Categorie archief: stadsgedichten

Engel verstopt

Voor: “De Engel van Tilburg, Rob Birza. 23 juni 2012, museum De Pont.

Eenieder heeft een sprookje nodig
Al is ’t maar om de dag goed door te komen
En niemand kan eraan ontkomen
We zijn allen een beetje gelovig

Een nis als plek, tentoongesteld.
Of juist aan ’t zicht ontweken
Dit is waar ik ben neergestreken
Betekenis op het beeld gespeld.

Jaloers zou ik zijn, op de mensen
Ik weet niets van goed en kwaad
Weet niks van liefde, lust of haat
Zou ’t amper kunnen wensen.

Zwichtend voor de Grote Hand
Die leven vonkte op de aarde
Waar jullie eeuwenlang voor naar kruizen staarden
Als zwaarte lichtheid overmant.

Wie zou ik moeten benijden dan?
De wezens die niets geloven?
Die niet durven dromen dat ze hopen?
Ik weet niet hoe misschien, en kan.

Zuiver mogelijk is wat ik benijd
Het alles kunnen zijn en meer
Maar ik was alles wat je wilde en weer
Zou ik alles kunnen zijn.

Ik zou uit andere verhalen willen stelen
Over keizers en ridders en vrouwen van sneeuw
Jachthonden die prinsen redden en monniken leeuwen
Maar wie wil er in mijn sprookje delen?

Bloemlezen en Koffiedik kijken op de Roze Maandag

Voor iedereen en dus ook voor Gerrit Komrij en Rutger Kopland

Lights On Daar gaan we Weer Weer WEER Weer.
Zonder ideeën ben ik er niet
Zonder ideeën zijn jullie er niet
Zonder de mensen is er niks om over te praten.
Zonder verschillen kunnen we alles stilzwijgend ondergaan.
Dan gaan de lichten op de dimstand.
De grootste beren op de Roze rots, Komrij’s Paralymics.
Het anders-zijn wordt juist benadrukt?
Met z’n allen in een draaimolen, de carrousel.
Alle plaatjes van mensen in de centrifuge tot oliebolsap.
Allemaal hetzelfde, behalve op Roze maandag.

Nog een Keer Keer KEER Keer.
Online bashen, inmaken oprotten optiefen onder de lakens houden, achter de voordeur. “Mij maakt het niet uit hoor,” als ze maar niet ehm zoenen op straat, ehm handen vasthouden, ehm genegenheid tonen, ehm mij aankijken, ehm iets roze-achtigs doen, ehm of denken, ehm ademen, of ehm leven.

“Het is een ziekte,” “homo’s zijn dierlijk.”
Nieuw Nieuw NIEUW Nieuw
Oproer uit de jaren 50. Conservatisme is de allergrootste traditie.

Misplaatste frustratie van antoniemschreeuwers is de online munitie waar we met z’n allen in draaien.
Zij met de grootste aannames nemen nooit iets aan van anderen,
want dat is een no-Go Go GO Go.
Dansers in kooien, harde sex, slappe handjes, roze boa’s, darkrooms.
Cliché Cliché CLICHÉ Cliché.

Niet te verdragen. Erger nog dan Jonge Sla.
Gay. What’s in a name?
Mo money mo homo mo homo mo homo.
Geld waard. Straks mis je nog de Bootsma.
Geld waard, twee voor de prijs van Één Één ÉÉN Één.

Benadruk het anders zijn, anders doet niemand het, gaan de lichten op dimstand.
Zwieren en draaien. Daar gaan We We WE We Weer Weer WEER Weer.

AaBe, Textielfabriek Tilburg

Aabe; Weeft Getrouw.

Weefgetouw, oorverdovende patronen
Van draden los naar vast
Waar personeel gepast
In gekleurde overalls hun rangen tonen.

Aandraaien, kamrijgen, rietsteken en draadmaken
De beweging rijgt zich door de mensen
Die allen delen in hun wensen
Van goed salaris en goede zaken.

Na de prikkaart in de prikklok
Gaat ieder naar zijn plaats
Geen minuut te laat
Niemand wil ’t met de baas aan de stok.

De heren van den Bergh als directeur
Zijn heren van gezag
Een wekelijks bezoek brengt
De werkvloer in bedrijviger humeur.

“Samenwerking schept vreugde en trots”
De ezels zijn geketend
Maar weten wat dit betekent:
Naar links en dán naar rechts, dat is ’t vlotst.

De ruimte, een modern juweel
Het nieuwste netste schoonste
Waar orde ’t gewoonste
Zonder ouderwets gekrakeel.

Eindeloze ruimte, de centrale gang
Als ader door de bedrijvigheid
Rechte vormen en openheid
En grote duidelijkheidsdrang

Hier scheppen mensen bewust
Reinheid, en met regelmaat
Als bijen in een honingraat
Hier weeft men goede nachtrust.

Als plots het dekbed de wol
De das heeft omgedaan.
Het gebouw wordt ontdaan
Van zijn jarenlange rol.

De eerste barsten beginnen te komen
De laatste man prikt kaart in klok
Nog één keer klanken in de nok
Nooit meer jonge jongensdromen.

Brokkelende stenen
Klimop langs metalen palen
Leegte komt zijn ruimte halen.
Geen herkenning, enkel vreemden.

De structuur ontsluiert zich traag
De bedrading toont zich ook
Vervlochten met een betonnen strook
Soms is binnen of buiten vaag.

De draden en de organen van de structuur
Weven alles samen tot geheel
Zodat men bij het kijken veel
Kan herkennen in een muur.

Het gebouw geeft haar geheimen bloot
We kijken in de kieren
En zien de tijd vieren
Dat ze immer nieuwheid doodt.

Je zou haar skelet willen toedekken
Zoo naakt en zoo koud
Als een arme vrouw te oud
Om haar ledematen uit te rekken.

Gelijkend onszelf zijn de delen samen één
Wij bestaan uit losse stukken
Waar zit dan het geluk en
Wie houdt ons allen op de been?

Het weven van ons samen tot één deel
Gebeurt niet vanzelf en zonder kracht
En wie te lang wacht
Blijft over zonder al te veel.

Zoals het skelet van een gebouw
Onszelf kan representeren
Wij spiegelen elkaar, laten we dat eren
Jij weeft mij en ik weef jouw.

De bedrading zijn losse delen die ieder
Nodig zijn voor overleven
Het gaat niet om het korte en het even
Het gaat niet om de hoogste bieder.

Wie schoonheid ziet herkent ’t acuut.
Wie geld ziet zal gaan kwijlen
En wie wil schoonheid laten veilen?
Een oud gebouw met een nieuw debuut?

Nieuwe plannen voor dit complex
Duurzaam herbestemmen
Maar het skelet blijvend herkennen
In het mooist, het duurst, het gekst.

Nu is de oorverdovende stilte begonnen
Een lichaam heeft een beweger nodig
Saamhorigheid lijkt overbodig
Maar zonder wever rest enkel het verstommen.

De oude vrouw is broos en ijl
Ze zucht onder haar pilaren
Ze wil enkel dat haar jaren
Terugkeren in een nieuwe stijl.

De oude vrouw was excentriek
Nu beeft ze aan haar koude draden
Misschien dat we bij de Eskimo’s nog dekens kunnen halen
Ze voorkomen immers reumatiek.

Armoede (Verborgen) armoede

Voor de Tilburgse Voedselbank en hun vraag naar kerstpakketten.

De armen van nu zijn als… de armen van vroeger.
Bespot, belast, beknibbeld.
Niemand kent ze, niemand is ze
Maar iedereen wil vergelijken.
“Het valt wel mee, met mij valt het mee”,
Als een lopende naast de lamme.
We weten alles beter,
Meer doen, minder klagen,
Koken voor vier euro kan toch best?
De rijkdom toont zich:
Naast de lamgeslagen
Zitten wij gepoft te piepen
Rond de tafel met schimmig licht
Sfeervol en hip knagen we
Aan onze knapperige borden.
Haute Cuisine van vroeger is van nu.
Arm en dus dom, denken we,
Verslagen is nooit echt gestreden
Gevallen heeft nooit goed gestaan
Op eigen benen, de eigen broekriem aan.
Schenken uit de dozen op zolder
Met oude broeken en gatensokken
Verfrommelde jurken en blikjes maïs
We zijn het kwijt, gegeven is gegeven
Dankbaarheid komt met een prijs.
Meer? Willen ze meer?
“Hoe durven ze ’t in de bek te kijken?
Ik werk hard hoor, ik werk hard!”
Voor elke cent zo tien andere.
Het kratje, thuis, zorgvuldig gedekt
Met een theedoek over de koekjes.
“Hier gaat iemand van overleven,
Hiervoor verdien ik respect.”
Wij drogen in gedachte hun tranen
Met kaasstengels en zeven bananen,
En, na gretig te hebben gegeven,
Bedenken wij hoe zij gelukkig zijn
Vier kinderen zonder honger
ook de hond dankt zijn baas.
Onze voldaanheid toont zich
in andermans verdriet.
We stellen ons voor hoe ze lachen
Hoe wij hun lichaam verwarmen,
Maar echt kennen doen we ze niet,
Onze, verborgen, armen.

– Esther Porcelijn, 2013.

http://www.tilburgsevoedselbank.nl

In Breda en in Tilburg

Ik woonde in een ansichtkaart
Breda is één groot vroeger
Een raam op zolder starend naar
De kerk en alle kroegen;
Waar mensen feestend zweterig
Zich door de biertjes zwoegen.

Omlijst is elk klein detail
De hofjes en de muren
Van baksteen staat elk huis zo lang
Dat al eeuwenoude uren
Mensen turend hun gedachten
Op de stad afvuren.

Toch lijken de inwoners
De schoonheid niet te delen
Ze ogen rijk en carnaval
Religie gaat vervelen;
Het boordje is geruild voor polo
‘t Verstikt nog steeds hun kelen.

Hen lijkt de vreemdheid ongehoord
Ze houden niet van anders
Geen polo: is te stumperig
En de rest, de omstanders?
Zij drinken er lustig op los
En dansen hun polonaise om de bijstanders.

Nu ik verhuis naar een andere stad
Waar oude muren zeldzaam
En hofjes onbestaand
Kijk ik door mijn nieuwe raam:
Een plein met auto’s en bomen
Vroeger heeft hier een andere naam.

De mensen, echter, zijn zélf anders
Sferen van raarheid, hun gelaat
Is minder strak hooghartig
Rokerige dronkenmanspraat,
Tijdens lange cafénachten,
Dragen ze als een sieraad.

Ik woonde in een ansichtkaart
Waar ik de schoonheid had
De nieuwe plaats is anders, ja,
Maar vrolijk en minder glad
Bij dat besef verscheur ik mijn post
Een ansichtkaart is toch maar plat.