Categorie archief: columns

Iedereen heeft interessante schoenen aan

Deze column heb ik in opdracht geschreven tijdens en voor de Dag van de Jonge Kunstenaar op 9 september 2013 in museum De Pont – georganiseerd door Kunstpodium-T – te Tilburg. Deze dag was georganiseerd voor jonge, beeldend, kunstenaars om hen wegwijs te maken in de zakelijke kant van het kunstenaarschap. Gedurende deze dag waren er lezingen over opdrachtgevers, debatten over crowdfunding en sponsorgeld en workshops in marketing en de toekomst van de kunstenaar. Deze column zet ik online voor iedereen maar vooral voor de aanwezigen van die dag (+- 300 jonge kunstenaars). In deze column zullen dus voorbeelden genoemd worden die onherkenbaar zijn voor diegenen die niet aanwezig waren op die dag. Maar er blijft, hopelijk, toch genoeg over voor die lezers. Deze column heb ik op die dag zelf geschreven, naar aanleiding van mijn indrukken, en na afloop voorgedragen in de tuin van De Pont.

Iedereen heeft interessante schoenen aan

Partytent
Laat jezelf zien.
Cultuursector slecht in zeggen waarom ze belangrijk is.
Hendrik Driessen (directeur van museum De Pont) is ook met niets begonnen maar mist nu het activisme van de jonge generatie.

Wie vind je leuk?
Wie is je publiek?
Hoe kun je dat publiek bereiken?

Soms borrelen cynische gedachten op uit het binnenste van mijn hoofd.
Een aantal van deze gedachten aan het begin van de dag is dit:

-Iedereen heeft interessante schoenen aan.
-Van al deze jonge kunstenaars zal minstens de helft binnen nu en vier jaar als barista in een hip café in de Pijp werken, fulltime. (En misschien werk ik daar dan ook).

Nu, ik ben het eigenlijk niet eens met deze gedachten, maar ik kan het niet laten.
Waar komen deze gedachten vandaan?
Wellicht zijn de loze kreten uit de politiek toch als parasieten in mijn hersenpan gekropen.
Niet alleen van de rechtse politici, maar ook de aanhangsels als GeenStijl en indirecte voortvloeisels als Bert Brussen.
Zelfs het feit dat ik, en anderen, de termen ‘rechts’ en ‘links’ gebruiken (want deden we dat tien jaar geleden?), is zo’n parasiet te noemen.
Ik herinner mij gesprekken aan de keukentafel voor de grote ‘rechtse omslag’, waarin bijvoorbeeld mijn ouders de gedateerdheid van de termen ‘links’ en ‘rechts’ benoemden.
Camiel van Winkel (auteur van ‘De hybride kunstenaar’) benoemt deze dubbelzinnigheid precies: Het romantische idee van de kunst en kunstenaar is onverenigbaar met taalgebruik als ‘marktwerking’ en ‘consument’.
Als student ben je nog bezig met l’art pour l’art, en na de academie word je geconfronteerd met het vacuüm van waar je heen moet met je kunst.
Studenten en ex-studenten in de zaal beginnen te morren en te rebelleren. Er worden zelfs weer termen als ‘Het Systeem’ geïntroduceerd.
Is dit dan het activisme waar Hendrik Driessen in het begin behoefte aan had?
Een meisje zegt dat het nadenken en bezig zijn met de markt en jezelf verkopen de vrijheid en creativiteit belemmert om die ‘kunst om de kunst’ vol te houden.
Studenten vinden de lessen ‘ondernemen’ op de academie saai.
Iemand vraagt tot wat of wie kunstenaars zich verhouden, buiten zichzelf?
Camiel van Winkel staat erop dat er in empirisch onderzoek naar deze vragen niet wordt gegeneraliseerd. Maar: Is empirisch onderzoek niet per definitie generaliserend?
Niet dat dit iets slechts hoeft te zijn maar inductie is generalisatie.
En: we spreken toch in generaliserende termen: De politiek, de marktwerking, de kunstenaar, het commerciële denken. En, met momenten zijn de gebruikte termen als ‘hybride’ ook voortvloeisels uit de generaliserende discussie die voortkomt uit de politiek.
Bedoeld of onbedoeld: het debat wordt in de politiek en in de partytent en het museum van De Pont gedomineerd door zakelijke termen. En dat kun je ook de gedachte-parasieten noemen die indirect uit de politiek voortvloeien. Dit wekt blijkbaar weerstand op, een jongen uit de zaal benoemt dit ook: Hij voelt letterlijk de weerstand jegens termen als ‘ondernemerschap’.
Dat roept bij mij dan weer weerstand op.
Ja, ik ben het met die weerstand tegen die termen eens, die gaan niet over die innerlijke schreeuwende noodzaak om kunst te maken, niet over dat heilig vuur. Maar ook: Hoe oud zijn jullie nou helemaal? Allemaal tussen de twintig en dertig?
Ja, de wereld is hard en een opleiding biedt ook niet alles. Maar een opleiding is toch ook niet meer dan een spoedcursus praktijkervaring waar je anders tien jaar leven voor nodig hebt?
Ik wil echt niet de dronken tante op het familiefeest zijn die je even gaat vertellen hoe het leven écht in elkaar steekt, maar scheidt de discussie wat zuiverder, kom op!
Als iemand die zakelijke termen gebruikt, dan is dat nog geen anti-creativiteit uit de hel.
De huidige situatie, vanuit de politiek, vraag nu eenmaal om een iets zakelijkere benadering van het werken als kunstenaar. Dit betekent nog niet dat je niet meer creatief kan zijn.
Vroeger had je hofschrijvers, in dienst van de koning, en ook ‘vrije’ schrijvers, die hoogstwaarschijnlijk vrij arm waren. Waren die hofschrijvers onvrij? Nee, niet persé: Molière schreef toch best kritische toneelstukken over het hof van Lodewijk de 14e.
Je hebt altijd de keuze. De wereld gaat je geen succes en werk op een presenteerblaadje geven. Als je dat wel verwacht dan maak je de uitspraken van de PVV en Halbe Zijlstra tot waarheid.
En, ja, je kunt in brede zin terecht vraagtekens plaatsen bij die verzakelijking van het debat in het algemeen. Die toon zal nooit de volledige betekenis van kunstenaarschap dekken. Maar het zijn twee soorten taalgebruik in dezen.
Je hebt:
-Het ‘de intrinsieke waarde van kunst en kunstenaarschap’-taalgebruik.
En: -Het ‘de economische waarde van kunst en kunstenaarschap’-taalgebruik.
Als een GeenStijler, op facebook oid, de kunstenaar zit af te zeiken om z’n kreet voor het behouden van de cultuurbegroting, dan heeft het geen zin om tegen zo iemand over de intrinsieke waarde van kunst terug te typen of te praten, hoezeer je ook gelijk hebt.
Zo iemand spreekt een andere taal en het beste wat je kan doen is die taal ook beheersen om met goede argumenten te komen. Of je trekt je er niets van aan en blijft gewoon bezig met wat je doet, maar dan mag je eigenlijk ook niet klagen over een tekort aan geld en inzicht omtrent hoe je dingen zakelijk aanpakt.
Het zijn twee werelden en je kan die kijk op de intrinsieke waarde alleen van binnenuit veranderen. Want, hoezeer ik het ook naar vind dat die discussie zo hard wordt gevoerd, is het toch (binnen die taal) een legitiem punt als iemand vraagt waarom hij of zij betaalt voor onze kunst.
Dan kun je niet zeggen: “Omdat het belangrijk is, daarom.” Dit is wel waar, maar wederom een antwoord van een andere orde. Je kunt namelijk best zeggen, en dan verloochen je je kunstenaarschap echt niet meteen: “Omdat kunst geld oplevert voor de staatskas en daarvan de rollator van je oma wordt betaald.’
Als iemand dan nog zit te zeuren dan kun je dit zeggen: “Oh.. je wil niet dat je oma een rollator krijgt of dat de snelwegen gerepareerd worden? Ok, best. Dan houd ik nu op met de staatskas spekken met mijn kunst.”

(Tussengedachte: De republikeinen zijn nog altijd zo succesvol in de VS omdat hun campagnes harder zijn, hun taalgebruik is duidelijker en hun reclamespotjes scherper. In NL is dit, in mindere mate, ook te zien met een partij als de PVV)

Concurrentie heb je overal. Een advocaat die met een zeven is afgestudeerd heeft ook geen munitie in handen als hij boos is dat zijn cum laude afgestudeerde collega wordt aangenomen bij een advocatenkantoor.
Het is hard en er zijn ook erg veel kunstenaars. En de besten zijn niet altijd de meest succesvolle, maar de mensen die ballen hebben om hun werk de buitenwereld in de schoppen.. dat is ook een talent.
Ik snap het ook wel.
Ik ben zelf toneelspeler en schrijver en ik merk ook dat ik niet goed bewapend ben tegen deze economische- en morele crisis. Wij zijn allemaal opgegroeid met het idee dat we alles kunnen worden wat we willen en dat alles mogelijk is. Ineens zitten we in de penarie of dreigt er penarie en dan wat?
Dan in elk geval niet verwend achterover leunen, gewoon maar ‘De Politiek’ beschuldigen en vinden dat ‘men’ de kunst nu eenmaal moet waarderen gewoon omdat..
En dan niet naar je lessen ondernemerschap gaan.
Ik ken het, echt waar. We moeten wennen en het is een moeilijke, contra intuïtieve taal maar bekijk het als een verschuiving: Eerst heette iets een vraagstuk, nu zou Mark Rutte spreken over een ‘uitdaging’. Eerst was er iets als ‘multidisciplinair’, nu heet dat ‘hybride’, eerst was er een veelzijdig kunstenaar en nu een kunstenaar met commercieel inzicht. En ‘breed gedragen’ is nu ‘crowdfunding’, sollicitatie = pitch.
De taal en connotatie verandert en daarover is terecht discussie maar een hip nieuw woord hoeft niet eng te zijn.

Lezing over crowdfunding: Roy Cremers heeft dit fenomeen zo ongeveer verzonnen. Hij is oprichter van VoordeKunst.
Wederom gaat het ook over de tegenprestaties. Meer dan de helft van de donateurs wil helemaal geen tegenprestatie. Goed nieuws dus: Het publiek wil gewoon de kunst, zonder de poespas.
Een jongen uit het publiek noemt crowdfunden een soap, inclusief enorme cliffhanger en goede publiciteit voor jezelf.
Roy, een echte ‘likable guy’, ziet nog veel meer mogelijkheden voor crowdfunding. Maar dan spreekt Roy ineens over dat crowdfunding de verbinding tussen markt en kunst, publiek en kunst, sterker maakt. Aha! Betrapt!
Wederom een insinuatie dat de kunst zijn publiek is kwijtgeraakt. Of, om het op z’n begins van deze eeuws te zeggen: Vervreemd is geraakt van het publiek.
Is dat zo? Men zegt het wel maar is dit ook zo?
Zijn wij ons publiek kwijt?
Is ’t niet ook omgekeerd? Als wij geen publiek zouden hebben, dan zouden we vanzelf ophouden met kunstenaar zijn als beroep.
Het is eigenlijk net als het powerpointscherm wat ons in het museumcafé aanstaart. Daarop staat, als beamer-beginnetje: ‘Empowered by innovation”, met daaronder: NEC. Steek je nek uit! Doen we, beamerscherm!

PAUZE
Koffiekoffiekoffiekoffie.. aaah. Koffie.
Creatieve sector, crowdfunding, masterjaar, traject, focus en toekomstvisie.
Koffiekoffiekoffie, deprimerend toekomstperspectief, nu echt veel te veel koffie. Heel nodig plassen, opluchting, door met ons leven. Plannen maken.
WAT WILLEN WE NOU? … Toch nog een koffie en door naar: Claudia Aarts-van der Harst, van het BKKC.

In het filmpje wat zij laat zien staat: Kunst&Cultuur brengen welzijn en welvaart. Zie! Dat soort uitspraken gaan de negatieve, loze, politieke gedachte-parasieten tegen.
Want je kunt beide claims bewijzen.

En dan krijgen we een powerpointpresentatie waarin er toch wel duidelijk wat belangrijke punten worden aangeduid:
-Hoe kom je aan opdrachtgevers, en hoe onderhandel je met ze.
-Hoe richt je een onderneming op en hoe moet je crowdfunden aanpakken.

Door naar de Pecha Kucha (korte toonmomenten van beeldend kunstenaars aan de hand van 20 plaatjes op het scherm). Want ik voel, net als jullie, de druk om alles te zien en te weten.

‘Alles is mogelijk en niets is zeker’ is wat ik als eerste hoor als ik het auditorium binnenkom. De pecha kucha van Ingrid de Rond.
De paradox als onderwerp, ja dat herken ik wel.
Ik schrijf nu alsof ik het weet maar ik weet het ook niet. Het enige, hele banale en praktische wat ik al wel, soms als ik niet twijfel, denk te weten is dit:
-Laat jezelf zien, vertel mensen over je kunst maar krijg geen vast recept-toontje, dat doorzien mensen feilloos. Ga er niet te snel vanuit dat mensen snappen wat je doet. Wees duidelijk.
-Probeer je argumenten op een rij te hebben en weet waarom je met kunst bezig bent. Dat klinkt heel zwaar maar zo bedoel ik het niet. Het hoeft geen ingewikkeld betoog te zijn maar waarom ben je er mee bezig?
-Weet dat je hard moet werken. Het is een cliché maar in de kunsten wordt hard werken niet beloond.
-Wees open voor verandering en wees kritisch maar niet vooringenomen of arrogant. Uiteindelijk lijkt het vaak van buitenaf alsof de arrogante zakken het ver schoppen. Soms is dit ook zo maar ik geloof er heilig in dat je met goed gedrag ver komt. Men wil toch samenwerken met iemand waarmee het ook prettig is om samen te werken. Maar je hoeft ook weer niet iedereens beste vriend te zijn,
-Zorg dat wat je maakt iets is wat je echt wil maken of iets is wat je zelf zou willen zien/lezen/horen.
-Overwerk je niet.. maarja..hoe?
-Heb schijt aan die negatieve stemmen in je hoofd zoals ik die had aan het begin. So what als jullie allemaal interessante schoenen aanhebben?
Ik heb thuis ook interessante schoenen staan. Nou fucking en?

Mijn tips klinken clichématig en dat zijn ze ook. Maar het is alles wat ik tot nu toe heb geleerd in zakelijk opzicht of richting de buitenwereld en mijzelf.

Bovenal: Heb lak aan wat anderen van je vinden en aan anderen die negatief tegen je doen omdat ze stiekem gefrustreerd zijn of jaloers zelfs op jou, maar blijf wel op de hoogte van het debat over de kunst en de geschiedenis. Dan kun je toch het beste je eigen ideeën toetsen.

Dus: FUCK de anderen. Fuck it!
Maar weet wel waarom je dit roept en weet wie die anderen zijn. Gewoon ‘het systeem’ eng vinden slaat nergens op. Lees je in en maak mooie dingen. Met een goed stel kloten kom je overal!

Oh ja.. Die verdomde post-its waarmee we op deze dag iets moesten..
Ach.. als de ideeën van vandaag maar een goed werkend plakrandje hebben.

Fuck it, en proost!!

Vlezige mensen, wethouders, poppetjes, kastjes.

Voor ‘Schuimt’, columnistenbijeenkomst met o.a. Anton Dautzenberg, Luuk Koelman, JACE vd Ven, en Tom America. In jazzpodium Paradox in Tilburg.

Welkom iedereen! Het thema van vanavond is: ‘Verlichting’.
De stroming in de 17e en 18e eeuw die ons tot het inzicht heeft laten komen dat de Rede het enige instrument is om tot Waarheid te komen. Weg met het bijgeloof, weg met de onderdrukking van de kerk, weg met het feodale systeem, en op naar grondrechten, gelijkheid en vrijheid waarvoor vervolgens gestreden werd in de Franse Revolutie. Dit alles is uiteraard veroorzaakt door historici, filosofen en ontevreden burgers, maar niet enkel door hen. De Pamflettisten hebben zich een slag in de rondte gewerkt om iedereen te laten weten hoe vreselijk de adel was en dat de koning elke dag baadde in kinderbloed. Zij wisten met opruiende teksten, beschuldigingen, beledigingen en verdachtmakingen de burgerij voor zich te winnen. Ongeacht of de boodschap waarheid bevatte of niet.
Herkenbaar?

Wellicht dat we de pamflettisten van nu vanavond op het podium zullen zien.
Dan zullen we hen vast horen over wethouders van vroeger en van nu, en over andere mensen uit de politiek. Over hoe een of andere handeling van een of ander iemand exemplarisch is voor dit ‘dorp’ en haar mentaliteit.
Het kan ook zijn dat iemand in deze zaal hard wordt aangepakt. Maar niet té hard, het moet natuurlijk wel gezellig en grappig blijven. Maar om het grappig te laten zijn, moet het wel gaan over iemand die wij allemaal (persoonlijk) kennen, anders valt er niets te lachen. Als je dan niet lacht ben je de gebeten hond en dus iemand zonder humor.
Harde uitspraken moeten grappig zijn, anders zijn ze alleen maar pijnlijk! Jongens, lach dan, lach dan!

Het lijkt wel een formule. Een pamfletformule!
Eens kijken, wat zou de formule deze avond kunnen bevatten?
Ik gok dat het woord ‘dorp’ toch wel een aantal keer valt.
Wethouder van Cultuur Marjo Frenk is een goede kansmaker op een naamsvermelding denk ik.
Anton Dautzenberg komt vast weer met een sexuele verdachtmaking van iemand, misschien voormalig stadsdichter Cees van Raak die seks heeft gehad met de hond van Daan Taks? (Nachtdichter van Tilburg.) Wellicht betrekt hij er een landelijke bekendheid in, want dat onderscheid moet uiteraard gemaakt worden! Het onderscheid tussen de landelijke bekendheid versus het provincialisme dat noodzakelijk in die zin betrokken is als je een accent legt op lándelijke bekendheid. Hij wel, verdomme. Dan maar een grapje maken: Poep! Ha. Ha. Ha. Enig!
Misschien houdt Anton (zo mag ik ‘m noemen, zegt ook weer wat over mij, ik ken hem. Dat maakt mij iets meer immuun voor zijn harde uitspraken die mij mogelijk te wachten staan. Wauw!) eerder een betoog over iets met bloed en de nachtburgemeester Godelieve Engbersen. Iets over een moord die gepleegd is waarbij wederom de hond van Daan Taks betrokken was.
Luuk Koelman zal hoe dan ook de woede van heel het land op de hals halen met zijn column, dat moet haast wel. Als je de woede van bijna heel het land al op de hals hebt gehaald, met de column over Mariska Orbán-de Haas, dan moet je toch minstens het hele land boos maken wil je nog opvallen. Maar wij in de zaal zijn ‘insiders on the joke’ dus wij kunnen dan met een gerust hart zeggen dat de rest van het land zo kleinburgerlijk is en nooit iets snapt. “Hoe kun je die ironie nou niet inzien? On-be-grijpelijk”, fluistert ene Lidy uit Tilburg dan tegen haar man Hans; “Wij zijn dan nog behoorlijk open-minded, toch Hans?” “Gelukkig maar.”

Wat maakt het toch zo smakelijk, dat pakken op de persoon, de Ad Hominem?
“Polemiek!” Hoor ik Antonnetje en zijn billemaat Erik Hannema roepen in mijn hoofd.
Ja, polemiek jongens, polemiek! Het is een kunst, dat moet gezegd, maar bedrijf het dan ook! Polemiek betekent redetwisten. Daar hebben we het woord ‘rede’ dus weer. Diezelfde rede die ons tot de waarheid zou kunnen brengen. De twee deelnemers zouden het komen tot waarheid hoog in het vaandel hebben staan, waarom zou je anders redetwisten? Om je gelijk te halen misschien? Zou kunnen, maar een gelijk zonder daadwerkelijk gelijk lijkt mij weinig voldoenend. Misschien wordt deze kunst wel veel bedreven op avonden zoals deze uit een gevoel van nostalgie: “Vroeger kon men dit nog, vroeger was er nog iets om voor te strijden, vroeger waren er nog revoluties in het Westen!” Onrust stoken om mensen op te ruien en te motiveren. Maar, waarom zou je dan mensen persoonlijk pakken met fictieve gebeurtenissen of –verdachtmakingen?
Misschien omdat het te lang bespreken van de ware gebeurtenissen, fouten en terechte verdachtmakingen te pijnlijk en ongemakkelijk is. Het moet wel gezellig blijven en dus worden er een paar fictieve gebeurtenissen tussen de regels geplakt zodat de mogelijkheid dat de ware gebeurtenissen ook fictief zijn nog blijft bestaan.
We willen wel de roddels maar niet de confrontatie, niet echt. We willen alleen de smakelijke sappige details mits ze weinig lijken te zeggen over onszelf. Is ook makkelijker natuurlijk! De ander is gek, de ander is grappig.
Is het waar dat men vroeger dan wel eindeloos opzoek was naar de waarheid? Ik denk het niet, althans, niet meer dan nu. Ten tijde van de Franse Revolutie verzon de lage adel er ook op los, wat er maar nodig was om de burgers aan hun kant te krijgen. Dat dit lukte en uiteindelijk meer vrijheid tot stand bracht is een feit. Al waren de donkere tijden van de middeleeuwen iets minder donker dan zij ons tot op de dag van vandaag hebben doen denken. Maar zij deden dit met gevaar voor eigen leven, niet braaf in een zaal in Tilburg. Waarom zouden wij dan een hang hebben naar die revoluties van vroeger en de pamflettaal die daarmee samenhangt? Welke donkere tijden proberen wij te ontvluchten?

Kijk, Jace vd Ven (eerste stadsdichter van Tilburg) komt uit vroeger, dus hij hoeft het vroeger niet naar nu te trekken. Hij weet al hoe het toen was en kan hoogstens oprecht nostalgische gevoelens ervaren. Juist doordat hij uit vroeger komt weet hij ook dat de geschiedenis zich herhaalt. Hij kan zijn nootjes pakken, naar de show kijken en pogen iets universeels te schrijven als dichter. Want dat kan hij. Jace kan, en misschien wel hierdoor, gedichten maken die buiten de tijd staan. Dat is wat een goed gedicht doet.
Misschien dat Tom America ons nog een vieze film toont, met in een soundscape de naam van Burgermeester Noordanus in herhaling. Of iets met een jong Thais meisje, gespeeld door mij, dan kunnen we dat meteen voor het TilT-festival gebruiken, Tom! Theatermaker Peer de Graaf en dichter Martin Beversluis doen dan samen een interpretatieve dans, naakt uiteraard.

Nu, ik hoop dat u precies vaak genoeg genoemd wordt deze avond om belangrijk gevonden te worden, maar net te weinig om uw ziel ontbloot te voelen.
De formule zal het leren: Pastor Harm Schilder + grapje over piemeltjes van jonge jongens = hihi. Tilburg culturele hoofdstad + iets met de VVD + naamsbekendheid want ik ken d’n dieje – lekker gewoon gebleven = haha.

Deze avond gaat ons hopelijk enorm verlichten. Of de rede hier zegeviert kunt u allen zelf bepalen, we houden na afloop een opiniepeiling in het licht van: ‘uw stem is ook belangrijk’, dit past binnen het thema waar de pamflettisten zo voor gepamfletteerd hebben: Gelijkheid. Het bespotten van de poppetjes kan beginnen!
Het lucht vast wel op, dus in die zin wellicht…. Verlichting.

-Esther Porcelijn, 19 jan 2013

Stadsjutten IV

Deze column verscheen in mei 2012 in het Brabants Dagblad

Misschien wil je wel vrienden worden. Ik ben Geert, ben 50 jaar en in de vut. Ik doe tuinieren en konijnen jagen en heb twee kleinkinderen Joost en Joost. Verder hou ik van vakanties maar liever wel in Nederland en als het kan niet verder dan 20 km van mijn geboorteplaats waar ik nog altijd woon: Drunen. Ik ga dan naar naturistencamping “de klepel gevonden” en doe dan cursussen in koemelk pasteurisatie… Lekker met mijn handen bezig.. hou ik van. Ik werkte ooit wel, toen deed ik administratie bij een bedrijf dat zich specialiseert in administratie van het administreren. Wel boeiend maar ik deed het toch niet met échte passie. Ik wilde altijd met mijn handen bezig zijn en hou al mijn hele leven van de natuur. En dan vooral van koeien. Koeien zijn zulke machtige beesten, ze sluipen ‘s nachts mijn tuintje in en eten dan mijn peentjes op. Zij eten ze op en toch plant ik ze elk jaar weer. Op een dag kon ik zo dichtbij komen dat ik een koe (ik heb haar Tuffeltje genoemd) kon aanraken. Tuffeltje leek het prettig te vinden en ik aaide haar over haar prachtige glanzende rug. Ze keek mij aan en haar grote diepe ogen staarden in de diepte van mijn ogen. Ik aaide haar verder en ze begon te kauwen, te kauwen van plezier. Ik ging verder omlaag met mijn handen en raakte haar prachtige, grote uiers aan, ze stonden op spanning en de huid leek als gelooid leer, zo glad. Ik begon haar te melken en ze bleef kauwen. Ik zette mijn lippen aan Tuffeltje’s tepel en dronk haar melk zo puur uit haar. Maar zo teder als het moment was, zo stroef was de smaak van haar melk. Dat moment heeft mij geïnspireerd tot de verdieping in de pasteurisatie kant van de melkbusiness. Machtig mooi. Ik hoop ooit op een dag de melk zo gepasteuriseerd te krijgen dat ik het zo vers en nog warm maar toch gezuiverd uit de tepel van Tuffeltje kan drinken. Maar voorlopig moet ik het nog houden bij de lessen die ik in de zomer kan hebben, ik heb het niet breed en probeer wat bij te klussen via het doorverkopen van konijnenbontjes en oude puzzels. Nou ja, ik zag je dus op Facebook en ik vond je foto heel speciaal. Ook je posts vond ik leuk, deden mij denken aan de dromen die ik ooit had.. Dromen, ja, ik maak mijn dromen nu wel waar. Maar jouw ideeën vond ik zuiver en deden mij denken aan de melk van mijn koe. Misschien wil je vrienden worden, ik zou je graag laten zien hoe je goeie melk maakt. Dan leer ik je hoe je goed moet melken en dan laat ik je, misschien, ook wel Tuffeltje melken. Ze is heel speciaal en zal je een leuke jongen vinden. Nou. Dit was dan mijn gedoe, ik doe mijn best. Groet. Geert.

Stadsjutten III

Deze column verscheen in mei 2012 in het Brabants Dagblad

Meisje van 14,
afgelopen week heb je waarschijnlijk de meest gênante gesprekken uit je leven moeten voeren. Iedereen wil weten of jij het bent, en de mensen die niets durven te vragen zijn misschien nog het ergst. Die kijken je lang aan of doen iets té normaal tegen je, om hun ongemak te verhullen.
Je ouders krijgen vragen die ze zo rustig mogelijk beantwoorden want ze willen het niet moeilijker maken dan het al is.
Je hoopte natuurlijk zó dat je geheim kon houden dat jij het was. Maar in je kring van vrienden en familie weet iedereen het. En dan zijn er nog de mensen die denken dat het niet tegen je zin was.
Maandag ga je weer naar school. “Iedereen heel gewoon doen tegen haar hoor!” zegt het zorgteam dat voor je is opgetrommeld. Net zoals met het dove jongetje uit de klas; er moet dan ineens buitengewoon gewoon over gesproken worden, want dat vindt men goed.
Gaat de aardrijkskunde leraar extreem gewoon tegen je doen.
Iedereen die nog niet wist dat het om jou ging weet het nu, juist omdat jij er niet was. Zo groot is de school niet. En je bent uitgebreid besproken, niet alleen op school maar ook in de media. Nu is heel Tilburg boos omdat het uitgezonden is bij PowNews. De Burgemeester was zelfs woedend, misschien terecht, maar het stond al op internet.
Ik hoop dat niemand die je kent anders naar je zal kijken. Mensen vinden altijd iets van elkaar. Mensen willen altijd boos zijn. Nu gaat het niet eens om jou, nee dan gaat het ineens om “het principe.” Het klinkt cliché, maar echte vrienden kijken niet anders naar je en hoeven hun verhalen over “als het míjn dochter was geweest” niet kwijt.
En laat de mensen die menen dat je niet zo’n kort rokje aan had moeten trekken, die durven te insinueren dat je het met mooie benen en korte rokjes uitlokt, volledig in de stront zakken. Die hebben zelf nog veel grotere problemen namelijk.

Stadsjutten II

Deze column verscheen in mei 2012 in het Brabants Dagblad

Camera op kraan, filmt logo: “Tilburg University.” Camera zoomt langzaam uit.
Er zijn ruziënde professoren en docenten. Door de druk kunnen ze amper nog onderzoek doen omwille van het onderzoek want alles moet een onmiddellijk praktisch nut hebben.
Camera filmt scène op een kantorengang van professoren. Twee heren met stropdas en baard staan tegen elkaar te roepen over scoren in A-tijdschriften. Ze mompelen iets over valorisatie.
In de colleges horen de studenten af en toe iets over wat er schort aan een collega middels subtiele opmerkingen over argumenten die in de categorie “onhoudbaar” vallen en toevalligerwijs samenvallen met een of andere persoon die toevalligerwijs een collega is.
Shot vanachter schouder van student, voor het bord staat een man druk met zijn armen te bewegen en wijst naar een logische contradictie op het bord.
De bibliotheek zit vol met boeken en mensen die over de boeken hangen in de hoop hun langstudeerdersboete van zich af te leren.
Montage van vrolijk gekleurde boeken, ingewikkelde tabellen, namen van filosofen en citaten. In de kroeg spreken de studenten met elkaar. Ze discussiëren maar geen enkel argument overtuigt hen.
Buiten. Softfocus. Studenten op het gras in de zon. Lachend in kleermakerszit. Overgang naar bewolkte sfeer. Studenten staan voor een regenachtig betonnen gebouw met schuifdeuren die open en dicht blijven gaan.
Naar boven in de lift. Bij elke verdieping komt een andere docent binnen en geeft zijn elevatorpitch.
Discotheek. Een professor is de dj en spreekt het publiek toe: “Kennen jullie die van de olifant in de kamer? Die olifant zit in je bovenkamer! Everybody Happy?”
Het publiek kijkt mat.
Relativisme werkt verlammend.
Eindshot. Titels van Professoren komen langs. Kladblaadjes en pennenstrepen volgen. Er is op het Diederik Stapel-argument geanticipeerd en het wordt geïncasseerd.

Stadsjutten I

Deze column verscheen in mei 2012 in het Brabants Dagblad

Je mag een gegeven paard niet in de bek kijken. Apparentlie det is un rule.
In de trein op 12 april, de avond van de 3FM Awards in Amsterdam. Dat weet ik omdat de trein vol zit met vertraagde tieners die al uren tussen Amsterdam en Rotterdam aan het reizen waren.

Ik zat ook in die trein vanaf Rotterdam naar Breda, en dan hopelijk naar Tilburg.

Ik pak altijd per ongeluk een te late trein waarvan ik niet zeker weet of die nog echt terecht komt waar ik terecht wil komen. Dus, deze trein gaat maar tot Dordrecht. Echt flut, ken daar niemand.
Dus ik hoor een jongen en een meisje spreken over dat ze naar Tilburg moeten.
Ik zet onmiddellijk mijn aller-leukste hoofd aan en zeg dat ik super-toevalligerwijs ook naar Tilburg moet en of we samen een taxi kunnen nemen.
Zij kijken nogal beduusd maar vinden het prima. Ik klets wat verder en vraag of “Go Back to the Zoo” supervet was en zij Giel Beelen ook zo megacool vinden.
Verder meen ik alles wel oprecht, want ze zijn aardig en ik wil heel erg graag nog in Tilburg komen. Ze gaan niet met de taxi maar de vader van de jongen komt ze in Dordrecht ophalen. Mag ik mee? Ja ik mag mee. Prima.
Ze moeten naar de Reeshof maar ze kunnen mij wel afzetten bij Tilburg-West, o nee, sorry: -Universiteit. Fijn.
In Dordrecht op het station loop ik achter ze aan. Het meisje is heel aardig, de jongen is wat stil maar ik klets wel om het gezellig te houden.
We komen aan bij de auto van de vader en de moeder staat ons op te wachten. Ze kijkt de jongen aan en zegt: “Een vreemde.…Neem je een vreemde mee?” De jongen legt uit dat er geen treinen meer rijden en dat ik ook naar Tilburg moet. De moeder zegt: “Oh, en dan neem je gewoon een vreemde mee?” Ondertussen heeft ze mij nog niet één keer echt aangekeken en ik zet mijn allerliefste hoofd aan, als van een kitten in een nestje: “neem mij ah toe neem mij!”
De moeder moet het nog éven met de vader bespreken en ik hoor de man wat mompelen over “liever niet” en “vooruit dan maar.”
Ik controleer mijzelf en ik ben toch echt een meisje!? Ik ben geen enorme man van 2 meter met bloed op z’n wife-beater? In ieder geval kan ik mee en ik stap in. Mooi.
Ik zit in het midden van de achterbank en probeer zo goed mogelijk het gesprek op gang te houden. De ouders zeggen geen woord tegen mij. Ik wordt steeds meer verlegen, en raak in een toestand waarin ik niets meer durf te zeggen tegen de volwassenen voorin. Alsof er familieruzie is geweest en we nog helemaal naar Frankrijk moeten op vakantie én het gezellig moeten hebben. De ouders stellen vragen aan de kinderen en de moeder vond het blijkbaar al een idioot idee om he-le-maal van Tilburg naar Amsterdam te gaan met de trein. De jongen zegt dat hij een rijbewijs en auto wil want dat is beter, ik zeg lollig dat je dan in de file staat.
Het grapje wordt niet gewaardeerd. Shit.
Ik kan alleen nog maar zachtjes praten met de jongen en het meisje, ze gaan volgend jaar naar de UvT om te studeren en ik probeer het meisje te overtuigen dat Filosofie megacool is maar dat lukt niet.
Ondertussen zijn we al bijna bij Tilburg en ik zie de afslag van de wijk De Reeshof op ons afkomen, ik hoop nog dat de jongen iets zal zeggen over dat ik naar West moet. Hij zegt niets. Hij is het blijkbaar helemaal zat om te reizen op dit moment en wil gewoon naar huis, ongeacht. Kut.
Ik begin er zelf maar over, heel subtiel: “Oooh, u reist naar de Reeshof.. goh..ja..”
Ik probeer de jongen nog aan te kijken en ik hoop dat hij nog wat zegt. Hij weet immers dat ik naar de stad moet.
De moeder vraagt eindelijk iets aan mij: “Waar moet jij heen dan?” En ik zeg: “Ik woon in het centrum, West kan ook, dan red ik het wel.”
De ouders zeggen niets.
Het meisje wordt afgezet ergens diep in de wijk en zij rijden weer terug. Ik krijg niet echt de indruk dat ze naar West aan het rijden zijn.
Ik zie station Reeshof en ik vraag, in de hoop ze op een idee te brengen: “Dus, zou er nog een trein rijden?” De moeder en vader overleggen wat en komen tot de wonderbaarlijke conclusie dat er waarschijnlijk geen trein meer rijdt om half twee ’s nachts vanaf station Reeshof.
Wel denken ze dat er misschien nog een bus rijdt. ..Jezus.
Ik durf ondertussen echt niets meer te zeggen en zit in de kramp. Ik kan alleen nog maar lief kijken en proberen mijn meedenkende gezicht aan te zetten.
“Ja,” zegt de moeder, “Er rijdt waarschijnlijk nog wel een bus vanaf het station.”
“Oja? Goh, nou dan kan ik wel eens kijken dus, ja, hm,” zeg ik. ..Godverdomme.
We zijn bij het station, we stoppen en ik stap uit. “Ja, er rijdt misschien nog wel een bus,” zegt de moeder. Ik kan gewoonweg niets zeggen, krijg het er niet uit. In mijn hoofd heb ik echt al twintig keer geroepen dat ze mij toch echt bij West moeten afzetten omdat er natuurlijk geen ene moer meer rijdt vanaf een wijkstationnetje om ondertussen kwart voor twee. Maar ik zeg het niet. Ik zeg niets. Ik bedank ze vriendelijk en de deur wordt dichtgeslagen. “En bedankt hè!” Roep ik ze na. Maar ze zijn al weg.
Daar sta ik dan. Een totaal verlaten station met niets. Alleen een snelweg, een grasveld, parkeerplaatsen en in de verte wat huizen.
Het idee om naar de stad te lopen verschrompelt snel aangezien een heel donker wandelbos de wijk West en de Reeshof scheidt.
Ik bel een taxi. Er komt een taxi. De Marokkaanse taxichauffeur vertel ik het hele verhaal uit woede. Hij antwoordt dat dit echte Hollandse gierigheid is, dat hij vroeger ook niets kreeg bij zijn Hollandse vriendjes thuis rond etenstijd, dan was er ineens niet genoeg vlees. Ook vertelt hij over de discussies op zijn achterbank bij het afrekenen: “nee, maar ík heb al de entree betaald, en ik heb alleen maar cola gehad in het restaurant, dus het is 6,45 voor jouw en 3,20 voor mij.”
Ik kreeg korting voor de taxirit. Heerlijk.

Mag je een gegeven paard echt niet in de bek kijken? Ook niet als het een hele kleine magere Shetlandpony is? En zijn hier geen regels meer voor? Emancipatie is leuk en alles maar is er echt geen regel meer voor een vrouw alleen in de nacht op een station laten?
Apparentlie det is not un rule.

Niet nog een column over Stapel

Deze column verscheen 5-12-12 op de website universonline.nl

Diederik Stapel was weer overal in het nieuws. Als hij dan eindelijk na twee dagen uit het nieuws en uit de carrousel van Pauw en Witteman is gezwiept, dan moddert zijn naam nog even door in alle columns en blogs van opiniebladen en online magazines. Best wel irritant eigenlijk.

Bert Brussen (De Jaap) schreef op dinsdag 3 december een zeer kritische en scherpe analyse van het boek van Stapel:

Hierin duidt Brussen het boek van Stapel als een symptoom van zijn nog altijd bestaande hang naar aandacht en erkenning. Voor Brussen is de kritiek en de ‘karaktermoord’ op Stapel ook een aanduiding van de angst van mensen om medeplichtig te zijn aan ditzelfde klimaat waar Stapel in floreerde. Als je iemand aanwijst als de zondebok en zijn handelen beschrijft als onmenselijk, dan zijn alle andere mensen in elk geval niet zoals hij en hoef je ook niet bang te zijn dat je zelf zo bent of zou kunnen zijn; Stapel is onmenselijk, jij niet, dus jij bent niet zoals Stapel.

De sociale psychologie als wetenschap moet er ook aan geloven in de analyse van Brussen en van de commissie Levelt: ‘Stapel kon zo handelen door gebrek aan kritiek.’

De hele wetenschap der Sociale Psychologie heeft een enorme opdonder gekregen, eventueel terecht. Maar gezien Stapel als monster is afgeschilderd, valt de rest van de sociaal psychologen onmiddellijk buiten die categorie.

Onder filosofen worden wetenschappen als sociale psychologie eigenlijk vrij snel als pseudo-wetenschap bestempeld. Een bepaalde tak van de filosofie zal tot in het einde der tijden puur empirisch onderzoek een onvolledige bron van kennis vinden, andere takken van de filosofie zullen niet zozeer tegen dit soort onderzoek zijn, maar zullen te hapklare conclusies wel altijd wantrouwen. Het is makkelijk om vanaf de zijlijn te zeggen, maar had één filosoof bij de onderzoeken van Stapel gezet, en die had de conclusies onmiddellijk bevraagd: Hoe weet je dit zeker? Zijn dit soort data niet altijd heel contingent? Weet je zeker dat je deze conclusie niet hebt getrokken omdat je dit eigenlijk in je vraagstelling al had verwacht? Kun je echt zo hard stellen dat iemand die a doet, altijd in de categorie b valt?

Grappig is dat de Stapel-affaire niet zo heel uitgebreid is besproken op het departement Filosofie, ook omdat niemand hem persoonlijk kende, en wij geen van allen college van hem hadden maar misschien ook omdat het filosofen niet verbaast.

Toen de affaire een affaire begon te worden besefte ik pas echt hoeveel impact dit had op de universiteit toen ik hierover vragen kreeg van vrienden uit andere steden. Van een afstand lijkt zoiets wat te zeggen over de gehele universiteit, terwijl een vriend van de Uvt, die psychologie studeert, ook nooit college van Stapel had gevolgd en eigenlijk niet precies wist wie het was.

Imagoschade. Er is alleen al sprake van imagoschade omdat het zovaak genoemd wordt. Er is sprake van imagoschade dus is er sprake van imagoschade.

Een paar dagen geleden besprak ik de nieuwtjes over Stapel met een vriend van mij uit Rotterdam. Ik was heftig aan het vertellen over onderzoekers die hun graad dreigen te verliezen, over onderzoekers die ineens tien onderzoeken van hun publicatielijst moeten schrappen en zo ongeveer opnieuw moeten beginnen. Ik stelde mij voor dat dit hun levenswerk is en dat dit nu een lege huls blijkt te zijn.

De vriend antwoordde met: “Maar dat is toch niet erg? Niet echt erg.”

Dus ik vertelde nog heftiger over imagoschade en onderzoeksgeld, over geloofwaardigheid en over de wetenschap als autoriteit.

De vriend vond het nog altijd niet echt iets wat ‘erg’ genoemd kan worden, hij zei dat als iets te maken heeft met geld dit nog niet meteen erg is.

Ik begreep wel wat hij bedoelde, het is niet erg zoals dode kinderen erg zijn, niet erg zoals voedselbanken zonder voedsel. Dat soort dingen zijn veel erger. Als ik dat niet al zou vinden dan zou ik het wel moeten vinden, anders ben ik een monster en dus een soort Stapel.

Het spreekt voor zich dat dit een ander soort erg is. Maar het is erg. Dat moet wel even benoemd worden natuurlijk.

Imagoschade om de imagoschade.

Erg om de erg.

Ik erken dit automatisch door deze tekst te schrijven, als ik het niet erg vond, of erg was gaan vinden of er niets van zou vinden dan zou ik dit niet schrijven.

Misschien toch goed dat de vriend van mij die vraag stelde: is het echt erg?

Het is niet alleen goed door het antwoord dat je zou kunnen geven, maar goed omwille van de vraag zelf. Anders zou ik toch zomaar iets vinden omdat het gevonden dient te worden. Dat soort vragen hadden aan Stapel gesteld moeten worden.

En nu zal ik niets meer schrijven over deze affaire, heus beloofd!

Ik zal er niets meer over schrijven omdat ik er verder niets aan toe te voegen heb. Ik hoop dat er beter onderzoek gedaan wordt en dat mensen die er nog wel over schrijven dit niet doen om zichzelf buiten Stapel te plaatsen als een zichzelf schoonwassende vingerwijzer. Klaar nu. Echt. Ja echt.

Stapel.

NUT(S)

Deze column verscheen 6-11-12 op de website universonline.nl

Ja. Ik geef het toe: Ik studeer filosofie. Guilty!! (zoals Peter Griffin het zegt in Family Guy). Ik ben die persoon die het advies van de ouders in de wind geslagen heeft en toch naar de toneelschool is gegaan en daarna naar het Departement Wijsbegeerte aan de UvT.

Ik weet het, je hoeft geen open deuren in te trappen: Ik ben geen advocaat of econoom aan het worden, Ergo: ik word niet erg rijk. Voor sommigen nog Ergoër: Ik volg geen nuttige studie. Ik ben voor velen dé vleeswording van de Linkse Kerk en beoefen dé linkse hobby der linkse hobby’s. Daarbij denken veel mensen dat filosofie vaag en esoterisch is; een studie waar je gewoon wat kletst over van alles en daar een 10 voor krijgt. Dus ik ben ook nog eens een vage linkse hobby-hippie.
Errug!! Pauper plebs. Nog erger misschien wel: Een toekomstige uitkeringstrekker en hoe dan ook een subsidieslurper. Nog Erruger!! Wow!

Op het departement woedt, tussen de studenten, onder leiding van enkelen die de moed echt stevig in de schoenen is gezakt, al een tijd een discussie, of een monoloog.. nee toch een discussie.
Daarin gaat het vaak over het nut van onze studie en van het vak van een filosoof. Tijdens lange gesprekken maakt iemand nét iets te vaak de grap: “Ach, we vinden een baan ondanks de filosofie, niet dankzíj.”
Dan, als iemand het zat wordt gaat het argumentenkanon aan. Nu zou ik de argumenten kunnen opnoemen, bijvoorbeeld dat o.a. Nederlandse politici, Amerikaanse presidenten, beroemde kunstenaars, journalisten en CEO’s van grote bedrijven filosofie hebben gestudeerd, maar dat is anekdotische argumentatie, en we weten allemaal dat een aantal individuele voorbeelden nog geen goed argument maakt.

Ik zou ook kunnen beginnen over hoe de democratie volledig is uitgedacht door filosofen en hoe de vrijheid die wij nu genieten alleen maar kan bestaan doordat een paar goede denkers de grenzen van die vrijheid hebben uitgedacht. Maar dan zou ik mijn professoren klakkeloos napraten, en in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst, en meer van dat soort powerpoint-uitspraken. Of hoe exacte wetenschap ook niet exact is, voor als iemand beweert dat wat wij doen niet empirisch toetsbaar is en dus maar geklets. Maar dat is ook niks, iemand anders met hetzelfde probleem opzadelen als jijzelf. Misschien zou ik iets kunnen zeggen over communicatie- of vrijetijdswetenschappen, dat die studies pas écht nutteloos zijn, maar daar heeft niemand wat aan, laat staan dat het een argument is voor wat dan ook.

Beter kan ik iets proberen te zeggen, of nee, te duiden, wat betreft de termen ‘links’ en ‘nut’, alleen denk ik dat we daar toch een lang gesprek voor nodig hebben waarin we het vast ook zouden hebben over hoe wat ‘men’ vindt helemaal niet altijd waar hoeft te zijn, en over de invloed van de media en andere joop.nl onderwerpen.
Ik zou mijzelf fiks kunnen verdedigen uit pissigheid waaruit blijkt dat ik mij juist veel aantrek van wat men vindt, meer nog dan die abstracte groep ‘velen’ waar ik het over heb. Ik zou dan als ik echt boos word iets kunnen roepen als: “Alsof jij met je heftige hang naar rijkdom en dikke status echt gelukkig wordt of ook maar ergens verstand van kan hebben.”

Als ik dat zou doen dan zou ik dingen zeggen die ik helemaal niet vind en mij alleen maar meer stereotiep maken dan ik ben. Bovenal zou het de domste drogreden zijn. Ad hominem. Dat is pas echt errug. Ai.