus dat alle scholen het zo aanpakken als Mark wil en zoals de Cultuurwinkel heeft bedacht, en creativiteit wordt ten volste ontwikkeld, dan nog houd je verschil. Dan is Yassin enorm creatief en later hoofd van de afdeling ‘teleporteren’ bij Google, en arme Sem is in verhouding nog altijd minder creatief dan Yassin. Straks krijgt Sem ook nog een burn-out omdat hij altijd te horen heeft gekregen dat ‘iedereen bijzonder is’ maar later dan blijkt dat hij dus precies even bijzonder is als de grootste groep.

In de pauze kijk ik eens goed om me heen. Wat meteen opvalt is de grote hoeveelheid zo nét nonchalant gekamd haar en er is sprake van veel lange – over de billen – T-shirts, donzige lange vesten en van die schoenen die zeggen: ‘ik ben artistiek maar ook stoer en het moet wel ook lekker zitten.’
Buiten spreek ik Hilde, de juf die de man met de vraag stiekem corrigeerde. Hilde is echt zo’n no-nonsense type: kordaat, duidelijk en liefdevol. Ze vertelt dat haar kinderen gek worden van haar taalkundige verbeterdrang en dat ze eerst in de zorg werkte maar de processen haar daar te traag gingen.
Hilde is zo iemand die een kind binnen vijf seconden kan troosten . Zo iemand waar je altijd naar luistert en ook altijd naast wil zitten. Aan Hilde durf je wel te vertellen dat je in je broek hebt geplast, ook nu nog. Ik durf te wedden dat als ik nu in mijn broek zou hebben geplast dat Hilde mij aan de arm zou nemen en zelfs een schone broek in haar tas zou hebben, zo is ze.

Je juffen en meesters zijn de eerste waarop je verliefd wordt als kind, of ja..verliefd..
Ook vandaag zijn de meesters zulke types: Sportief (soort van) en vrolijk en zoals die papa’s in de speeltuin die het leukste meedoen. Van die frisse mannen met gympies en een glimhoofd en vandaag ook één enkele hippe dandy.
In de Lutherse kerk zijn twaalf juffen aan het dansen op ‘twee emmertjes water halen’, en iedereen doet mee. Een willekeurige groep andere mensen zou dit maar raar vinden en stom. Jullie niet, jullie vinden niks gênant en raar.
Ik dagdroom even en denk aan de wereld waarin jullie werken. Een wereld vol kralen, vormpjes, kleurpotloden, ’t kofschip, vulpenvullingen, buitenspelen, kneedgum en rode krullen op het huiswerk. Zo heerlijk als dat klinkt, zo taai kan het zijn. Ik ben geen juf maar ik geef sinds begin dit jaar wel workshops schrijven in Rotterdam, ook op basisscholen. De afgelopen weken gaf ik een workshop ‘griezelverhalen schrijven’ aan groepen 5-6-7. Ik kwam op de meest uiteenlopende scholen: van montessorischolen waar de Luca’s en Sofie’s vroegen om een extra vel papier omdat ze ‘nog een hoofdstuk wilde schrijven en de personages verder wilde bedenken’, tot hele klassen die de taal amper beheersten en nog nooit een verhaaltje hadden geschreven. Die grote verschillen zag ik ook bij leerkrachten. Van enthousiast en voldoende gesteund door school tot en met schreeuwende juffen die mij verzekerden dat dit een rustige middag was omdat maar vier kinderen gevochten hadden.
Ik kreeg zoveel ontzag voor jullie vak en zag ook hoeveel invloed de school zelf heeft op de werksfeer en de ontwikkeling van de kinderen.
Op sommige scholen doen ze weinig creatiefs waardoor ik, als bezoeker, van 9-jarigen de vraag krijg: ‘waarom moeten we dit doen?’ Terwijl ze volgens mij iets super leuks mogen doen: hun fantasie gebruiken.
De grote tweedeling in de maatschappij begint echt al op de basisschool en die enorme verantwoordelijkheid dragen jullie. Daar ben je dan mooi klaar mee. (En dan hebben we het lerarenregister nog niet eens besproken vandaag).
In de smartlappenworkshop wordt dan ook veel gerefereerd aan het grijpen naar de fles.

Ook in de presentatieworkshop wordt door iedereen enthousiast meegedaan. Jullie hebben de kinderlijke onbevangenheid behouden, of het vermogen om gewoon ergens in te duiken en wel te zien wat er gebeurt. Plezier te hebben en om jezelf te kunnen lachen, of misschien zijn jullie precies daarom leerkracht geworden.
Ik koester zelf hele fijne herinneringen aan mijn basisschooltijd op een montessorischool. Mijn liefde voor taal is echt grotendeels te danken aan mijn onderbouwjuf Renate en mijn bovenbouwmeester Ronald, die mij ’t kofschip zo grondig heeft geleerd dat ik zelden tot nooit een dt-fout maak. De toneellessen op die school gaven mij zelfvertrouwen en elke woensdagmiddag orkestje in de klas. Het is dan ook opvallend dat een groot deel van mijn oude klas in de kunsten en aanverwanten is gaan werken.
In de Lutherse kerk hangt een kunstwerk aan de muur, een moderne variatie op een kruis, met de tekst: de liefde zoekt zichzelf niet.
Daardoor denk ik: de creativiteit verveelt zich niet.
Zoals Mark ons aan het begin een neuraal netwerk toonde, kijk ik nu naar de samenleving als de hersenen op het rode kussentje. De kinderen zijn de neuronen en jullie de paden die de informatie overdragen en die goed gelegd moeten worden. Cultuur is dan de neurotransmitter.
Ik heb de bevoegdheid niet maar anders zou ik jullie vandaag een echte mooie rode juffenkrul geven. Jullie maken de generatie van de toekomst klaar voor een wereld waarin goed kunnen sorteren niet meer zo nuttig zal zijn. Een wereld waarin van veel meer mensen creativiteit wordt verlangd en probleemoplossend vermogen.

Als het even niet lukt dan weten we wat ons te doen staat: even langs het slootje wandelen, net als de wiskundigen van Mark Mieras. Als het dan nóg niet lukt bellen we Hilde even; die weet wel raad.

Mijn eerste boek over woordjes

Op 19 september 2016 was ik gevraagd om een porcelijntje te schrijven tijdens een symposium over laaggeletterdheid (is dus niet analfabetisme) in de bibliotheek van Boekel. Er spraken experts over cijfers en methodes om laaggeletterdheid te bestrijden. Ook sprak een mevrouw die zelf ooit laaggeletterd was: Ria. Zij vertelde over de cursussen die ze had gekregen en over hoe ze haar ‘handicap’ al die jaren verborgen heeft weten te houden.

Afgelopen dagen dacht ik regelmatig na over laaggeletterdheid. Telkens stelde ik mezelf deze vraag: wat mis je allemaal als je laaggeletterd bent?
Wat krijg je niet mee en hoe anders is die wereld dan die van mij? Eerst dacht ik aan de voor de hand liggende zaken: de krant of een boek lezen, een brief of e-mail van je energieleverancier. Het aanpassen van je abonnementen, gebruiksaanwijzingen en bijsluiters. Verkeersborden. Ook: spelletjes met je kinderen, je kleinkinderen voorlezen. De ondertiteling van een film. Verder bedacht ik no enkele zaken waarbij iemand waarschijnlijk een hele goede smoes moet bedenken: een kruiswoordpuzzel waar iemand een antwoord voor vraagt: ‘5 letters, eindigt op een M!’ Of zelfs iets sufs als een naambordje op een bijeenkomst.
Hoe meer ik dat mij probeerde voor te stellen, des te kleiner bleek die wereld te zijn. Je kan over zo ontzettend veel dingen niet meepraten. Je kan niks controleren bijvoorbeeld en daardoor kun je geen ‘papieren studie’ volgen, want hoe zoek je uit of die ene uitspraak klopt en wat de bron is?
Je weet natuurlijk ook niet wat je niet weet. Als je man of kinderen er niet zijn ben je dus relatief opgesloten in jezelf. Hoe eenzaam!

Als Ria vertelt ben ik diep onder de indruk. Haar handigheid in het verstoppen van de laaggeletterdheid: ‘Wat neem jij? O doe mij dat ook maar!’
Haar doorzettingsvermogen, het plezier in haar ogen als ze spreekt over lezen en leren.
Door de voorbeelden van Deniz, die methoden ontwikkeld om dit alles te bestrijden, besef ik nog meer dan anders: taal beheers je.
Met taal kun je je diepste gedachten aan een ander laten horen. Als iemand lager-geletterd is stel ik mij zo voor dat de verbale vocabulaire ook iets achter zal blijven. Als je nieuwe woorden niet kan lezen en zelfs niet op kan zoeken dan leer je ze ook niet.
Als iemand die van taal en schrijven haar beroep probeert te maken blijft het verbijsterend en ook haast een bron van gêne.
Ik besef ineens dat ik zó tekstgericht ben dat ik soms, als ik spreek, meeschrijf in mijn hoofd.
Soms als een ouderwetse typmachine of computer, andere keren weer als met een pen. Ik zie de woorden op papier.
Ook hoe een woord eruit ziet is onderdeel van de taal. Een ‘schop’ voelt anders dan een ‘fiets’ en voor mij, en sommigen van jullie waarschijnlijk ook, doet ‘ik wordt’ haast pijn.
Als je de taal niet beheerst dan vermijd je de taal ook, zo is vanavond verteld.
Zouden laaggeletterden lievelingswoorden hebben of lievelingsklanken? Als je niet goed leest proef je de taal wellicht anders. Een stoel is dan geen stoel met een s t o e en l, maar natuurlijk iets waar je gewoon op zit. Misschien is ‘stoel’ dan ook iets met klanken. Klanken die niet persé geschreven zijn maar gesproken worden en tegen de tanden en tong gevoeld. Zou een stoel vervolgens ook anders zitten?

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niet goed te kunnen lezen en Denis toont ons een ambtelijke tekst met witjes om die ervaring te kunnen benaderen. Het lijkt nog het meeste op het lezen van een taal die niets met het Nederlands te maken heeft: Hongaars bijvoorbeeld, geen touw aan vast te knopen omdat geen enkel woord lijkt op iets dat je kent in het Nederlands of het Engels. Aan de andere kant.. dan benader je de taal al als iemand die een taal beheerst. Je kan geen andere taal leren als je niet vanaf een taal begint. Kunnen wij ons nog herinneren dat we geen Engels verstonden? We weten misschien nog wel dat dit zo was, maar echt voorstellen wordt moeilijk. Dat is precies wat Ria antwoordde toen iemand haar vroeg wanneer ze precies wél kon lezen. Ria zei: dat kan ik niet zeggen, het ging geleidelijk. Niet vreemd natuurlijk: alsof wij op een dag konden praten? Pats! Hoi!

De meneer die de gemeente vertegenwoordigt wil graag dat de cijfers wel helder en duidelijk zijn. Dat willen alle meneren van alle gemeenten. Hij heeft natuurlijk een punt als het om Huize Padua gaat (soort re-integratiehuis ken ik omdat mijn ex uit Gemert komt). Echter.. ja ze wonen er nu eenmaal en hebben een hogere risicofactor. In grote steden staan gevangenissen, dat is het vermelden waard als het gaat om strafblad-statistieken. Risicofactoren en absolute cijfers, het kan een heftige combinatie zijn voor sommigen.

In de pauze loop ik even door deze knusse bieb. Overzichtelijk en vrolijk.
Ik zou hier graag komen! Wie wordt er nou niet gelukkig van een bieb met nog een heuse vragen/suggesties/ideeënbus? Geweldig!
Hier zou ik elke zaterdagmiddag komen en dan zou ik wachten op Ria, die heeft gezegd dat ze nu niet op kan houden met leren. Samen zouden we dan lachen om de gedichten van Annie MG Schmidt en zou ik opmerken dat Ria zelf een personage zou kunnen zijn. Deniz zou ook langskomen en de gemeentemeneer, met zijn gemeentestropdas. Uiteindelijk zou Ria de hele bibliotheek aan ons uitleggen.
Ik hoop dat het jullie gaat lukken voor aan de laaggeletterden in deze wereld een bieb, een wereld aan sprookjes, kennis en grappen, open te breken. Zodat we die allemaal beter kunnen leren kennen en lezen, en leven.

Nederlands Nu!

Op 18 juni werd ik gevraagd om een Porcelijntje te komen schrijven bij een conferentie voor docenten Nederlands op het Christelijk Gymnasium te Utrecht. De inzet van de dag was het denken over o.a. een vernieuwing voor de examinering van het vak.

Op weg naar deze conferentie keek ik uit het raampje van de trein en zat te mijmeren over mijn Nederlandse lievelingswoord. Ik overwoog het woord: ‘onomatopee’, maar vond het niet echt Nederlands genoeg. Daarna kwam: ‘verpozen’ langs en vervolgens ‘naargeestig’ en toen was het hek van de dam. De gehele route langs het dorpse kanaal, van station naar hier, bleven de woorden mij om de oren vliegen: vermaledijde en akkefietje en nochtans.
Hiervoor, op het stoepje, kwam ‘snuisterij’ en eenmaal in de zaal dacht ik: ‘panopticum’, maar ook dat telt niet. Schermutseling telt weer wel!
Binnen ving iemand van de organisatie mij op die zich onmiddellijk verontschuldigde omdat ze ‘vreesde dat ze in gebreke was gebleven’. Op zo’n moment weet je het zeker: hier zijn docenten Nederlands aanwezig.

We beginnen boven met een socratisch gesprek over het vak Literatuur, inclusief het nét niet helemaal handig ombouwen van het klaslokaal: Die mensen moeten daar en die daar, en iets met de kopse kant.
Hoe maak je literatuur onmisbaar?
Een mevrouw vroeg zich af waarom het nut van literatuur altijd bevraagd dient te worden. Ze zei: ‘wat is het nut van wiskunde dan in de bovenbouw?’ Ja, goed punt.
Een andere vrouw oppert dat de canon altijd onduidelijk zal blijven maar dat leerlingen nu eenmaal de geschiedenis een beetje mee moeten krijgen. Want leerlingen weten niet wat goed voor ze is, toch?
Over het eerste punt, betreffende het nut van wiskunde, zat ik nog even na te denken. Ik heb zo een op een niet veel aan wiskunde gehad tijdens mijn studie filosofie, maar geen een vak op mijn school sloot precies aan. Daarbij bestond het vak Filosofie niet op mijn school. De manier van denken echter, die je aangeleerd wordt, sluit wel weer aan. Exact of niet, een wetenschap of niet, de verruiming van de mogelijkheden van je denken is iets wat altijd een nut heeft, ongeacht.
Daar komt dan dus de Bildung om de hoek kijken, wat helaas geen Nederlands woord is want mooi.

Ik ben dus geen docent maar ik geef wel veel poëzie- en schrijfworkshops aan middelbare scholieren. Daar krijg ik, ondanks dat ik het makkelijker heb want ik ben de leuke nieuwe docent die altijd nieuw blijft, toch vaak de vraag: ‘mevrouw, waarom moet dit, wat heb ik eraan?’
Voordat ik er erg in had veranderde ik laatst, na die vraag, in een juf en zei: ‘je mening, gevoelens en ideeën kunnen verwoorden en opschrijven is altijd belangrijk, ook als je geen schrijver of neerlandicus wil worden. Dit zal altijd nuttig zijn, ongeacht je beroep en leven. Daarbij.. alle zeer succesvolle mensen ter wereld zijn heel heel erg creatief, en dat zijn echt niet alleen de kunstenaars. Steve Jobs was een ongelooflijk creatieve man die iets bedacht wat er nog niet was. Daarvoor moet je snel kunnen denken, associëren en begrijpen wat er al wél is en je ideeën kunnen verwoorden.’
Vorige week was kwam een wiskundige in het nieuws die een nieuw godsbewijs had gepostuleerd. Dat kan zo iemand alleen als hij het durft om buiten de dingen te denken die hij heeft geleerd, maar die dingen moet hij eerst wel hebben geleerd!
Hersengymnastiek, of het nu poëzie of een formule betreft.

Een wiskundig/filosofisch godsbewijs is nooit verweg.
In de literatuurworkshop benoemt een mevrouw dat de Bijbel, bijvoorbeeld, door niemand geschreven is. Dan zie ik even later in de pauze op een steen in de muur van dit gebouw staan: ‘De vreze des Heren is het begin der wijsheid’. We zijn natuurlijk wel op een Christelijk Gymnasium.
Godvrezend – ook een mooi woord vind ik. Des te meer omdat het een deugd schijnt te zijn, wat blijkt uit de rouwadvertenties waar ‘Godvrezend’ tussen ‘liefdevolle moeder’, ‘goede vriendin’ en ‘geduldige echtgenote’ staat bij Annie in de Volkskrant. God hebbe haar ziel.

Na de pauze, waarin ik mij afvroeg waarom ‘kartoffelsalat’ zo vaak onvertaald op bordjes staat. Zuurkool noemen we toch ook geen Sauerkraut? Of is er iets fundamenteel anders aan kartoffelsalat dan aan aardappelsalade? Hoe dan ook..
Na de pauze ga ik naar de workshop: ‘hoe ziet het ideale examen eruit?’
Het socratische gesprek is aan strenge regels onderhevig maar het absolute antwoord mag niet gegeven worden. Het enige verschil met dialogen van Plato is dat niemand vandaag ‘bij Zeus, Socrates!’ heeft geroepen.
Een vrouw vraagt zich af wie er precies getoetst wordt: de leerling of de docent zelf?
De man die er het meest uitziet als een leraar Nederlands stelt voor dat het examen maar voor 50% meetelt. Ik ken de hel van de examens niet vanuit jullie perspectief maar ik kan mij iets voorstellen bij de opborrelende nijd om een tweede corrector (of andere eerste).
Bij de ‘creativiteit in de les’-workshop wordt Radio Gehaktbal uitgelegd. Het gaat hier om de opdracht om een fout uit de ondertiteling te halen.
In de laatste pauze kijk ik naar jullie schoenen. Ik heb, op een na, geen van heren kunnen betrappen op leren puntschoenen met gaatjes erin. Precies hoe jullie op mij overkomen: fris, enthousiast, bereid tot kritisch denken en met een heel geestig T-shirt van een man met daarop de tekst: ‘Hoe duur kost dat?’

Ik heb veel gehoord over liefde voor de taal en ik denk dus dat jullie ook wel veel lievelingswoorden zullen hebben.
Wedijveren, proleet, korzelig, verdonkeremanen. Fnuiken?
Hoe kennen we die woorden toch? Mijn moeder heeft mijn vader eens korzelig genoemd, en nadat ik de betekenis leerde kennen bleek dat ze gelijk had. Verder hoor ik dat woord nooit!
We kennen het uit boeken die we weer van onze docenten moesten lezen. Die liefde voor de taal.. die geeft af, die krijg je van jullie. Dat weet ik zeker.
Als ik zo terugwandel naar het station, weer langs het kanaaltje en de molen, dan denk ik aan de Olijke Tweeling in een bootje. Van het papier springen ze zo het kanaal in.
Eenmaal thuis zal ik een beschuitje eten en niet weten of het beschuitje zelf zo lekker smaakt of de klanken van ‘beschuitje’ over mijn tong? Smaakt koffie net zoals het klinkt?
Voor dat soort voorbeelden van speelsheid moeten we jullie dankbaar zijn.
Heel erg dankbaar!

Toekomst van de dorpsbieb

Op zaterdag 9 april 2016 schreef ik een Porcelijntje bij het symposium ‘De Toekomst van de dorpsbibliotheek’ te Heeze. Job Cohen was de dagvoorzitter en de Dag was georganiseerd om te inventariseren wat de rol van een dorpsbibliotheek in de toekomst zou kunnen zijn. De tijden veranderen en wat wordt dan de hoofdfunctie van een bieb?

Is er nog een toekomst voor de dorpsbieb? Zo ja, hoe dan?
Dat is dé vraag van de dag.
Terwijl ik in de broodjesfile sta bedenk ik dat deze dag, als er geen toekomst voor de dorpsbieb zou zijn, alleen georganiseerd is om Job Cohen een banaan te zien eten? De zaal waarin het symposium plaatsvindt kan omgebouwd worden tot theaterzaal dus performancekunst met Job zou prima kunnen. Minder avant-gardistisch staat oud-voetbalinternational Hans van Breukelen in het leven. Op zijn naamkaartje staat ook: coach. Dat zijn toch héle vooruitstrevende jongens? Misschien is hij dat ook wel maar hij begint met vier gouwe ouwe uitspraken:
1: Brabanders zijn de types van handen uit de mouwen.
2: Vroeger deed men de dingen nog op gevoel.
3: We worden steeds individualistischer met z’n allen.
4: Er is een groeiende kloof tussen laag- en hoogopgeleid.

Omdat het publiek van dit symposium allemaal nog wél naar een dorpsbieb heeft gekund weten zij dat dit heus waarheden zijn, maar ook cliché’s.
Misschien ontpopt Hans van Breukelen zich gedurende de dag nog wel als de Johan Cruijff van dit symposium. Z’n boektitel past al best: ‘Winnen is een keuze’.
Job Cohen vertelt over de agora; de marktplaats. De Bibliotheek als plek waar men elkaar ontmoet, de ideale woonkamer waar de laaggeletterdheid verholpen wordt, ouderen gezelschap gehouden, jongeren opgeleid en kunsten uitgevoerd. Is dat juist wel of niet van deze tijd? Ouderen vereenzamen, jongeren googelen en niemand heeft geld.
Want, alhoewel het verhaal van Hans Hooft heel veel goede punten bevatte viel mij toch het veelvuldig gebruik van de woorden ‘vrijwilliger’ en ‘efficiency’ op en in de pauze hoorde ik een groepje mannen met grijs haar, bril en lichtblauw overhemd spreken over ‘financiële overwegingen’. Het gaat dus, hoe vervelend ook, toch om geld of een tekort daaraan.

Wat je niet kent mis je niet, hoor ik Hans van Breukelen in mijn hoofd zeggen.
Ineens bekruipt mij het nare gevoel van een circulair toekomstbeeld:
Als er geen geld is om jongeren naar de bieb te trekken, om hen de concentratie en kennis op te laten doen die nodig is om kritische burgers te worden en geduld te ontwikkelen om een boek uit te lezen, dan zullen zij en vooral ook hun kinderen niet naar de bieb gaan. Dan ontwikkelen ze de liefde voor geschiedenis en literatuur niet, en dus zullen ze waarschijnlijk ook geen schrijver worden om vervolgens een boek te schrijven dat weer in de bieb komt te liggen, of een toneelstuk te schrijven dat uitgevoerd wordt in theaters. Als je het niet leert zal het ook niet leven, hoor ik Hans van Breukelen weer in mijn hoofd zeggen.
Overigens.. vrijwilligers kunnen alleen vrijwilligers zijn als zij genoeg geld hebben om die tijd te investeren. Het klinkt leuk, maar het geld is verlegd.
Ik weet het wel, andere leervormen en cultuurvormen genoeg. Vlogs, sociale media, ik maak er zelf heel veel gebruik van en ik ben er toch ook mee opgegroeid, maar ergens ben ik ouderwets en stiekem al 50.
Ik geloof toch dat je een redelijke hoeveelheid kennis moet bezitten om makkelijk nieuwe kennis op te doen en vooral: om te kunnen associëren. Je moet, zeker in een bieb, toch weten wáár je moet zoeken. Een verband leggen dat er nog niet is, hoe doe je dat als je a en b niet echt kent?

Ik ging ik mijn lagereschooltijd het meeste naar de bieb, in Amsterdam, de OBA, daar leende ik vele boeken.
Die geruststellende sfeer, de krantjes en alles wat je nog niet hebt gelezen en alles wat je nog niet weet in al die kasten! De geur van oude boeken, dat je ziet hoe oud ideeën zijn.
Tijdens mijn middelbareschooltijd was Job Cohen burgemeester van Amsterdam en bij hem heb ik nog altijd dat geruststellende gevoel. Als Job zegt dat iets goed komt dan is dat zo. Hij mag van mij tot vanavond laat vertellen over de oude Grieken. Dan zouden we lang discussiëren over of die democratie in het oude Griekenland niet eerder een oligarchie of aristocratie was gezien alleen de rijke vrije mannen een burger konden worden.
Datzelfde geruststellende herken ik in de liefde voor kaartenbakjes van Paul Cornelissen. De beelden die hij liet zien uit Roemenië zijn heerlijk: een rommelige en wat benauwde bieb waar je kan snuffelen, struinen en mijmeren. Paul heeft gelijk: laat de wethouder maar nadenken over het geld, daar is hij of zij voor en hopelijk ook goed in. Paul moet kunnen bedenken en om te bedenken moet je mijmeren en om te mijmeren moet je iets hebben om over te mijmeren.

Terwijl ik even mijmer denk ik aan de boektitel van Hans van Breukelen: Winnen is een keuze. Het gaat hier overduidelijk om iemand met een volledig andere levensinstelling dan ik. Alleen een echte optimist bedenkt zo’n titel! Winnen is een keuze…
Ik ben geloof ik eerder het type van: definieer ‘winnen’ en ‘keuze’..?
Ik ben ook erg slecht in voetballen dus dat zou er mee te maken kunnen hebben, ik kan nog een hele hoop van de man leren.
Overigens heb ik de regels van het voetbal grotendeels geleerd door het liedje ‘de voetbalmatch’ van Louis Davids. Die heeft mij laten ontsnappen aan vele voetbalgesprekken.

Hoe gaan komende generaties ontsnappen zoals Paul heeft gedaan?
De wereld is groter geworden, zelfs voor jongeren uit Nuenen, maar ontsnappen is weer een tweede.
Lezen is je tegelijk helemaal afsluiten en openstellen. Je moet ergens induiken om helemaal meegenomen te kunnen worden. Daarbij is het verschil met film of beeld dat je het voorstellingsvermogen gebruikt en ontwikkelt. Je geeft zelf vorm aan het verhaal.
Hoe vorm te geven aan het biebverhaal?
Terwijl ik de vorige zin schrijf komt er een oudere dame naast me zitten aan de leestafel. Ze gaat zitten alsof het haar eigen woonkamer is. Die knusheid heeft deze bieb, de kaartenbakjes zonder de kaartenbakjes.
De agora van Job Cohen; een ontmoetingshuis, de woonkamer van een dorp of buurt. Maar als je wil dat de kinderen in die woonkamer hun ontwikkel-huiswerk komen maken dan zal je wat strenge ooms en tantes moeten hebben die daarop toezien. Wellicht de ouderen?

Als dat niet lukt regelen we gewoon een performanceavond in het Jan van Besouw waar Job Cohen drie bananen op het toneel eet en ons geruststellend toe-mijmert dat het allemaal goed komt. Levert vast bakken met geld op!

Law & New materials

Voor 30 maart 2016 werd ik gevraagd een Porcelijntje te schrijven tijdens een debat over ‘law and new materials’ in het provinciehuis te Den Bosch. Dit debat werd georganiseerd door Bioartlab uit Eindhoven en had als doel om de verouderde ideeën over patenten, wetten en mogelijkheden rondom nieuw organisch materiaal, genetisch modificeren en de hele biotechnische wereld af te stoffen. De regels zijn niet meer van deze tijd en het debat toetste de ideeën uit het vakgebied.

Als een gedeputeerde geen bruine leren schoenen met gaatjes aanheeft, is hij geen echte.
Als een filosoof geen allitererende naam heeft is hij geen echte.
Als een debatleider geen Gijs heet is hij ook geen echte.
Dus dat zit allemaal al goed!

Het octrooirecht bestaat om anderen te stoppen, en als Jenny spreekt over wat er allemaal niet geoctrooieerd mag worden hoor je al wat mensen in de zaal sputteren. Ze zijn klaar om alle verkeerde eigenschappen als Prometheus te benoemen.
Interessante zaak die niet geoctrooieerd mag worden is de methode. Voorlopig lijkt mij dat een goede regel om nog ruimte te bieden voor nieuwe patenten: wel de gemodificeerde koffieboon vastleggen, niet de methode van modificatie. Bakkie octroost.
Als ik weer de zaal inloop hoor ik binnen één minuut iemand zeggen dat columnisten alles mogen schrijven, en dat niemand het vetorecht heeft op normen en waarden. Een meneer vindt dat de kunstenaar, die Gijs heeft geponeerd, best een mens mag opeten. Maar, waarom zou iemand dat doen?
Ik bedoel dat niet conservatief maar wat valt er te halen in die uitvoering, boven het voorstellen van hoe het is om iemand te eten?
Een kunstenaar heeft in elk geval een groot voorstellingsvermogen, dus dit zou ook gewoonweg voorgesteld kunnen worden. Of is de uitvoering wel belangrijk?

Dan de ethische commissie, het volgende punt van debat:
Wat nu als de commissie iets goedkeurt wat juridisch niet mag? Ethiek en recht vallen niet perse met elkaar samen. Dat zou wat betreft die orgaanhandel dan best een chaotische toestand kunnen worden.
Een orgaan verkopen maar daar geen consequenties van mogen ondervinden betreffende verzekeringszaken etc. Orgaanhandel legaliseren? Sja.. Met een kind adopteren is toch ook wel 10.000 euro gemoeid? Beetje tomeeto tomato of je het over een orgaan hebt of over een samenhang in organisch weefsel genaamd mensl.
Gijs, de debatleider, ontpopt zich in de tussentijd als een rappe-tongman van het eerste uur. Eigenlijk is Gijs dat stemmetje dat je als filosoof ergens in je derde jaar definitief je hoofd nooit meer uitkrijgt. Dat altijd nét als je een argument hebt opgebouwd zegt: ‘mjaa.. maar als je het nou zó bekijkt en het allemaal wél kan want er is geen zwaartekracht en iedereen is blauw en heeft toch 8 nieren?’
De orgaanhandel-stelling doet het goed voor het hellendvlakargument, en het modificeren van embryo’s ook.

.. net op het moment dat ik de punt achter de laatste zin zet valt een enorme zware glazen deur uit z’n voegen en op de grond in duizenden stukjes. Dit is niet zomaar een deur maar zo een die je in provinciehuizen en gemeentehuizen vindt, een dikke van metershoog. Niemand is gewond.
De conciërge moet vegen en wij dus allemaal de ruimte uit. Langzaamaan voel je dat iedereen toch wel geschrokken is en de biertjes vloeien rijkelijk. Ik wil net mijn schriftje pakken om verder te schrijven in de lobby, maar besluit dat toch later te doen.
Eenmaal weer in de trein denk ik na over de nieuwe organische materialen en het octrooirecht. Het octrooirecht is er eigenlijk om niks aan het toeval over te laten, en de biotechnische wereld wil het toeval van de evolutietheorie beïnvloeden. Zou toeval dan nooit meer bestaan? Of is het modificeren zelf onderdeel van het toeval?
Thuis, achter mijn bureautje, wil ik verder schrijven. Maar ergens tussen het toeval en de glazen deur is mijn pen opgeraakt. Geen druppeltje inkt meer. Op! Toeval?

Vrije School

Voor 8 maart 2016 was ik gevraagd om een Porcelijntje te schrijven voor de vrijeschoolconferentie in Zeist. Deze dag werd georganiseerd rond het thema ‘passend onderwijs binnen de Vrije School’.

Onderweg in de bus hierheen zaten een jonge man en vrouw achter mij met elkaar te praten.
Hun stemmen klonken zo vriendelijk, ik wist daardoor zeker dat ze ook naar de conferentie onderweg waren.
De jongen begon over tijd te praten en samen raakten ze een beetje verstrikt in het onderwerp: ‘ja want’, zei de jongen, ‘stel je kan de tijd echt even stilzetten, en je kan overal even kijken hoe laat het is, waar is dan het beginpunt? Hoe laat is het nu dan precies aan de andere kant van de wereld als het hier twaalf uur s’ nachts is?’, vervolgde hij. ‘Ja, twaalf uur s’ middags dus’, zei het meisje. ‘Maar waar begínt de tijd dan?’, ‘o op die manier, jaja nou het meten van de tijd begint daar dus, het lopen van de klok!’
Toen moesten we uitstappen. Er liep een aantal vrouwen met zelfgebreide mutsen dus die volgde ik maar. Ja, ik weet het, ik ben niet onthouden van wat vooroordelen over de Vrije School. Het beginnen met een ochtendspreuk, theorieën van Steiner.. van een afstandje heeft het een hoog zweefgehalte en verwacht je dat alle leraressen hun kleding vilten, iedereen GroenLinks stemt en er vrij veel glutenvrij gegeten wordt. Ik geloof die dingen niet écht, maar ik toets even de vooroordelen die voor de hand liggen. Ergens zijn die mijn hoofd ingekomen door de coole vriendinnen van vroeger die dan op de Vrije School van Amsterdam zaten. Die rookten dan al en hadden kapotte panty’s aan. Zij grapten over de rituelen op hun school en deden de meest zweverige docenten na. Die herinnering zit er goed in.
Merel Boon laat ons nog verder terug onze herinnering in gaan. Helemaal terug naar toen ik kroop, in dier-lijn als larf. Daarna leidt ze ons door de hele chronologie van het leven, tot en met wat het mens-zijn in volle ontwikkeling inhoudt. Het voorstellen van jouw plek op de wereld, met alles waar je voor gemaakt bent en bestaand in een tijd die langer zal duren dan jijzelf. Mooi.
Tijdens de werkgroepen ga ik dan maar naar de les die mij het meest ‘Vrije School’ aandoet: Planetentypen van Joep van Dongen.
Joep is scheikunde- en biologieleraar maar nu vertelt hij als moderne alchemist over de ‘Marskwaliteit’ en over dat Venus gekoppeld is aan het metaal koper en aan de organen nieren en darmen. Maar voor ik zelfs al tot een sceptische gedachte kan komen zegt hij: ‘maar verlies je niet in de indeling van typen en soorten, de mens is veranderlijk.’
Ik interpreteer zijn opmerking als: blijf onthouden dat een model de werkelijkheid representeert, dus verlies je nooit in het model want dan verlies je de werkelijkheid.
Alchemist Joep vraagt ons om op basis van enkele casussen de planeettypen te duiden. Ergens snap ik iets niet. Refereren deze werkelijk aan de planeten zelf? Zijn deze typen inherent aan de planeten? Refereren de menstypen aan de historische archetypen? Is het bedoeld als meer dan alleen bruikbare handvatten? Ach, ik pak dit natuurlijk veel te cerebraal aan, typisch een Jupiter geloof ik. Joep geeft ons een opdracht om weer een opdracht voor leerlingen te ontwerpen. Nu komt de bruikbaarheid van de typen naar voren. Je kan elke leerling activeren door iets te geven wat hun eigenschappen naar buiten brengt. Dus een Mars-achtig type een doe-opdracht geven en een Saturnus de opdracht geven om een toneelstukje over de geschiedenis te schrijven. Ook kun je deze eigenschappen juist tegenkleuren en zo een andere kant van een leerling aanboren en hen niet blind te laten staren op wat ze al kennen.
Joep knutselt met eigenschappen: een snufje esthetiek, afgeblust met een druppeltje introspectie. Joep kookt met zielenroerselen.
In de pauze ga ik even naar de lerarenkamer, blijft spannend om er niet woest uitgezet te worden!
Ik bekijk de naamplakkertjes van de docentenpostvakjes en het valt me op dat elke naam een bijzondere is:
-Anna Birthe
-Armando
-Rimbert
-Aster
-Eric Hercules
-Yvonne Kleinendorst
-Karin Parleviet
-Els Jansen Mediatheek
-Sagitte de Ruigh
-Wiesje
en Wisse
Prachtig.
De gesprekken in de lerarenkamer zijn gemoedelijk, iedereen lijkt elkaar te mogen. De leraren praten over hun hypotheek, de koffieautomaat, over leerlingen en over iemand met autisme. Jullie lijken mij bepaald geen types met plastic nepfruit op de tafels thuis. Ik stel me jullie voor als mensen met veel boeken in schots-en-scheve boekenkasten, met daarin boeken over Keltische weefpatronen en over obscure volkeren op verre eilanden. Eventueel op deze aarde of een andere, maar in elk geval in een echte tijd.
In de aula spreek ik Boudewijn. Boudewijn is leraar euritmie en vindt poëzie het meest belangrijke dat er bestaat. Wat heerlijk, docenten die dit zeggen als normaalste zaak van de wereld!
Zo ga ik de Vrije School gedurende de dag meer en meer zien als een zeldzame enclave waar kunst, persoonlijke ontwikkeling en oprechte nieuwsgierigheid de norm zijn. Ergens merk ik dat ook ik verwetenschappelijkt ben. Ik bevraag alles, en dat vind ik ook wel goed, maar ik wil alles duiden. Ik bedenk voor alles betekenis om mijn kleine wereldbeeld heel te blijven lijmen. Maar ergens daardoor ga je ook denken dat jouw tijd dé tijd is. Alsof het paradigma waarin we leven en denken hét paradigma is. De openheid die deze tijd overstijgt wordt aangemoedigd door jullie. Zoals Jan Fasen zijn Agora heeft gebouwd, hebben jullie allemaal een plein van kennis en verbeelding.
Jullie zijn zeldzame leraren.
Als ik zo in de bus naar huis stap hoop ik dat de jongen en het meisje weer verstrikt raken in het concept tijd.
Dan vraag ik hoe laat het is en antwoorden zij: hoe laat wil je dat het is?

Wintervuur op kerstavond

Op 24 december 2015 vond er een symposium plaats over familie, in Theater de Nwe Vorst te Tilburg, georganiseerd door het Wereldpodium. Ik was gevraagd om een Porcelijntje te schrijven (formerly known as Nicodijkshoorntje) en dit is het resultaat:

Nog met een stuk chocoladetaart van mijn schoonouders tussen mijn tanden kom ik hier aangerend. Ik verwachtte een theater vol met kerstgestreste mensen die hier, propvol van de zeven gangen, gevlucht zijn voor hun familie. Een soort excuusavond dacht ik, maar dit blijkt niet te kloppen.
Allemaal rustige mensen en niemand lijkt misselijk.
Ik was dus de enige die gehaast bleek te zijn. Ik houd namelijk niet zo van kerst, of… ik koester er geen speciale herinneringen aan of gevoelens over. Mijn familie viert kerst niet echt. Soms komt er wel familie eten, maar nooit in een groot gezelschap. Juist kerst was niet echt iets. Geen zeven gangen, geen dronken ooms en tantes (wel genoeg op andere gelegenheden), geen cadeaus, geen gigantische pannen soep, geen chocoladetaart en geen kerstboom.
Toen ik vriendjes kreeg en met hen meeging naar hun ouders merkte ik pas hoe belangrijk kerst voor het Nederlandse gezin is en in het bijzonder voor het Brabantse gezin. Samenzijn als activiteit.
Ineens zag ik de stress van de familie om allemaal op tijd te zijn, precies op tijd voor het lauwwarme ragoutpasteitje. Met de tijd zo verdeeld dat geen van beide, gescheiden, ouders boos worden en er van iedereen precies evenveel wordt gehouden. Het moet en zál deze drie dagen gezellig zijn!
Gelukkig zijn we hier.

De avond opent met een beschouwing van de familie doorsnee en in de bovenzaal met drie mensen die suikeroom (of –tante) zijn. Frans van Peperstraten, mijn docent filosofie op de Uvt, blijkt een suikeroom te zijn. Hij steunt al jaren een meisje uit Malawi in haar studiekosten en hij beschouwt haar als familie.
Voor veel mensen is familie iets heel duidelijks. Van familie houd je onvoorwaardelijk en voor altijd. Ik houd natuurlijk ook van mijn familie maar heb de mensen die ik uit kan kiezen toch heel erg lief, zij zijn écht bijzonder want niet gegeven. Daarbij zijn ze minder confronterend dan die ene oudtante waar ik zo op zal gaan lijken. Geneticus Toon van Gestel heeft ook zo’n oudtante en van hoe wij allemaal net als zij onze neus kreukelen bij het nemen van een slokje port, daar heeft hij zijn beroep van gemaakt. Zowel hij als zijn kleinzoon hebben een probleem met de stolling van het bloed en de interviewer vraagt hem naar de familieband en hoeveel we genetisch verschillen van chimpansees. Toen de interviewer dus waarschuwde dat hij een alfa-man is dacht ik eerder aan de apenrot dan aan taligheid.
Soms is het jammer dat interviewers bang zijn dat dit soort onderwerpen te moeilijk worden gevonden (want genetica en dat is bèta-ig en dus eng). Want Toon vertelt ontzettend interessant over hoe vrijwel alle mensen binnen een Brabants dorp nog behoorlijk verwant zijn aan elkaar. Wel logisch want men is pas recentelijk verder gaan wonen dan de geboortegrond. Toon vertelt over vindbaar gedrag in DNA: waaghalzen en schijtlijsters. Na kortdurende fokprogramma’s heb je al een verzameling moedige of angstige stekelbaarzen.

In de pauze hoor ik een vrouw tegen haar vriendin zeggen: ‘dus we komen in 99,9% overeen met elkaar maar waarom bende gij dan zo knap en ik nie?’
Volgens Toon is onze beste eigenschap als mens dat we slim zijn en grootmoeders hebben. Nu heb ik al heel lang geen grootmoeder meer. Dat is eigenlijk het enige familielid dat ik is, of één van de twee, een opa én een oma. Ik heb een piepkleine familie, letterlijk en letterlijk en zonder grootouders. Ach, niets zieligs aan hoor. Ik bedenk soms hoe mijn opa nu zou zijn, hoe hij Sam- en Moosmoppen zou tappen.
Dat is wel fijn, dat we alles kunnen bedenken wat we willen, dat gun ik alle kinderen uit de kinderrechtzaken van kinderrechter Frans van der Reijt en mediator Eef van Creij.
Die kinderen, midden in een scheiding of uithuisplaatsing. Hun gun het vermogen om hun eigen familie te kiezen uit alle andere mensen. De gekozen familie.

Zo kunnen we ons vanavond ook zien. Kerstavond met de uitgebreide familie in het theater. Iedereen drinkt al Glühwein dus dat is een goed begin, eten is er ook.
De organisatie zijn onze ouders, die houden het overzicht en wandelen druk heen en weer om telkens te kijken of iedereen wel alles heeft. Uiteraard gaan ze zelf niet zitten als iemand hen dat aanraadt want dat doen ouders niet. Godelieve Engbersen is de tante met nét teveel op en Toon van Gestel is de oudoom die ons elk jaar weer iets interessants weet te vertellen. Later op de avond zal hij ons griezelverhalen vertellen. De minderbroeders Ad en Harrie drinken alle wijn op en spelen vervolgens het kerstverhaal na. Frans van Peperstraten is de suikeroom die zegt: ach, nog één bonbonnetje dan. Hij stopt ons een tientje toe en voorziet ons van goede vragen, waarna moeder zegt: ‘toe Frans, niet meteen zo abstract weet, moet wel gezellig blijven.’ Frans van der Reijt slaat zijn vuist op tafel en barst in lachen uit. Aan het einde van de avond vallen we aan tafel in slaap met de kerst-cd vastgelopen op White Christmas, de kat likt nog aan de zalmmousse.

Ik wens jullie allemaal een heel mooi en fantasievol jaar. Nu ga ik weer naar mijn schoonouders, de andere helft van het stukje chocoladetaart ligt nog op mij te wachten.
Kerst went en er blijft altijd nog één gaatje over voor liefde.