Categorie archief: essays

Verplaatsen en serieus genomen worden

Productiehuis prod.nu is een nieuw programma begonnen: Speeches. In dit programma houden zes mensen een speech van zes minuten. Elke maand is er een ander thema en de kern van de avonden is: ‘Over het genot van het spreken in eenrichtingsverkeer.’ 12 september vond de eerste editie plaats met als thema: de reis. Vanaf nu zal het programma iedere eerste vrijdag van de maand plaatsvinden in Theater de Nieuwe Vorst te Tilburg. Bedoeling is dat het programma ook gaat reizen door het land, en ik ben een van hun vaste schrijvers.
Dit is de toespraak die ik die avond heb gehouden:

Op mijn vierde emigreerde ik met mijn ouders naar Australië. We zouden regelmatig terugkomen in Nederland en we zouden uiteindelijk op mijn dertiende weer permanent in Nederland gaan wonen, dus in feite was het eerder een hele luxe verhuizing naar een tweede huis.
Van het eerste jaar kleuterklas, op een Montessorischool vol VPRO-kinderen, in Amsterdam ging ik naar het Britse klassikaal onderwijs in Adelaide inclusief schooluniform en juffen die stokken vasthielden en de letters op het bord mijn hoofd in timmerden. Ik sprak nog geen Engels maar ik vond het er geweldig, en binnen een paar maanden tijd was mijn Engels net zo goed als mijn Nederlands.
Australië is een enorme smeltkroes, en ook op de school zaten heel veel kinderen met verschillende nationaliteiten. Er waren Italianen, Grieken, Chinezen, Indonesiërs, Turken, er was een meisje uit Fiji, er zaten Aboriginalkinderen op de school en ook kinderen die waren gevlucht uit Iran en andere Midden-Oosterse landen. Veel kinderen kwamen uit moeilijke omstandigheden, ik niet, maar ik was dan ook geen vluchteling. Ik was het Nederlandse meisje en ik kreeg vaak de vraag: Do you live in a windmill? Of: Why aren’t you wearing cloggs?

Als we zo af en toe terug waren in Nederland dan ging ik hier weer naar school.
Ik had in beide landen vriendjes en vriendinnetjes maar in Nederland werd ik heel erg gepest. In eerste instantie werd ik gepest omdat ik zo klein was (ben), maar het kwam voornamelijk door mijn opdonderigheid; ik hapte altijd.
Ik werd elke dag wel uitgescholden voor lelijke trol, klein kutkind of stomme dwerg. Toen ik later bij mijn grootste pester in de middelbare schoolklas belandde werd het alleen maar erger. Hij had gehoord dat ik een vriendje had en vroeg meteen: ‘is hij blind ofzo?’
Kijk, ik deed er ook weinig aan om het pesten te stoppen. Aan docenten had ik bijna niets, die zagen het niet of pakten het onhandig aan, door bijvoorbeeld tegen de pester te zeggen dat ik huilend aan was komen zetten.. natuurlijk het laatste wat je moet doen. Ik had altijd een weerwoord klaar, kwam voor mijzelf op en vertikte het om niet serieus genomen te worden.
Hierdoor bezit ik denk ik nog altijd de onverwoestbare drang om serieus genomen te worden en op te komen voor diegene die niet serieus genomen wordt. Ook heb ik een, wellicht overgevoelige, radar voor situaties waarin mensen onterecht in een slachtofferrol worden geplaatst; met goede bedoelingen een ander mens totaal niet serieus nemen.

Vanochtend zag ik een foto op Facebook verschijnen van een spandoek met daarop geschreven: ‘Treating refugees as the problem IS the problem.’
Daarna las ik met een schuin oog een tirade van een man die zich verwonderde over de hoeveelheid smartphones en selfiesticks van de bootvluchtelingen. Daarna las ik de handleiding van gastgezinvoorvluchteling.nl.
Een greep uit die handleiding:
1. U wordt gekoppeld aan een vluchteling uit de Americahal, uw vriend is nog maar kort in Nederland.
2. U kunt de wifi-code geven aan uw vriend, zodat hij ook toegang heeft tot het internet.
3. Uit respect voor mensen met een moslimachtergrond en voor de duidelijkheid is het beste om iets met kip en (Basmati) rijst te maken. Grote kans dat uw vriend dit lekker vindt.

Toen begonnen mijn billen een beetje te jeuken van ongemak.

Vluchtelingen zijn geen zielige hulpeloze peuters die de oversteek vanuit 1789 naar 2015 hebben gemaakt. Natuurlijk hebben ze smartphones! Zijn ze daardoor niet vluchtelingerig genoeg voor de social media?
Het zijn op dit moment over het algemeen redelijk opgeleide jonge volwassen mannen die ook opgegroeid zijn met internet, heel precies weten waar ze naartoe willen, hoopvol zijn gemaakt met iets te mooie verhalen over Noord-Europa en, afhankelijk van waar ze vandaan komen, veilig willen zijn of een beter leven wensen.
Dit zijn geen zielige naïeve poppetjes. Dit zijn artsen, geneeskundestudenten, advocaten, vaders, loodgieters, ingenieurs en schrijvers die het risico dat ze doodgaan tijdens de overtocht op de koop toe nemen. Ze zijn enorm zelfstandig en moedig!
Zitten er mensen tussen die helemaal geen onveilig land ontvluchten maar gewoonweg een beter leven willen en geld willen sturen naar hun achtergebleven familie? Vast wel. Is dat zo erg om te zeggen? Waarom? Het zijn mensen. Doodgewone mensen zoals jij en ik, aardige en onaardige mensen. Hetgeen waar de vluchtelingen om vluchten is hun vrijheid; hun menselijkheid. Behandel hen dan ook menselijk. Menselijk betekent niet als jonge hongerige puppy’s, maar als volwaardige, autonome en weldenkende mensen. Als je hen die vrijheid ontneemt dan neem je hen niet serieus en dat is, mijns inziens, het ergste wat je kan doen.

In Australië was iedereen vreemd maar iedereen was Australiër, ook ik. Eerst dacht ik dat het aan mijn kansrijke achtergrond lag, dat ik daarom zo vroeg al goed Engels sprak, of dat het aan mijn vrije opvoeding lag waardoor ik als Joods meisje toch gewoon meedeed aan de kerstviering in het traditionele Australië. Maar nee, het lag niet aan mij. De echte immigrantenkinderen en de kinderen van vluchtelingen deden precies hetzelfde, ongeacht afkomst.
Ze spraken allemaal goed Engels, ook de ouders, en geen enkel moslimvriendinnetje droeg een hoofddoek.
Iedereen werd daar toen serieus genomen, maar er werd ook iets verwacht: aanpassingsvermogen en autonomie. De situatie in Australië is nu wel wat veranderd, hun immigratieregeling is streng geworden. Toch is de samenleving daar een goed voorbeeld. Als het daar kan, kan het hier dan ook?
Wellicht als we mensen blijven zien als mensen, dat betekent dus zonder onnodige veroordeling maar ook zonder luizenmoederig medelijden.

Zoek Licht of Zoeklicht

Op 12 februari 2015 vond de opening van de tentoonstelling Zoeklicht plaats, een tentoonstelling samengesteld uit werk van de Fontys Collectie, waarvan het depot in Den Bosch zit. De tentoonstelling is geheel samengesteld door vijf laatstejaarsstudenten van de Fontys Academie voor Beeldende Vorming te Tilburg. Ik was gevraagd om hun tentoonstelling te openen met een voordracht. De tentoonstelling zal door het land reizen en nog enkele maanden te zien zijn. Dit is het essay dat ik voor die dag heb geschreven.

Dus ik open de tentoonstelling: bij deze. Zo, ik heb het abstracte lint doorgeknipt, een zware taak voor een lichte tentoonstelling. Het lint in de tentoonstelling is gespannen tussen een stip van Har Sanders, in ‘Een vrolijke bui’ en een stip in ‘Triangles’ van Paul Panhuysen, just connect the dots.. Maar wat zit er tussen de stippen, wat is de connectie tussen de ene en de andere stip? Het thema van de tentoonstelling is Zoeklicht, of Zoek Licht. Dus vandaag zit het licht tussen de stippen: wij schijnen licht op iets of het licht schijnt ons toe. De studenten die deze tentoonstelling hebben samengesteld hebben precies dit gedaan, zij hebben licht als thema, als bron, gekozen en laten ons dit licht zien door middel van de werken die ons toeschijnen, en ook het licht dat in die werken zit schijnt ons toe. Terwijl ik langs elk werk loop vraag ik mij af of ik een tentoonstelling als een geheel moet zien of als losse onderdelen met samenhang. Niets in een tentoonstelling is toevallig, er is geen objectieve manier van een werk tonen, de werken in de buurt van een ander werk beïnvloeden hoe ik kijk en een witte muur of verder lege ruimte is een keuze. Een van de eerste dingen die mij opviel was hoe tachtiger jaren de tentoonstelling is. Eerst had ik daar een verhaal bij bedacht over dat mijn leeftijdsgroep uitsluitend uit hipsters bestaat die hunkeren naar de tijd vlak voor en tijdens hun geboorte, inclusief enorme 80s feestjes met synthesizermuziek. Niets bleek minder waar: het depot is nu eenmaal ergens daarna grotendeels opgehouden met aankopen, kan gebeuren. Ik vond de verklaring ook wel jammer want het deed mij denken aan de hoekige inrichtingen van de huizen van mijn ooms en tantes vroeger. Echter, de tentoonstelling is hierdoor wel een soort strook van zo’n zandlagenpaal die ze in de grond duwen en waar je dan onderaan de schelpjes vindt uit de steentijd. De strook is een zorgvuldig samengestelde, uit een tijd waarin bijna alles kon, men nog snel een economische crisis doorkwam, iedereen een pak droeg en de garnalencocktail ontstond die velen nog altijd tijdens kerst moeten doorstaan. Het was, achteraf gezien, een lichte tijd vergeleken bij nu, zeker voor kunstenaars.
Wij zijn de eerste generatie die een moeizamere carrière zal krijgen dan onze ouders, dus wat moeten wij daarmee? Ik heb, tijdens mijn opleiding, nog net meegemaakt dat fondsen wilden dat alles vernieuwend was of multicultureel. De fondsen hebben nu minder geld dus daarmee is dat gezeur ook opgelost, maar wat moeten we met deze tijd waarin we beticht worden van te weinig originaliteit, te weinig strijdlust en teveel relativisme? Ik denk dat ook dit relativeren de beste oplossing is, en dan vooral de manier waarop er door generaties boven ons naar de geschiedenis wordt gekeken.
Vaak praten mensen graag over kunstenaars of denkers die hun ‘tijd ver voorbij waren’, en ‘uniek’, en meestal klopt dit helemaal niet. Of mensen nu spreken over Leonardo DaVinci, Immanuel Kant, Michelangelo of Mondriaan, je kunt altijd goed traceren hoe de tijd waarin zij leefden en hun, soms vrij onbekende, voorgangers de omstandigheden creëerden waarin zij konden floreren. De Verlichting was er ook niet ineens van de een op de andere dag, de Franse Revolutie was minder verlicht dan in de films en veel ideeën over hoe geweldig en bevrijdend de Verlichting was bestaat bij de gratie van een, voor die tijd, vrij precieze framing van de Middeleeuwen, die nadien niet voor niets en gedeeltelijk onterecht de ‘Dark Ages’ genoemd worden. Om iets te noemen: vaak wordt er gedaan alsof theologische kritiek onmogelijk was en iedereen dacht dat de wereld plat was. Men wist toen al een tijd dat de wereld niet plat was en filosoof/theoloog Thomas van Aquino heeft redelijk controversiële teksten geschreven en hij werd betaald en gewaardeerd door de Kerk. Veel oudere zuurpruimen hebben nog een idee dat de mensheid werkelijk ergens op afstevent, alsof er een eindpunt is en de mens een symbool daarvan, veroorzaakt door een interessante combinatie van kerkelijke opvoeding en net niet begrepen Darwinisme, wat op een oorspronkelijke willekeurigheid gestoeld is, niet op de mens als neusje van de zalm der evolutie.

Vroeger was helemaal niet persé beter en het is onmogelijk dat iedereen daadwerkelijk een opa heeft die in het verzet heeft gezeten.
Zo worden wel meer zaken uit de geschiedenis verheerlijkt vooral om deze tijd de grond in te boren. Door een vertroebeld beeld van wat vernieuwing inhoudt wordt het predicaat vernieuwend in deze tijd lijmloos gesproken, en zal het nergens op blijven plakken. Dus hoe zal, ondanks dat alles, de zandlaag-dwarsdoorsnede van onze tijd eruit zien als er over dertig jaar weer een tentoonstelling wordt gemaakt met werk van uitsluitend deze jaren? Zou het werkelijk een collage aan Vines zijn (hele korte filmpjes, is een app) waarin meisjes, in bloemenjurken van hun moeder, een time-laps hebben gemaakt van hoe hun ijsje lekt? Of een Snapchatverzameling van harige mannen met hun lul uit hun broek? Egodocumenten waarin het verzetsverleden van opa wordt opgerakeld? Coming-of-age performances waarin een jongen in David Bowie-kleding zijn eigen onvindbaarheid danst in een decor gemaakt van Ritalinpillen? Nee, dat zou te cynisch zijn en iets waar de ouwe zuurpruimen bang voor zijn, ware het niet dat ze niet weten wat Vine is en ook niet dat dit alweer passé is ongeveer.
Nee. Manus, een van de projectleiders van de tentoonstelling, gaf het antwoord: Zombie Formalism. Volgens Manus zou dat deze tijd samenvatten. Ik had wederom een heel verhaal bedacht bij de term, iets met hernieuwde angst voor de dood die ik ook in zombieseries denk te bespeuren, maar hier had het niets mee te maken. Er is maar een klein aantal artikelen te vinden over dit onderwerp en de definitie verschilt nogal, vooral afhankelijk van de smaak van de schrijvers, maar het is zoiets als dit: Een meta-kritische reductionistische schilderstroming die teruggrijpt op het minimalisme en action painting, ermee wil zeggen dat de uitspraak ‘schilderen is dood’-dood is, vandaar de term Zombie, er tegelijk commentaar op geeft en onmiddellijk beticht wordt van precies te zijn waar ze op afgeven (de glitz van een Jef Koons) en ook teveel inschikken in de telefoonfoto-cultuur en de happige geldwolven die opzoek zijn naar iets wat nét hip genoeg is maar ook decoratief op een zelfbewuste manier. Kortom.. er wordt veel van gevonden. Het interessante is dat de critici denken dat je creativiteit oproept door te zeggen dat iets niet creatief is, en het te vergelijken met voorgaande werken. Je krijgt niet iets nieuws door te roepen dat dit hier niet nieuw is. Zowel de ‘moderne’ critici als de ouwe zuurpruimen vergelijken denk ik teveel met vroeger. Hoewel je natuurlijk als kunstenaar goede kennis moet bezitten van de traditie kun je niets anders doen dan er doorheen gaan, ook als dat een teruggrijpen op het voorgaande betekent, alleen zo kom je door je ideeën heen, je kunt er niet op- of afstappen zomaar op een moment.
Enkele dagen geleden heeft Freek de Jonge onze generatie even afgezeken, zoiets komt van hem niet als een verrassing natuurlijk. Hij vindt ons relativistisch en ironisch en weer door die ironie relativistisch. Misschien heeft hij gelijk, maar wat hij niet snapt is dat wij niet ineens anders kunnen worden, wat hij zou willen, want dan zouden we bevelen opvolgen. Hij snapt ook niet dat wij, ondanks onze retro/vintage-honger, helemaal niet willen dat het net als vroeger is. Willen wij in een oorlog strijden om daar grote sterke jongens van te worden? Willen wij een hongerwinter overleven om goede moraal en een goed arbeidsethos te winnen? Ik spreek voor mijzelf als ik zeg dat ik heel blij ben dat we dit niet meemaken en ik wil er dan ook vanaf nu niet meer mee vergeleken worden. De oude moraal hoort bij vroeger, nu is nu. Het enige wat we kunnen doen is maken, gewoonweg heel stom en simpel en ontzettend moeilijk iets maken. Maak wat je zelf wíl, iets anders slaat nergens op. Zet twee stippen op het doek of op papier of op een scherm.
De ene stip is het begin van de tijd, de andere stip het einde van de tijd. Wellicht zijn ze één en dezelfde stip, er is maar één manier om daar achter te komen: just connect the dots!

Bio Art en Matter of Life, een essay

Op 7 februari vond het symposium ‘Matter of art’ plaats in de MU Artspace te Eindhoven. In MU was op dat moment een tentoonstelling over Bio Art, speculatieve kunst die met levende materialen werkt.
Voor deze avond was ik gevraagd om de openingstekst te schrijven over het thema en ook om een nicodijkshoorntje te schrijven gedurende de avond. Hieronder is het essay dat ik als openingstekst heb geschreven te lezen.

Ik had nog nooit gehoord van Bio Art, maar het verbaasde mij helemaal niet dat er gewerkt wordt met levende materie, het leek mij een natuurlijke stap voor kunstenaars in deze tijd, de volgende stap in de evolutie van kunst en de onderwerpen en materialen van de kunst. Daarna moest ik denken aan wat natuurlijk precies betekent, en evolutie?
Toen ik het foldertje las voor de Matter of Life tentoonstelling las ik het zinnetje: ‘Ingrijpen in de evolutie om de perfecte postduif te creëren.’ Ingrijpen in de evolutie, kan dat wel? Kun je ook volledig niet in de evolutie ingrijpen? Is eenvoudigweg bestaan niet al een ingrijpen in en een deelnemen aan de evolutie? Met die vraag bekeek ik de tentoonstelling, die werkelijk prachtig is. Terwijl ik langs de bloemen, schimmels, duiven en cellen liep bedacht ik dat deze kunst op twee manieren juist heel natuurlijk is. In eerste instantie is het natuurlijk vanwege de materialen, ook transgenese gebeurt uiteraard met natuurlijk materiaal. Maar ook het technologische aspect aan de kunst kun je zien als natuurlijk: ten eerste omdat het voortvloeit uit mensen en hun organische ideeën over organisch materiaal, maar ook zijn de technologische ontwikkelingen evengoed aan een natuurlijk proces onderhevig. In de Philosophy of Mind, en het Neo-Darwinisme, is zo’n tien jaar geleden een ontwikkeling ontstaan waar vanuit je de natuurlijke selectie van levende wezens en de technologische ontwikkeling als hetzelfde kan zien. Aan de ene kant heb je de genen, de zelf replicerende codes, die door natuurlijke selectie wel of niet worden doorgegeven of muteren, en aan de andere kant heb je de memen, de memes, ook wel de technologische of ideologische genen te noemen; hetgeen voortkomt uit ons, onze ideeën, paradigma’s, zelfs religie en alle technologie dus ook die uit ons voortkomt. Hoewel de eersten aan te wijzen zijn en ook zichtbaar gemaakt kunnen worden, en de tweede niet, volgen ze, volgens de nieuwe ideeën in een stroming van de filosofie, dezelfde regels. Een meme, zoals ook op internet, ontstaat, muteert, overleeft of niet en krijgt zelfs nakomelingen in de vorm van afgeleide memes. Bij de internetmemes is het onmogelijk om te traceren waar ze precies begonnen zijn, op een bepaald moment kun je ook niet meer zeggen dat ze werkelijk zijn ontstaan, ze zijn er. Zelfs als je een meme actief gaat zitten bedenken is het de vraag of het niet toch een afgeleide is van een meme die al eerder bestond, is de meme die jij zelf hebt bedacht of hebt veranderd, dus wel van jou? Zijn je ideeën van jou, je gedragingen die je doorgeeft aan je kinderen en je overtuigingen wel van jou? Wellicht is er een groter mechanisme gaande wat ervoor zorgt dat wij, naast onze genen, onze ideeën aanpassen en doorgeven. Dan is bijvoorbeeld de vraag:’ waarom wel het Christendom en niet de natuurgodsdiensten?’ te beantwoorden met: ‘omdat het nu eenmaal overleefde en de best aangepaste meme van dat moment was.’ Als je op deze manier naar de wereld kijkt is een ingrijpen in de evolutie haast onmogelijk, want de evolutie is er altijd en je bent er zelf onderdeel van. Je kunt niet afstand nemen van de evolutie en er dan weer induiken. Uiteraard is het toepassen van transgenese een ingrijpen, maar het is onmogelijk om te weten wat de status quo van de natuur is, gezien die in constante ontwikkeling en beweging is. De evolutie blijft bestaan, ook als je wat genen aanpast. Het hele mechanisme van de survival of the fittest zal blijven bestaan. Ook is, binnen dit perspectief, het onderscheid tussen natuur en cultuur, en natuurlijk en kunstmatig, zoals wij dat van oudsher onderscheiden, opgeheven. Wat er uit ons voortvloeit is een natuurlijk proces, er is geen terugkeer naar het ‘werkelijk natuurlijke’ want dat is net als een krokodil vragen of hij weer een vis wil worden. Ik weet niet zeker of ik het met dit perspectief eens ben, want het heeft verregaande consequenties voor onze ideeën over ethiek. Aan de andere kant, wellicht is dit perspectief gewoonweg een paradigma-verandering, was onze ethiek aan een grote schoonmaakbeurt toe en overkomt ons dit toch wel, of wij nu willen of niet.
Net toen ik met voorgaande bezig was hoorde ik dat er groeperingen zijn die tegen de Bio Art zijn, om ethische redenen. Dat verbaasde mij dan weer want deze kunstvorm scheen mij, hoewel zeer grensverleggend, in eerste instantie niet zozeer ethisch of onethisch toe. Er zijn blijkbaar twee soorten kritiek: de eerste soort is van de groep die gewoonweg vindt dat het spelen met het natuurlijke niet zou moeten mogen en dat dit ingrijpen in de evolutie en natuur per definitie onethisch is. Daar is dat ingrijpen in de evolutie weer. Ok, stél je zou kunnen ingrijpen in de evolutie, met de zekerheid dat die dan op een andere route afstevent dan anders, dan zijn de voorbeelden die genoemd worden in de folder niet helemaal de juiste, denk ik. De geniale ‘perfecte postduiven’ worden, voor zover ik begrepen heb, wel genetisch gemodificeerd, maar voornamelijk getraind en voorzien van chips voor de data, dat je hier een specifiek ras duif voor nodig hebt is logisch want ze moeten lange afstanden kunnen vliegen en goed kunnen leren. Als dat voorbeeld een ingrijpen in de evolutie is, dan is het trainen van mijn hond om een pootje te geven dat ook.
Een ander soort kritiek vanuit de verontwaardigen is dat jullie er van worden beticht een uithangbord van bedrijven te zijn. Dit laatste is een lastige want inderdaad kun je de vraag stellen of kunst die in dienst staat van het bedrijfsleven nog wel kunst te noemen is. Aan de andere kant: waarom het niet gewoon zien als een synthese van beiden? Het is zowel kunst als wetenschap en ook een manier om de leek te laten zien wat er allemaal kan en mogelijk zou kunnen.
Ik leerde dat Bio Art ook wel speculatieve kunst genoemd wordt, dat leek mij ook een betere benaming want het is in veel gevallen voorspellend of een soort poging om een mogelijkheid te opperen. Maar ook de kunst die geen Bio Art is kan natuurlijk speculatief zijn. Een andere kritiek waar ik over las is de aloude clichévraag of alles wat kan ook moet mogen? Dat is de meest moeilijke vraag vind ik. Gelukkig hoeven kunstenaars zich daar, mijns inziens, geen zorgen om te maken want als je bezig bent met kunst moet alles kunnen en anders zal de wet je wel tegenhouden, of arbeidscodes zoals in het geval van Charlotte Jarvis gebleken is. De moeite die het kost om een arts zover te krijgen om een rectoscopie uit te voeren op een gezond mensenlichaam is een rem die natuurlijk op het maakproces wordt gezet. Verder zou ik jullie, de kunstenaars, aanraden om de meeste ethische verontwaardigden niet te serieus te nemen. Niet omdat ethische kwesties niet belangrijk zijn en ze zijn ook interessant, maar omdat de meeste verontwaardigden geen echt goede argumenten hebben. Het meeste wat ik kon vinden op internet vanuit die groeperingen was gegrond in dezelfde argumentenbasis als de Pro-Life-groep, namelijk een vorm van: ‘omdat het me nu eenmaal tegenstaat’, en vervolgens doen ze alsof dat een uitspraak met een morele waarde is. Als er dan wel een filosoof is die wat roept, houdt dan ook altijd in gedachten dat filosofen zeer makkelijk over kunst schrijven maar meestal geen idee hebben hoe het is om uitvoerend kunstenaar te zijn.
Dan is er nog de publieke opinie op de sociale media, en daarvan word ik vaak melig. Vorige zomer was iedereen verontwaardigd over Monsanto, een bedrijf dat de natuur als eigendom claimt, in diezelfde periode was ineens iedereen solidair met Palestina, waarna iedereen het WK was. Daarna was iedereen de traan om de MH17 en tot een week geleden was iedereen Charlie. Ik betwijfel overigens de ernst van deze zaken niet, maar ik denk dat we het ook kunnen zien als voortvloeiend uit hetzelfde mechanisme waar vanuit onze ideeën voortvloeien; welk idee haalt het nieuws, welk idee is het best aangepast, welk idee overleeft. Welke ideeën wij over 50 jaar zullen hebben of als heel normaal en natuurlijk zullen ervaren weten we nu niet. Maar daarvoor zijn jullie! Gissen, fantaseren en maken zijn de leukste dingen ter wereld en Joost mag het weten!