Categorie archief: poëzie

Een dag in het leven van Jasper Mikkers

Op 2 juni 2013 werd de 65e verjaardag van Jasper Mikkers en de uitgave van zijn nieuwe bundel gevierd in jazzpodium De Paradox te Tilburg. Ik was gevraagd een hommage aan Jasper te schrijven.

Loofdier. Waar ben je, loofdier?
Zit je tussen de bladeren?
Kom dan uit de bladeren, loofdier, joehoe!
Ik word wakker.

Ik strek mijn benen en wiebel mijn tenen. Nog alle tien, nog niet vergaan.
Ik sta op.
Ik staar uit het raam en zie een oude vrouw, in een jonge roze jas, met een klein hondje. Ik onthoud dit beeld.
Ik zet koffie, laat het even pruttelen. Ik was mijn gezicht, ik was de groeven van mijn gezicht af. Ik poets mijn tanden met mijn rode tandenborstel. Ik pak een overhemd, die bordeauxrode, knoop van onder naar boven. Knoop één, knoop twee, knoop drie , knoop vier, knoop vijf, knoop zes, knoop zeven, knoop acht. Ik maak knoop acht en zeven weer los zodat ik kan ademen. Ik doe een zwarte, redelijke losse, broek aan en rode schoenen.
Ik giet de koffie in een klein kopje, zo heb ik meer koffie. Ik roer, leg het lepeltje ernaast, neem een slok, pak het lepeltje weer op en roer fiks in het kopje zodat het schuim even blijft tollen en ik het met mijn lippen kan stilleggen. Ik loop naar mijn werkplek en zet de computer aan.
Ik lees iets op het internet over Cees van Raak en grinnik er een beetje om. Ik moet die ouwe viespeuk weer even bellen voor een koffie.
Ah, het artikel over Anton Dautzenberg en ik als duo-stadsdichter staat op een site, goed, we zullen zien.
Misschien moet ik mij toch scheren, maakt me dat jonger? Ik zie steeds meer jonge mannen met baarden, ik scheer mij maar niet.
Ik pak mijn pen en mijn werkblok en begin aan een gedicht.
Het gaat over hoe een oudere vrouw een jong roze vel omslaat en rijen hakken in haar kast verstopt, zoals de bast van een boom haar jaarringen verbergt. Over hoe ik haar pijnlijke, beurse voeten wil kussen tot ze weer teder en mals vlees zijn.
Hoe ik haar om haar verstopdrang juist liefheb en ik haar nooit zal betrappen.
Aan dit gedicht zal ik nog minstens vijf keer schaven.
Ik besluit weer iets op te sturen naar Hollands Maandblad. Zal ik het gedicht ‘Hotelgast’ sturen over die franse maîtresse in bad die niet kan zwemmen? Of ‘Kanten Linten’, over dat jonge meisje op het strand wat net te ontwikkeld is om zonder bovenstukje te poedelen?
De redacteur vindt het altijd mooi als er iets sijpelt in het gedicht, het liefst vocht.
In beide gedichten zijn de vrouwen nat en beiden hebben schuim tussen de benen.
Ik stuur ze allebei maar op.
Mijn e-mail piept. Een e-mail van Thomas Verbogt, hij wil mijn advies.
Het gaat over een meisje op de Toneelacademie in Maastricht, waar hij net een blok ‘schrijven voor performance’ heeft gegeven. Na de performances bleken de hoofddocenten niet onder de indruk van haar performance, terwijl hijzelf specifiek gecharmeerd was van haar teksten en fantasie. Thomas wil weten wat ik zou doen en in hoeverre hij moeite moet doen om de docenten te overtuigen.
Ik schrijf hem dat hij haar moet koesteren.
Iemand overtuigen is te vermoeiend, laat mensen er zelf achterkomen.
Inzicht kost nu eenmaal tijd.
Ik ga een koffie drinken met mijn toch wel vriend Cees van Raak.
We praten over poëzie en Cees is zich, zoals meestal, al bij voorbaat aan het verdedigen tegen een argument wat ik niet plaats. We eten er ook een broodje rosbief bij.
Cees eet zoals hij schrijft: To the point, kort en met een clue.
Ik vouw mijn vlees liever. Zorgvuldig met mes en vork om daarna met de handen zoveel mogelijk vlees per centimeter brood te proeven. Cees en ik waarderen elkaar maar het is ook een nostalgievriendschap, we kennen elkaar nu eenmaal lang.
Ik reken af en koop onderweg naar huis een goede fles wijn voor de vrouw waar ik vanavond blijkbaar mee slaap en ga weer aan het werk.
Ik schrijf een gedicht over nostalgie naar de Brabantse moederschoot. Over het natuurlijke terugverlangen en over hoe drank dit nabootst. Mijn mobiele telefoon piept, een sms’je, een sms’je van Esther. Of we volgende week weer zullen eten, sushi?
Ik stuur terug dat sushi mij te rauw is en dat ik vind dat het mooie gezelschap meer aandacht moet krijgen dan het eten.
Zij stuurt terug: ‘Meesters?’ Meesters. Ik ben toch wel verliefd op haar.
Als we afspreken praten we over mooie dingen; reizen, de liefde, over onzekerheid en over hoe je onoprechte taal kan signaleren. Ze is het mooist met haar zwarte golvende haar los. Ze eet zoals ze praat: Hongerig.
Terug naar de moederschoot. Ik schrijf de laatste twee strofes. Over hoe de moederschoot je hongerig wil verorberen, hoe het hele leven juist een verlangen weg van die schoot is, en hoe drank dit ook nabootst.
Ik leg mijn pen neer en open mijn zesde en vijfde knoop van mijn overhemd ook.
Tijd voor blote vrouwen. Ik Google ‘Hairy pussies’, van Cees geleerd, en druk op ENTER.
Dan rinkelt mijn huistelefoon. Anton. “Mijn Limburgse broederschoot!”, roep ik. Hij vraagt of ik zijn verhaal al heb gelezen over twintig jaar opgekropte fantasieën van een non uit Limburg en hoe die non na het verlaten van het klooster een zeer rechtse politica werd. Ik zeg hem dat ik het een spannende ontwikkeling vind hebben en dat het een goede mep is tegen het conservatisme in het algemeen, lekker, maar dat de voetballiefde van de non in het begin wellicht iets te komisch kan overkomen. Maar het is weer brutaal, en dat is goed. Anton vraagt of ik vanavond op tijd bij de literaire avond zal zijn. Ja ik zal op tijd zijn. Esther zal er ook zijn. Anton begin over haar geile kuiten. Ik vind haar billen mooier. Kuiten, nee billen, nee kuiten, billen. Goed, ik zie je daar.
Geen tijd meer voor hairy pussies, ik moet mij voorbereiden.
Ik pak twee bundels, schud mijn haar, dicht knoop vijf en zes weer en zet een pannetje tomatensoep op. Ik schenk het met dubbele theedoek zachtjes in een kom. Ik doe er een lepel mascarpone in en roer fiks zodat het tolt en mijn lippen het tollen stilleggen.
Nog één keer schud ik mijn haar, neem de fles wijn mee voor de vrouw waarmee ik ga slapen, en ik ga naar het podium.
Op straat zie ik te oude vrouwen naar mij lonken. Ze verbergen niets, ik kan ze niet liefhebben. Ze zijn te vanzelfsprekend met hun kousen en hun hondje.
Bij het podium zie ik Esther, Anton en Thomas. Esther heeft haar haren los en een strakke rok aan. Anton lijkt gelukkig te zijn, Thomas omhels ik gretig.
Esther begint met voordragen. Hèhè eindelijk iemand die geen namen van andere schrijvers in een tekst verwerkt.
Ik heb haar vanaf het begin gesteund, ik zag het meteen.
Iedereen heeft iets voorgedragen waar liefde uit blijkt voor taal en voor gemeende beschrijvingen. Na afloop geef ik Esther een cassis en ik zeg dat ik het mooi vond en vurig. Ze omhelst mij. “Heerlijk die borstjes tegen mij aan”, zeg ik. Esther vindt deze opmerking vies. Ik zeg haar dat ik het wel meen, dat ik heus verliefd ben op haar maar ook weet dat een man als ik geen kans maakt. Esther vindt dat ik mal doe, mijn neushaar moet knippen en dat ik op moet houden. Ik zeg haar dat ze mooi is nu en meestal wel, dat ze bijna dierlijk beweegt. Ze vraagt of zij mijn loofdier is. Ik antwoord dat dit zou kunnen. “Welnee, Jasper, jij bent gewoon mijn vieze lievelingsoom, toch?” En ze dartelt verder, nippend aan haar cassis.
Vieze oom..
Ik omhels iedereen even lang en verlaat het podium. Ik open knoop zes en vijf nog eens en loop naar de vrouw waarbij ik zo ga slapen. De mysterieuze vrouw waarmee ik slaap.
Mijn sijpelende vrouwenbladeren. Kom maar tevoorschijn, kom maar, mijn loofdier.

Twaalf tenen

Ton Hartsuiker is 80 jaar geworden en ter ere van zijn verjaardag schreef ik dit gedicht voor hem. Ton Hartsuiker is pianist en was jarenlang de directeur van het Conservatorium te Amsterdam. Hij heeft zich zijn hele leven ingezet om de avantgardistische en moderne muziek te stimuleren en uit te voeren.

Twaalf tenen
Voor Ton Hartsuiker

Ik word wakker, poets mijn tanden, knoop de knopen, sluit het af.
Af het sluit, knopen de knoop, tanden mijn poets, wakker word ik.
Jij vergaat slapend, smeert je tenen, lost het lossen, opent de beginnetjes.
Beginnetjes de opent, lossen het lost, tenen je smeert, slapend vergaat jij.

Ik word wakker, poets mijn tanden, knoop de knopen, sluit het af.
Af jij sluit, knopen de knoop, tanden mij poetsen, wakker word ik.
Jij vergaat slapend, smeert je tenen, lost het lossen, opent de beginnetjes.
Jij opent de beginnetjes, smeert je tenen, vergaat het lossen, lost slapend.

Jij knoopt slapend, sluit knopen af, poetst mij wakker.
Ik werd wakker, poetste mijn tanden, jij vergat te slapen.
Jij vergat te slapen, jij vergaat het slapen, jij vergeet te slapen.

Droomde jij over vrouwen in water?
Over bloemen in velden?
Over vergeten helden?
Of over gevallen soldaten?

Mijmerde jij over de mens als natuur?
Over kinderen op het strand?
Een dode duif in de linkerhand?
Over hoe niemand wint van ‘t vuur?

Brieste jij tegen de maestro?
Woonde jij in de bomen
om aan de cultuur te ontkomen?
Of priegelde jij schroefjes in de piano?

Maar het moet plots origineel zijn, het moet origineel zijn!
Niets mag precies herhaald. FUCK de traditie, FUCK het verleden.
Niets mag al gedaan zijn.
Geen letter, geen toon, geen streek. Alles mag, en dat is nog niet gedaan.
Een woord: Was.
Nee.
Dat bestaat al.
Een woord is al teveel woord.
A b c d e f g
Pskt. Grktfmn
Srisfkznt. Prrt. FFktznriktsgrok. Srisfkznt. Srisfkznt.
Vrije seks, alles kan.
Blote vrouwen, volledig gewikkeld in cellofaan, op een concertvleugel. Dansend op een open-raam-symfonie. Alle bewegingen geïmproviseerd.
En niets, maar dan ook niets doet denken aan iets.

Behalve dan.. behalve dat éne detail, dat minuscule ielepielerige detail.
Die kleine wetenswaardigheid..
Dat we allemaal mensen zijn.
Mens-zijn is al zooovaak gedaan.

Het doen is al het doen.
Het niet-doen is ook doen.

Je word wakker, poetst je tanden, knoopt je knopen, sluit het af.
Begint het smeren, opent de tenen, sluit het slapen.
Je opent de dag, poetst de beginnetjes, knoopt het ik.

Je begint aan iets, knoopt een knoop, vergaat in slaap.

Je verliest de magie?

Je verliest de magie
Je verliest de magie
je verliest de magie
je wint in magie.

Sonnettenkrans

Tilburg, Nijmegen en Amsterdam schreven er één. Veertien schrijvers maken een sonnet met telkens de laatste zin van de vorige als eerste zin voor de volgende. Alle laatste regels en de eerste regel van het eerste sonnet vormen dan weer een vijftiende sonnet. Het alternatief boekenweek geschenk voor de Boekenweek 2013. Het thema van dit jaar is: ‘Gouden tijden, Zwarte bladzijden’.

Sonnettenkrans 2013

Seconden later zijn wij allerbesten

Zevende sonnet van de Tilburgse sonnettenkrans 2012, aangeboden als gratis boekenweekgeschenk.

Seconden later zijn wij allerbesten.
Hij spreekt alweer van vroeger en van toen,
van: “ weet je nog?” en onze eerste zoen.
Hij koos de mooiste, deelde wat er restte.

Wij lachend om die avond in ’t plantsoen,
de avond in het gras op Tilburg West en
ik kon niet wachten op mijn grootse test en
zag hem mijn liefje van haar goed ontdoen.

Terwijl hij alle mensen om zich rijgt,
zijn nonchalante ‘k-weet-’t-ook-niet-geste,
ben ik diegene die zacht grapt en zwijgt.

Zal ik dan toch de rake waarheid ketsen?
Hem laten zien dat ik hem overstijg?
Ach wat, ik blijf toch altijd de gekwetste.

Lege schappen vullen vrienden

Een wandeling door Tilburg

Kom je net om de hoek kijken,
Uit een andere stad en net uit bed.
Loopt een man je tegemoet,
Schouders ineengedoken en grijs bij de slapen.
Hij kijkt je aan en zegt: “hoi!,” alsof het niets is.

Duiven haast onzichtbaar tussen al het grijs,
De beetjes pikkend tussen de tegels.
Alles wat wij niet moeten.

Bijna de straat uit,
de man kijkt om en zwaait.

Je wandelt verder langs de grote begraafplaats
waar witte beelden je in Italië doen wanen.
Twee grafdelvers.
Ze harken de laatste aarde bijeen en wuiven naar je.

Bakstenen huizen net niet oud of nieuw.
Kleine Maria’s in de muren gemetseld.
Niet los te wrikken.

Bij het station staan rijen mensen,
Ongeduldig.
Matte glasplaten maken de lucht
altijd bewolkt.
Een zwerver met boemerangkaarten.
Je wilt iets tegen hem zeggen.
Je stamelt: “hoi..hallo.”
Hij heeft geen tanden meer.
Je geeft hem een worstenbroodje
Want dan ga je een beetje naar de hemel.

Drukke dagjesmensen.
Djembé-man geeft ritme aan hun loopje.
Toeterend, “kiss & ride” en telefoontjes.

Grote weg over.
Grijze mosselen en zalm worden aangeprezen.
De drukte in.
Hippe mensen in joggingbroek
Vers uit de dansles.
Soms geeft iemand je een knipoog.
Vrouwen winkelend.
Koopjes nemen loopjes met je.

Soep, tassen, taart, schoenen en Hemaworst.
Mensen blij en teleurgesteld.

Art deco glas in lood.
Want zoiets valt jou op.
Oude gebouwen links en rechts.
Kunstgaleries tussen fietsen en fruit.
Als in Frankrijk in de zon.
Terrasje pakken.
Je bestelt bij de ober:
“zou ik een koffie mogen?”
Waarom zeg je dat altijd?
Tuurlijk mag dat!
Koffie op een pleintje.

Kleine straten met gekleurde raamkozijnen.
Stiekem kijk je naar binnen.
Hoge plafonds en een vrouw veegt haar stoep.
Je knikt, zij kijkt en veegt.
Muziek klinkt uit een club.

Je bent bij een groot plein.
Sommigen zitten stil, anderen niet.
Fontein met vele gaten.
Enorme ruimte met hele kleine stroken gras.
Jonge meisjes spelen met hun telefoon.

Dan ben je er, bij het café.
Een bruin café.
De gasten schaken wat en drinken wat.
De deur gaat open.
Iedereen lacht je toe.
Muziek.
Je danst op de tafels.

Tilburg.

Tijdmachine

Ter ere van het 100-jarig bestaan van de Bibliotheek.

Als je een keer vragen hebt of ongelukkig bent
Je twijfelt of zekerheden zeker zijn,
En je wil dat iemand je verhalen deelt
Omdat je alleen bent met je ideeën.
Weet dan dat er een plek is, in elke stad
Waar je in de kast kan duiken.

Als je niet weet of nu 1988 of -89
De val van de muur en alle consequenties,
Of je dreigt te verliezen in een weddenschap
En je weet toch echt echt zeker dat die ene
Jongen uit de klas het mis had met de hoofdstad.
Weet dan dat er voor kennis een plek is.

Stel, je zoekt, terloops, de herkomst van lijden,
Je hebt een hond met allergie en vergeet steeds wie
Nou ook alweer de pasta had ontdekt,
En of fröbelen iets is wat volwassenen kunnen,
Of dat kinderbreinen kinderachtig durven zijn.
Weet dan dat je niet naar Wikipedia hoeft te surfen.

Maar dat je naar de BIEB kan.
Naar de Bieb. Naar de bieb dan!

Je kan er reizen door de tijd
Je kan er koffie drinken
Je kan er nagaan of drie maal drie wel negen is
Of de kerk zich in de mens vergist.
Je kan er lezen of het beter is je buurman te verlinken

Je kan er dromen tot je valt
Je kan er plaatjes kijken
Je kan verzinnen dat je koning bent van Nederland
Hoe een lucifer op Mars brandt,
Je kan er leren of je later op je moeder zal gaan lijken

Wat wil je bedenken? Alles? Er is vast wel iets over alles!
Wil je een taart gaan bakken? Kom maar!
Waargebeurde verhalen vertellen?
Hoe een meisje een jongen versiert?
Witte neushoorns, toekomst voorspellen,
Krachtmetingsfabels, Grote fanfares?
Hertenvlees en kattenverharing
Oude verhalen en krantenberichten
Kennis voor altijd, wat een verlichting!
Tijdmachines bouwen?
Vroeger en nu in één keer overzien:
De mensheid bekijken,
voyeuristisch, in ‘t geniep,

Het kan allemaal bij de Bieb.

Aftrap 013 013 013 013 013

Geschreven voor de aftrap van het ‘jaar 013′

Al kan het eigenlijk niet meer: Gelukkig Nieuwjaar!
Ik hoop dat ’t een gelukkig Nieuwjaar wordt. Of anders, voor de dichters onder ons, een iets minder teleurstellend Nieuwjaar, of een door drank draaglijk Nieuwjaar. Voor de politici en ambtenaren: Een jaar gewenst gevuld met stempels en wetsvoorstellen! Aan de rest: Een gelukkig Nieuwjaar.

Maar wie weet is gelukkig zijn wel het laatste wat jullie willen en vinden jullie dat maar passé: Geluk. Maakt het jullie verzadigd van lichaam en geest. In dat geval wens ik jullie een iets ongelukkiger Nieuwjaar waarin je kan blijven streven naar dat geluk, als dat je gelukkiger maakt.

Dit is wat ik wens:
Een jaar met enorm veel activiteiten
Een jaar zonder angst.
Een jaar waarin iedereen genoeg te eten heeft.
Een jaar waarin niemand hoeft te concurreren voor z’n hachje.
Een jaar waarin extreem veel moppen worden verteld
Een jaar waarin iedereen oprecht geïnteresseerd is in elkaar. Dat als iemand vraagt “hoe gaat ‘t?” die persoon ook werkelijk het antwoord wil horen.
Een jaar waarin niemand zich achtergebleven voelt en niemand zich buitengesloten.
Een jaar met veel feest!

Dit is wat ik vrees:
Een jaar vol portemonnederigheid
Een jaar waarin alle bezuinigingen goed gepraat worden onder het mom van: “Ach, we zullen het wel verdiend hebben.”
Een jaar waarin de voedselbank weer leeg is.
Een jaar waarin niemand elkaar iets gunt omdat niemand vindt dat hij of zij echt genoeg heeft.
Een jaar met veel ruzie door bovenstaande.
Een jaar waarin we gewend zijn geraakt aan uitspraken van politici, een jaar waarin we onze schouders ophalen.. ach ja.
Een jaar vol ongelukkige passiviteit.
Een jaar waarin veel mensen aan de drank raken.
Een jaar waarin elke dag op de vorige lijkt.

Dit is wat kan, denk ik:
Een jaar waarin we opstaan tegen het gelul.
Een jaar waarin we niet monddood gekletst worden door politici en door negatieve ‘framing.’ Zoals met de kunstenaars is gebeurd: “Van subsidie word je juist minder creatief.” Als je dit dan poogt te pareren ben je óf verwend want hoe DURF je nog geld te verwachten als anderen gebukt gaan onder het eigen risico van de zorgverzekering en als oma geen rollator meer krijgt. De andere optie is dat je overkomt als iemand die dit gevolg van subsidie niet wil erkennen en dus zal je wel geen echt goede kunstenaar zijn: “Die houdt z’n eigen broek toch op?”
Een jaar waarin iedereen samenwerkt.
Een jaar waarin niet alles in economische waarde uitgedrukt hoeft te worden.
Een jaar waarin ‘profileren’ meer inhoudt dan een persberichtje sturen naar het Parool.
Een jaar waarin ‘profileren’ een stom woord gevonden wordt.
Een jaar waarin we inzien dat je samen echt meer kan dan alleen.
Een jaar waarin er zoveel moois te zien is dat iedereen er meer ideeën van krijgt.
Een jaar waarin we inzien dat iets organiseren meer is dan alleen tijdverdrijf, en iets noodzakelijks is.
Een jaar waarin niemand zijn schouders ophaalt en iedereen vecht tegen geklets en onrecht.
Een jaar waarin niemand buitengesloten wordt omdat we inzien dat we allemaal mensen zijn en niemand echt beter is dan een ander, iedereen wel iets kan en iedereen rechten heeft. Bovenal dat iedereen in de schoenen van de ander had kunnen staan.

Een jaar met veel muziek en poëzie en lekker eten en goede wijn. Met katten op de vensterbank, warme kachels en goede gesprekken en feesten waar iedereen kan dansen.

Het ritme van die dans zal onze geesten vervullen met de nieuwe binaire code waar één cijfer aan is toegevoegd. Die binaire code zal ons allen bewegen en vervoeren door het oerwoud van de onzin naar het grote feest waar dit ritme ons beweegt.

Het ritme gaat zo: 013 3 001 3 03 13 0013 013 013 013 013….

Voel je ‘m?

Hop!

Herfstangst

Herfst,
Wil je alsjeblieft nog even wachten?
Nog even niet de truien in
Nog even niet de vachten aan
Nog even geen verpulveren van bladeren
Nog even niet de kachelpijp
Nog even het laagje los.

Laat de stad nog éven zien,
Houd haar sluier op,
Al wordt ’t zwaarder.

Herfst,
Geef mij nog één keer een peepshow.
Laat mij de dakpannen nog één keer roder zien.
Laat mij de grijze stenen nog één keer als zandsteen zien
en laat mij denken dat de huizen onvolledige piramides zijn.

Nog even geen chocoliedjes kerstcd’s.
Rillingen naakte bomen en natte laagjes
Druppels van mijn oren.
Koude winterlucht
die mijn hersenpan in tweeën snijdt
tot één knusse kopjes thee onder een dekentje, en één kersthatende.
Ik zet mijn rendieroren vast op.

Herfst,
Laat mij nog even niet veranderen,
Laat mij nog even geen herhaling zien
Van: “Ouwe koek en net als vorig jaar en zie je wel dacht ik al.”
Van: “Dat zei ik vroeger al, het ligt aan de rest aan de anderen
Het is de schuld van de buitenwereld, ik heb altijd gelijk en de rest verandert.”

Laat mij nog even alles zien alsof het nieuw is, dat er nog geen naam voor is.
Laat mij nog even bedenken hoe het moet heten.
Laat mij nog even niet die oude man worden die alles al benoemd heeft.

Wil je alsjeblieft nog even wachten?
Ik wacht dan met je mee dan turen we samen naar de wereld.
En noemen we alles oneindig vaak omdat we nog niks kennen.
Omdat we nog even niet binnen hoeven te zijn.
Omdat we nog even niet elk jaar hetzelfde ritueel.
Omdat we nog even geen grijsheid zien
Omdat we alle kleuren kunnen bedenken.
We kunnen alles bekijken, als jij ons de kleuren teruggeeft.
Nog even geen dikke sokken zelfde verhalen weer die éne oom.
Nog even niet koud nog even geen oude gedachten herinneringen.
Nog even niet?

Optocht

Geschreven voor de Tilburgse Koerier 21 februari 2013

Haar iets te dikke billen passen net in het rokje.
Ze papiermacheet zich om de mannen,
Tapt hun oksels voor tweedehands bier.
Ze loopt vooraan, danst rond de wagen,
Toet toet toeteren haar heupen
Naar een knappe jongen.
Nog twee dagen te gaan!
Ze trekt de massa mee met haar slingerboa.
Er kruist een rouwstoet. oma wordt begraven.
De zwarte en kleurenvlaggetjes verstrikken.
In de kerk wordt gesproken over vroeger en nu,
Over port en frietjes.
`Bier en tietjes´, roept iemand op straat.
Zij kijkt op, pruilt naar de familie,
De familie lacht terug.
Beiden stijgen op, verdoofd.
Alles is traditie.

Verhuizing van een vrouwelijke stadsdichter

Als het droste-effect hoogtij viert
En scheve ogen uit oude mannen puilen
Om net onder mijn rok te kijken
Wachtend op hun jeugdigheid
Heb ik toch geen medelijden.
Was ik maar één van hen,
Een rijpere oude man
onder mijn eigen rok kijkend.

Elke dag dat ik verplaats is
Als een enorme verhuizing
Maar mochten mensen bang zijn
Dat ik te Amsterdams ben
Wees niet gevreesd,
Ik ben ook maar een mens.

We zitten allen in dezelfde carrousel.
Het ene paardje is roze en de andere paars
Maar allen in dezelfde carrousel van het droste-effect.

Merry Go-Merry Go
Merry Go Round

Misschien word ik ooit nog een echte vent.
Tot die tijd ben ik de kleinste vrouw,
of, als ik op een landkaart sta, de grootste ter wereld.

Het is wit en het staat in het Vondelpark..
Witte gij ut?