Categorie archief: Porcelijntjes

Een ‘Porcelijntje’ (voorheen: ‘NicoDijkshoorntje’) is een tekst die ter plekke in het moment wordt geschreven, de vorm kan variëren. Ik word veel gevraagd om dit bij debatten, voor festivals, of tijdens symposia te schrijven. Tijdens het evenement of de lezing schrijf ik de tekst en observeer en reflecteer ik in hoog tempo. Na afloop, meestal als afsluiter, lees ik het dan voor. Deze teksten zet ik op mijn site zodat de aanwezigen de tekst kunnen nalezen, ik krijg vaak dat verzoek. Voor alle andere mensen zal er wat context ontbreken maar ik probeer altijd tussen haakjes aan te geven over wie ik het heb en wat de betreffende spreker heeft gezegd.

Robots!

Ik werd gevraagd om op 26 november een Nicodijkshoorntje te schrijven tijdens de Trendnacht2015, van Brabantkennis. Dit jaar was het thema: Robots. De avond vond plaats in meerdere zalen met sprekers van o.a. de TUEindhoven en TUDelft. Er waren ook robots te zien, van onderwijsrobots tot zorgrobots. Dit is de column die ik als afsluiter heb voorgelezen:

In de popcultuur wordt de robot vaak geportretteerd als iets engs en vreemds.
Als je naar een avond over robots gaat verwacht je dan ook een zaal vol pokdalige tieners die voor het eerst sinds hun twaalfde hun kamer hebben verlaten, maar niets blijkt minder waar. Een zaal vol knappe mensen!
Hoe dan ook: nerdmodus: AAN!
We kunnen vanavond een robot winnen, hoor ik. Wie weet is een van de mensen in de zaal een robot. Als dat zo is dan gok ik dat ‘ie tussen de groep mannen in strakke donkerblauwe pakken zit. Met hun leren puntschoenen, lichtblauwe overhemden en net iets te korte broeken. Misschien winnen we gedeputeerde Christophe van der Maat dus wel!

Maarten Steinbuch is in elk geval geen robot. Dat kan niet, daar is hij veel te slim voor. Daarbij hebben robots nooit volle baarden.
Zo ontzettend interessant aan zijn keynote is om te zien hoe hij moeiteloos lijkt te kunnen wisselen tussen het menselijke- en robotperspectief. Hij wil de technologie laten doordenderen maar kan zich als echt menselijk algoritme ín de menselijke geest nestelen en begrijpen dat een chirurg bijvoorbeeld tegendruk nodig heeft als hij werkt met een robot, dat hij moet voelen, de robot moet leiden en niet andersom. Behalve als de robots het alleen beter kunnen. Tsjalling Swierstra (tongbreker!) plaatst juist vraagtekens bij dat ‘beter dan wij’-aspect.
Hij introduceert de robot als monster (het woord ‘robot’ komt oorspronkelijk uit het Tsjechisch en betekent zoveel als ‘horige’ of ‘slaaf’). De robot als niet-wij, een lichaams- en geestesvreemd object dat zich als subject/mens voordoet in onze wereld.
De slaaf die in opstand komt tegen de meester, de dekknecht die muiterij pleegt. Creepy!
Vanuit de popcultuur zijn we gewend om het fenomeen robot met argwaan te bekijken, maar is dat terecht?
Tsjalling sprak over de leefwereld en hoe de robots die meer en meer zullen betrekken, en ons ook zullen veranderen. Maar, houdt hij als slag om de arm, meestal is het resultaat van technologie onbevredigend. Afwasmachines leveren ons tijd op die we vullen met dingen die ons een burn-out bezorgen. We overdenken onze eigen paradoxen niet goed genoeg: tijd creëren om te praten in plaats van af te wassen, terwijl we juist fijn praatten tijdens de afwas!

Ik denk dat Tsjalling een punt heeft, maar ik overpeins toch het een en ander:
Ja, de robots zullen ons veranderen, maar dat doet alles al. TV veranderde onze manier van kijken. De wasmachine gaf de vrouw meer tijd voor werk en zelfontplooiing. Vuur vormde onze manier van eten en onze spijsvertering, de computer gaf ons het slechte idee om alles wat hip en nieuw is 2.0 of 3.0 te noemen en smartphones namen ons talent tot vervelen af.
Echter, het omgekeerde is ook te zeggen: doordat we op een andere manier wilden kijken ontstond de TV, omdat ons spijsverteringsstelsel het toeliet konden we voedsel koken en omdat vrouwen al die tijd ook hersens hadden ontstond de wasmachine. Alles is een extentie van ons! De auto van onze benen, de vork van onze hand, de smartphone van onze geest en de robot van een synthese van alles.
Je kunt het ook zien als onderdeel van de evolutie; zoals armen ontstonden en nuttig bleken, zo ontstaan robots en ontstaat technologie om later te kijken of alles ervan nuttig bleek en overleefde.
Als je zo kijkt is er geen goede of slechte technologie, alleen die is blijven bestaan en die uitgestorven is. Dan kun je het zorgrobot Alice net zo min kwalijk nemen dat ze geen inherente ethiek kent als dat je panda’s kwalijk kan nemen dat ze zo’n eenzijdig en onmogelijk eetpatroon hebben. Het ontstaat en wie (of wat) overleeft?

Maar goed, ok. We willen inderdaad geen muiterij van onze slaven, dat is duidelijk.
Dat kan alleen als we onze slaven zelf goed behandelen. Als je ze ziet als extenties van onszelf en onze ontwikkeling dan zijn ze onderdeel van ons.
In het boek en in de film wordt het monster van Frankenstein tot monster gemáákt door de buitenwereld. Wij maken het monster zelf tot monster!
Terwijl ik op deze conferentie rondloop is het enige écht enge wat ik kan bedenken, behalve uiteraard de hypothetische zelfmoord-/oorlogsrobots met een slecht humeur, dat het systeem, de grote bedrijven, nog meer onze leefwereld betrekt dan nu en zich als handhaver gaat gedragen. Een Shell-auto die je verbiedt om bij BP te tanken, een belastingrobot die je betrapt op 100 euro zwartwerken en een overdreven overheidsrobot die jou een grap hoorde maken over Mark Rutte en je loon inhoudt.
Dát is eng.
Maar, dat zal alleen ontstaan als slechte mensen dat als extentie van hun grieven nodig gaan hebben of kunnen maken. Dus, in feite is er niks veranderd. We hebben nog altijd behoefte aan wetten die ons beschermen tegen slechte mensen en systemen, en die de slechte mensen en systemen ook weer tegen henzelf beschermen.
Wel lastig aan robotrechten is de vraag of je van een robot dan ook plichten kan eisen?

Goed, ik ga eens een bionische arm bekijken. Ah, ik kom bij Tilrobots die oma later uit bed zullen hijsen. Oma’s dag zal er dan een zonder mensen worden? ‘s Ochtends uit bed getild en gewassen door Asimo, in de middag bezocht door Alice en in slaap gezeehond door knuffelrobot Paro. Het zal zo zijn als wij dat willen of als wij er behoefte aan ontwikkelen, druk als we zullen zijn door al die vrijgemaakte tijd.
‘Mag je een mens niet bedotten?’ vraagt Margo van Kemenade. Is zo’n robotzeehond wel bedotten? Wat is echt voor een diepdement persoon? Is de onherkenbare zoon, de onbekende dus, dan wel echt?
Misschien moeten we een ethiekrobot uitvinden. Een die weet of hij mag bestaan en of wij hem wel hadden mogen maken.
Overigens, als wij robots maken, zijn wij dan de goden van de robots? Maken zij dan weer mensenkerken? Kunnen wij ons wel voorstellen hoe iets zal zijn voor het er is? Of zal het altijd een afspiegeling zijn van onszelf en dus leren we des te meer over de mens door technologie te ontwikkelen?
Zal ik vervangen worden? De filosoof en schrijver..
Is dat enger dan de dood, er wel zijn maar geen functie dienen? Misschien.
Maar dan kan ik mij altijd nog bij het blauwe maatpakken-leger voegen. Dan staat Robotpenner 8.0 waar ik nu sta: –maak grap hier–.
Tot die tijd denk ik in mijn hoofd, met mijn laptop, op internet, met anderen en met pen en papier.

Onconferentie

Ik werd gevraagd om op 29 september een Nicodijkshoorntje te schrijven voor de Onconferentie van de gemeente Oosterhout. De avond was gewijd aan de nieuwe Cultuurnota en hoe er nu nagedacht kan worden over cultuur in deze tijd. De bedoeling was voornamelijk dat er per tafel over telkens een ander thema gediscussieerd werd. De avond vond plaats in de publiekshal van het Stadhuis

Op mijn weg hierheen stond ik in één lange file vanaf Rotterdam. Foeterend zag ik mijn ruime optijdkom-marge krimpen. Toen ik uitgefoeterd was ging ik mijn zinnen verzetten en nadenken over waar het plotse remmen na elk stuk toch vandaan komt?
Invoegstroken vertragen de boel wat, ja, en sommige mensen gaan al een kilometer voor de afrit 80 rijden. Ook is het gewoonweg druk op de weg, maar waar komt de vertraging nou echt vandaan?
Één van de punten waar het mis gaat is bij het ritsen. Mensen rijden tot het einde van de strook, waardoor ze stil moeten gaan staan en de rijstrook rechts van hen dus ook. Zou hiervoor zo’n ‘hef de scheidsrechter van de F-jes’-oplossing voor kunnen bestaan?
Ik ga erover peinzen, en nog veel belangrijker: de onconferentie is begonnen!

De inval-wethouder, Marcel Willemsen, is aanwezig hoor ik. Opletten geblazen dus want invallers zijn altijd het strengst
Mister 3.0 himself Hans van Driel vertelt mij dat ik ook een reus ben. Dat heb ik nog nooit gehoord! We moeten van Hans leren hoe we het zelf moeten doen. Naast dat dit het motto is van het Montessorionderwijs bespeur ik een snufje participatiesamenleving van Mark Rutte. Dat is niet erg hoor, heel begrijpelijk.
Maar, laten we eerlijk zijn over waarom er meer noodzaak is voor participeren, holistisch en web-achtig werken en het moderne onoverkomelijke 3.0-denken.
De oorzaak is……. Geldgebrek! Laten we wel wezen.
Er is nu eenmaal minder geld voor alles, maar vooral relatief voor cultuur.
Ja, natuurlijk moet je dan creatief zijn en de handen uit de mouwen en meer samenwerken en minder verkwisten en meer community-denken. Maar, we zullen vooral wel moeten!
Er is geen geld meer voor grootschalige toneelstukken waar 100 nieuwe kostuums voor genaaid moeten worden. Er is geen geld meer voor een heel subsidieleven van een schilder die twee goede schilderijen gaat afleveren.
Ook heerst er angst voor het boven ’t hoofd hangende tegenargument van de cultuurónminnende mens: ‘dus, het geld voor dit hoogabstracte rotondekunstwerk gaat nu niet naar het pakket Tenalady voor mijn demente moeder.’
Eens kijken wat er dan wel kan, in een zaal vol radicale en informele ambtenaren.

In de pauze hoor ik netwerkende mensen met elkaar netwerken. Iemand zegt: ‘ik ben héél visueel ingesteld’ en weer een ander zegt: ‘ik voeg het gewoon toe aan mijn emotie!’
Aan de tafels wordt druk gesproken over cultuurcoaches, over kunsteducatie en de broek ophouden. Twee dames en een heer discussiëren over hoe Oosterhout weer trots wordt op de eigen talenten en culturele successen. De heer wil laten ziendat Oosterhout dus een goede stad is als kweekvijver voor talent. Maar, vraagt één van de vrouwen: wat is het doel, wat heeft Oosterhout eraan?
Dat zijn goede vragen!
Niemand gaat in Volendam wonen omdat Jan Smit er vandaan komt, op enkele gekke fans na. Ook kun je de vraag stellen of Henk Westbroek Henk Westbroek is door Utrecht?
Wat het Oosterhout ook op moet leveren, laat het niet zo uit de hand lopen als de van Gogh-hype in Zundert. Alles is daar nu van Gogh
Het levert geld op maar ’t is natuurlijk wel ellendig al die mokken, routes en dagen. Ergens maak je het ook dood door er zo mee om te gaan.
Ene Arno vraagt zich af wat de definitie van cultuur is. ‘Wat willen we ermee? En wat hebben we er voor over?’ vraagt een mevrouw die Cock heet.
Ja, wat moeten we ermee?

Misschien valt er nog iets te halen uit mijn file-avontuur.
John Nash, van die film ‘A beautiful mind’, had de theorie van Adam Smith (dat wat voor jou het beste is, hetgeen is wat het beste is voor iedereen), gefalsifieerd. Nash stelde dat wat voor jou én voor de anderen het beste is, hetgeen is wat het beste is voor allen.
Dus, tot het einde van de ritsende strook blijven rijden lijkt het beste voor jou, maar is dat niet want jij voegt vervolgens in een trage strook in die traag zijn gaan rijden voor jou.
Netjes ritsen op het juiste moment is het beste én het snelste voor allen, maar echt goed lukt het nooit.
Dus.. moeten we het ritsen opheffen? Of auto’s? Of mensen die niet kunnen ritsen gewoon opheffen?
Hoe moeten we de cultuurnota ritsen? Wat is het beste voor allen en jezelf?

In elk geval blijven doorrijden, liever langzaam dan stilstaan. Als we het aan de community gaan overlaten, wie schept dan het kader en speelt een fractie van een seconde voor reus?
Ik denk Hans van Driel, of anders de beveiliger van vanavond Maurice. Hans wijst aan, Maurice houdt in de gaten
Wie toch stil gaat staan mag zich vervolgens melden bij de formele en behoudende informatiebalie in dit stadhuis.
Maar.. ivm privacy voor de lijn wachten aub.

#BvdT

Ik werd gevraagd om voor de overkoepelende stichting Bibliotheekwerk en stichting Cubiss een nicodijkshoorntje te schrijven tijdens hun symposium over de toekomst van de Bibliotheek op 22 september 2015 te Utrecht.

Omdat ik het richtingsgevoel van een apennootje heb, en teveel op Googlemaps vertrouw, eindigde ik bij de Prinses Christinalaan in de Meern. Ik dacht: ‘wellicht is de Colour Kitchen gewoon een keuken bij iemand thuis.. maar hoe is die profi site dan te verklaren?’
Dan kom ik hier aan en krijg een heerlijk broodje. Een bijeenkomst is meestal net zo goed als de broodjes die er geserveerd worden. Dat belooft veel goeds!

‘De bibliotheek als branche van de toekomst’, daar gaat het over. Thom Verheggen was eerst manager, nu is hij ontmanager.
Hij lijkt me zo’n man waar je geen ruzie mee kan maken, zelfs als je en hekel hebt aan 1.0, 2.0, 3.0-termen. (Die zijn echt te 1.0..)
Thom lijkt een soort bovennatuurlijke ervaring te hebben gehad, en hij kan het overbrengen.
Echter, zijn lezing doet me een beetje denken aan een fragment met Midas Dekkers in een natuurgebied, daarin vertelt hij: ‘Hier wordt heel hard gewerkt om het zo natuurlijk mogelijk te houden.’ Het deed me ook denken aan mensen die houden van spontane dingen maar die wel tot in de puntjes organiseren.
Het ‘ontmanagen’ klinkt nu eenmaal nog steeds als managen maar dan als controlled demolition. Als ik er zo over nadenk heb je vanzelfsprekend iemand nodig die manager is geweest, die weet zichzelf het beste uit te gummen.

Terwijl Paul Cornelissen ons de mooiste metafoor geeft, als hij Barbapapa niet afgespeeld krijgt, denk ik na over de beelden die we te zien krijgen. Schema’s, pijlen, 3.0-woorden die wijzen naar de volgende. Dat soort schemaatjes zie ik vaker, maar echt verhelderend zijn ze zelden.
Twee woorden houden niet meteen verband als er een pijl tussen staat, een baan verandert niet ineens in een ontbaan as je het ‘een aantal rollen’ gaat noemen. Intrinsieke motivatie wordt niet persé beknot door extrinsieke en oude termen worden niet ineens modern als je er 3.0 achter schrijft.
Schema’s, flowcharts en diagrammen zijn een analogie in zichzelf. Ze moeten de werkelijkheid even comprimeren en schematisch weergeven. Maar als de tafelheren en dames over processtappen en competenties spreken dan lijkt het alsof het schema geplakt wordt óp de werkelijkheid en de werkelijkheid zich daar maar naar moet voegen.

In de pauze spreek ik buiten drie Rotterdamse Teammanagers: Loes, Cora en Kiki. Zij vertellen elkaar, in hun Rotterdamste Rotterdams: ‘Ja, maar wij zijn toch al járen bezig met onzichtbaar te werk gaan?’
In de borrelruimte kijk ik om me heen en ja, echt bibliothecaressen. Zoals je ze kent: tikkie ingetogen, belezen en met een mysterieuze blik. Voordat we de donkere theaterzaal weer ingaan besef ik: de perfecte ingrediënten voor een ouderwetse pornoshow: The Naughty Librarian 2.

In die show doet Paul Cornelissen de opening act waarin hij zich tot staafdiagram barbapapaat. Jan Gommer is de spreekstalmeester die op komt lopen, volledig gekleed in zwart glimmend latex en Almelose sekssokk’n. Zijn ogen spuwen vuur want iemand durft te vragen of het zwaar werken is in de bibliotheek, in deze tijd? ‘Niets van dat alles!’ brult Jan.
Op komt het koor van bibliothecaressen, gekleed in niets dan een citaat van Schopenhauer. Ze zingen: fictie bij fictie, Engelse romans bij Engelse romans, jeugdliteratuur.’
Maar daar komt Jos Beks uit de coulissen, vergezeld door veel rook. Hij stampt en briest en als een ware Maarten van Rossem betwijfelt hij: ‘ja maar, dit is zo benepen. De zweep erover! Minder naar binnen gekeerd lijkt me beter.’
Jan wacht geen moment en zwiept de zweep over het toneel, de bibliothecaressen blozen.
De pilotbibliotheken komen in beeld en Miriam Wijers zegt zwoel: ‘nee, proeftuinen. Lekker dichtbij de burger zitten.’
Thom Verheggen komt in Arabisch kostuum en met waterpijp op. Hij zegt: ‘ontburger, ja ik dacht net.. ik zie een paard in de gang.. ergo: iedereen ziet een paard in de gang, ja man!’
Paul barbapapaat zich tot paard en wenkt Jan Gommer. Jan spuwt nu heel veel vuur en roept luid: ‘Statuten! Statuten! Professionele statuten!!’ Waarna Jos zijn professionele lading uitstort over het toneel.
Dan zegt Diane nog: ‘zie! Dit was niet te voorspellen, maar wel te doen!’

Terug naar vandaag. De tweede tafel zit klaar. Hét recept voor oplossingen, bestaat dat? Kan dat wel in complexe situaties?
Het bedenken van stappen vs het in goede banen leiden. Het lineaire vs het non-lineaire. Diane Nijs vertelt over deze twee paradigma’s.
Lastig in deze is dat het non-lineaire niet te voorspellen is, of stiekem toch in een lineair jasje is gestoken. Betreffende het voorbeeld van de rotonde, waar iedereen vrij beweegt en daardoor juist samenwerkt: er is wel degelijk voorspeld hoe men zich vrij gaat bewegen.
Diane zegt nog iets: ‘denk niet dat je de samenleving moet redden.’
Grappig, want ik dacht zelf nog net dat de bieb mij moet redden, omdat ik hoognodig beter moet leren kaartlezen. Kan dat bij de bieb? Ik wil namelijk nooit meer in de Meern terecht komen!
Anders leen ik de zevenmijlslaarzen van Jan Gommer, tien maten groter dan mijn schoenen.
De mooiste schoenen van vandaag waren toch wel van Paul Cornelissen. Die man heeft super hippe groene schoenen aan. Ondanks die hippe schoenen deed Paul mij ontzettend denken aan mijn vader met z’n Iphone. Want wie kijkt er nou teletekst op z’n smartphone?!? Prachtig!

Nu, met de bieb komt het goed. Ik heb net mijn abonnement verlengd en, als ze morgen niet naar jullie willen luisteren, dan stuur je Jan Gommer er maar op af. Zoveel professionele lading kan geen mens weerstaan, zeker niet in bruine puntschoenen.

Toekomst van de Bibliotheek en van de Brabanders

Op 1 juli 2015 werd ik gevraagd om een Nicodijkshoorntje te schrijven tijdens het symposium ‘Kennis=Kracht’, over de toekomst van de bibliotheek als instituut. Het symposium vond plaats in de oude locomotiefhal in de Spoorzone van Tilburg.
o.a. trendwatcher Richard van Hooijdonk en cultuurpsycholoog en publicist Jos van der Lans waren sprekers op de dag. Tevens vond die dag de afscheidsborrel van Henriëtte de Kok plaats.

Voordat ik in mijn piepkleine gele autootje, zonder airco, hier au bain-marie heen tufte, las ik de site van dit symposium nogmaals door.
Één zinnetje bleef de hele autorit in mijn hoofd cirkelen, namelijk: ‘Brabanders doen steeds meer zelf.’
Daarachter stond: ‘Al dan niet aangemoedigd door de overheid.’
Al dan niet aangemoedigd… Precies! De oorzaak ergens bijzetten is natuurlijk wel zinnig!
Het is een beetje als: ‘Er lopen steeds meer verwarde mensen op straat.’ (nog niet erg informatief)
Er lopen steeds meer verwarde mensen op straat doordat er sinds de bezuinigingen op de zorg minder bedden beschikbaar zijn, en niet alles vergoed wordt door de contracten die zorgverzekeraars de zorginstellingen laten ondertekenen.
Overigens: definieer ‘verward’, en definieer ‘Brabander’.
Waarom Brabanders? Doen alleen Brabanders meer zelf? Hoe zit dit?
Kennis is niet alleen macht, Kennis=Kracht is de titel van vandaag.
Maar, welke kennis? Alle?

Gelukkig is trendwatcher Richard van Hooijdonk er met een staafdiagram en een parabool. Volgens Richard wordt data onze toekomst. Alles zal worden gemonitord tot één grote informatiebal over alles. Sensoren zullen ons waarschuwen voor ziektekiemen en vrijwel alle menselijke taken zullen veel beter uitgevoerd worden door robots.
Volgens Richard is dit alles een niet te stoppen beweging, een natuurlijke evolutie van generatie op generatie. Zoals wij, min of meer, uit de apen voortkomen (gemeenschappelijke voorouder), zo komt de tv voort uit de radio, de iphone voort uit het boek en de robot voort uit de fabrieksarbeider en de nijptang.
Goed, ok. Het is dus niet tegen te gaan. ‘All aboard’, of net ernaast.
Maar, als het een niet te stoppen proces is en als we ‘zoiets nog nooit hebben meegemaakt’-zoals Richard stelde, valt dit proces dan wel te trendwatchen? Lopen we niet per definitie achter de feiten aan?
Terwijl we een boek lezen over robots is het boek al opgehouden te bestaan.
Hoe kun je kennis opdoen over kennis, als zelfs de basis van kennis verandert?
Kindle (de e-reader van Amazon) heeft enkele weken geleden voorgesteld dat men over een tijdje alleen de pagina’s van een e-book hoeft te betalen die daadwerkelijk gelezen zijn. Het boek als muziekalbum met als enig probleem: pagina 35 draai je niet grijs op een feestje.

Cultuurpsycholoog Jos van der Lans stelt dat het boek een hele goede reputatie heeft. Meneer van der Lans heeft een overhemd aan dat mij doet denken aan de lijntjes in oude schoolschriften, heerlijk!
Hij is zelf een soort bibliotheek zonder gebouw. Hij zegt: ‘De ontmoetingsplek als uitgangspunt, een burgerkrachtomgeving.’
Het internet zelf is een burgerkrachtomgeving. Ideeën worden in idioot tempo uitgewisseld, nieuwsberichten worden geshared en debunked en iedereen vindt alles iets en een ‘trending topic’ is van korte duur, ook dit symposium als trending topic op Twitter.

Is de bibliotheek dus nog wel nodig? Is zoiets niet te traag en te tastbaar als ik alles kan wikipedia’en?
Ongeveer drie weken geleden werd op Facebook, en andere Social Media, een artikeltje gedeeld over dat een volle baard even vies zou zijn als een wc. Mensen plaatsten dit allemaal op de pagina van een bebaarde vriend (we zitten immers in een retro-hipstertijd), totdat de dag erna het omgekeerde artikel verscheen over dat dit onzin is en dat het vorige artikel debunked zou zijn. Mensen plaatsten dit tweede artikel dan weer onder het eerste met de mededeling: ‘nee hoor, niet waar.. kijk maar!’
Maar, hoe weet je wat waar is? Wat bewijst dat het eerste artikel debunked is? Wie zegt wie er gelijk heeft? Is er waar wat het meest gedeeld of geliked wordt? Wat het hardste geroepen wordt?
Dat lijkt me wat relativistisch.

Hoe vergelijk je mededelingen als je kennis alleen extern opslaat? Waar baseer je je op en wat heb je nodig?
Een Bieb! Dat is nou net zo nuttig!
Er moet kennis ín je zitten om vragen over kennis te kunnen stellen. Je moet iets over een onderwerp weten om er over te kunnen twijfelen
De boekenkasten verdwijnen wellicht, maar kennis moet opgehaald en geïnternaliseerd kunnen worden.
In een nieuwe vorm, ja, en op een moderne manier. Daar weet ik niks vanaf.
Maar een trend, of voorbeeld, is niet altijd nieuw. Zie de LP-trend van de afgelopen jaren, en het feit dat Richard van Hooijdonk Baywatch aanhaalde om een punt te maken. De laatste aflevering van Baywatch stamt uit 2001.

Toen ik hier net aankwam, en ik nog niet wist dat Jos van der Lans Jos van der Lans was, zei hij tegen mij, nadat ik was voorgesteld: ‘Een Nicodijkshoorntje? Maar dat is een héle moeilijk vorm hoor!’ Hij waarschuwde mij. Wellicht dat hij in de bieb van de toekomst de hele mensheid kan waarschuwen.
In die bieb van de toekomst zweeft dan ook een Henriëtte de Kok-bot, die iedereen zal helpen met het checken van bronnen. Zij zal de rust van de toekomst bewaren zodat de Mitch Henriquez-affaires in 2060 niet meteen uit de hand lopen in scheldpartijen over vermeend racisme en vage OM-berichten. De politiemannen zullen dan nog sneller op non-actief worden gesteld, de ware toedracht binnen 5 seconden uitgezocht en de rellen in Den Haag onnodig want Kennis is niet alleen macht en kracht, het is alles.

Jullie zijn Brabanders, daarom wil ik graag nog het volgende zeggen:
Brabanders doen steeds meer zelf.
Tilburg is steeds meer de zevende stad van het land.
Overhemden knopen zich steeds meer open.
Loslaten is steeds meer een voorwaarde voor vasthouden.
Bibliotheek is steeds minder boek
Kennis is steeds meer bibliotheek.
Drankjes worden steeds meer gedronken.
Borrelen is steeds meer nu aan de hand.
Proosten kan steeds meer in het gebouw hiernaast.

Op Henriëtte!

Een zesje

Op 5 juni 2015 vond het symposium van het Platform ‘Leren van Toetsen’ plaats in de Avanshogeschool te Den Bosch. Ik was gevraagd om een Nicodijkshoorntje te schrijven gedurende de dag. Bezoekers van het symposium waren docenten, beleidsmakers en andere medewerkers van vrijwel alle hogescholen van Nederland.

Bij aanvang zit er een man in het projectiescherm: Diederik Zijderveld. Hij is als the Wizard of Oz, die tegen ons spreekt vanuit het verleden en gedurende de dag in het scherm zal peinzen over wie er moet, een hart of een nieuw stel hersens verdient.
Dan komt de man met ’t beste overhemd van vandaag: Prof. Dr. Filip Dochy. De term ‘competentie’ valt vrij snel.
Ik heb tijdens mij studie nog nooit de term direct gehoord, maar ken hem wel vanuit het HBO en vrienden die daaraan studeerden.
Goed, het gaat om de toetsen. Wat leer je en wat wordt er getoetst?
Van Filip wil ik elke dag wel college. Dan zie je ‘m na afloop in de kantine en dan zegt hij, met z’n Vlaamse tongval: ‘YESS! Goed gedaan, goeie zin!’ en dan Jive-t hij richting ’t volgende college.

Dan komt Susanne Roosen om de discussie aan te wakkeren tussen een groepje studenten en het publiek. Enkele vragen komen langs: Kunnen studenten elkaar beoordelen? En: Waarom nog naar het inzagemoment gaan als je toch al een voldoende hebt gehaald?
Een jongen van de Juridische Hogeschool erkende dat hij toch op een gegeven moment wel weet wat voor soort antwoorden passen bij het soort vragen. Iets merkwaardigs tijdens deze workshop is dat de studenten de vragen op het scherm bediscussiëren, maar hun conclusies vervolgens weer op het projectiescherm verschijnen. Deze slides zijn toch echt van te voren gemaakt.
Is dit niet precies wat jullie niet bedoelen?
Dat de bijdrage van de studenten niet werkelijk meetelt of van invloed is op de volgende stappen en uitkomsten?

Ik raak in het noodgebouw verzeild in het adolescentenbrein bij Kydia Schaap en Noortje Muselaer. Het herhalen van stof blijkt zin te hebben. Hoera!
Maar, het maakt nogal uit of de student ook gelooft dat hij of zij daadwerkelijk kán leren, of dat het nooit meer zal worden dan dit nu.
Daar denk ik even over na en ik betrap mijzelf op de volgende gedachte:
‘Dat is toch de werkelijkheid?’
Later zal je werkgever of opdrachtgever toch ook geen rekening houden met of je wel in jezelf gelooft of niet? Of dat je stiekem, achter de gordijnen van je eigen onzekerheid, wel intelligent bent?
Ook: Hoeveel superintelligente, kritische en zeer zelfstandig denkende mensen heb je nodig in een samenleving?
Het zou geweldig zijn maar enkel dit type persoon in een bedrijf is onwerkbaar. Je hebt altijd een paar volgzame, brave, mensen nodig. Of.. nouja, misschien de hele maatschappij als één groot Googlekantoor. Met glijbanen en alles! Waarom niet.

Oei! Speeddaten is het volgende programmaonderdeel. Iedereen is vooraf op nummer gesorteerd. Ik denk dat de mannen toch wel hopen bij Noortje en Kydia aan tafen te komen, twee knappe blonde dames.
Wat opvalt is dat mensen met brillen bij elkaar zijn gezocht. Kalende mannen bij kalende mannen. Jonge vrouwen bij jonge vrouwen en twee vrouwen met paardenstaart. Toeval?
‘Elkaar iets beter leren kennen.’ Wat nu als er twee ineens heel erg verliefd op elkaar worden? Misschien de twee kalende mannen wel.
Volgend jaar een ‘leren van toetsen’-babyborrel. Maar, ’t is wel het onderwijs dus binnen het thema. Kinderwagens gemaakt van multomappen en op blackboard staat het luierschema.

Buiten spreek ik een man die er economisch uitziet en ook een economisch vak blijkt te geven. Hij heeft iets meegenomen van lezing van Filip Dochy. ‘Hartstikke mooi!’ Zegt ‘ie.
De broodjesrij in de lunchpauze lijkt een beetje op mijn eigen studievoortgang: de weg naar de scriptie maakte mij hongerig en ongeduldig maar toen ik er eenmaal voor stond wist ik niet meer wat ik wilde. ’t Werd kip-kerrie, en de oude Grieken.

Renske de Kleijn weet hier alles van.
Met haar enorme vrolijkheid legt ze even uit waar de term ‘feedback’ nou echt vandaan komt. De spanning die tussen de normen van docenten en die van studenten bestaat. Het beoordelen van afstudeerscripties heeft vaste criteria nodig, maar niet te veel want je wil geen afvinklijst.
Een kritische vrouw in het lokaal is bang dat de lijst niet goedgekeurd wordt als deze te weinig precies is. Aha! Daar zit dus een groot verschil met de universiteit. Mijn scriptiebegeleider zal mij ernstig beoordelen op goed argumentatie en inzicht in de verschillende interpretaties van de literatuur. Een andere begeleider had wellicht de nadruk ergens anders op gelegd.
Ik heb nog nooit een lijstje met normen gezien, misschien toch maar eens vragen.

Precisie: Wat precies is vandaag is een bepaald soort taal. Ergens tussen zakelijk en hip heb ik de volgende woorden en uitspraken geturfd:
-Teamwork
-Shared vision
-Het continu ‘engineeren’ van de eigen aanpak
-What you asses is what you get (best wel erg hoor, deze)
-Reciprocal learning and – teaching
-Time-management
-Mindset
-Flipped learning
-Competentiescan (competentiescan?)
Tussendoor: het geven van complimenten over het ‘zelf’ werken niet, toch blijf ik bij mijn observatie over Filips overhemd.
-De winnaar na het turven: Feedback (en feedforward)

Feedback.
Ik blijf het een moeilijk woord vinden. Ik besef dat dit komt omdat ik uit een andere wereld kom, een waar ik feitelijk wel veel feedback ontvang en geef, maar zo noemt niemand het in de kunst- en filosofiewereld. Dan heet het ‘kritiek’.
Kritiek dus die zowel positief als negatief kan zijn, die hoort bij waar ik mee bezig ben, maar waar ik geen cursus voor heb gehad.
Misschien interpreteer ik de term ‘feedback’ als een eufemisme. Een eufemisme voor ‘negatieve kritiek’. Want als het positief is dan noem je het een compliment.
Een compliment geven/ontvangen is soms moeilijk. Negatieve kritiek geven/ontvangen is altijd moeilijk. Al is het een totaal andere situatie als Renske de Kleijn dit aan mij zou geven. Zij kan het einde der tijden aankondigen als een frisse bries en een leuk compliment.
Misschien dat Diederik Zijderveld aka The Wizard of Oz ons nog een voorspelling kan doen vanuit zijn scherm. De Wizard zou geen moed hoeven uitdelen, want dat hebben jullie al. Geen hart, want dat is bij jullie al groot. Als hij Dorothy (jullie) dan vraagt wat jullie willen, en jullie zeggen: ‘Home, there’s no place like home’, dan springt prof. Dochy op en zegt: ‘Kom mee! Afterparty met cocktails in mijn zwembad in de tuin!’
Maar pas op! De feedback van de onderkant van het zwembad kan hard aankomen.

Bio Art en Matter of Life, een essay

Op 7 februari vond het symposium ‘Matter of art’ plaats in de MU Artspace te Eindhoven. In MU was op dat moment een tentoonstelling over Bio Art, speculatieve kunst die met levende materialen werkt.
Voor deze avond was ik gevraagd om de openingstekst te schrijven over het thema en ook om een nicodijkshoorntje te schrijven gedurende de avond. Hieronder is het essay dat ik als openingstekst heb geschreven te lezen.

Ik had nog nooit gehoord van Bio Art, maar het verbaasde mij helemaal niet dat er gewerkt wordt met levende materie, het leek mij een natuurlijke stap voor kunstenaars in deze tijd, de volgende stap in de evolutie van kunst en de onderwerpen en materialen van de kunst. Daarna moest ik denken aan wat natuurlijk precies betekent, en evolutie?
Toen ik het foldertje las voor de Matter of Life tentoonstelling las ik het zinnetje: ‘Ingrijpen in de evolutie om de perfecte postduif te creëren.’ Ingrijpen in de evolutie, kan dat wel? Kun je ook volledig niet in de evolutie ingrijpen? Is eenvoudigweg bestaan niet al een ingrijpen in en een deelnemen aan de evolutie? Met die vraag bekeek ik de tentoonstelling, die werkelijk prachtig is. Terwijl ik langs de bloemen, schimmels, duiven en cellen liep bedacht ik dat deze kunst op twee manieren juist heel natuurlijk is. In eerste instantie is het natuurlijk vanwege de materialen, ook transgenese gebeurt uiteraard met natuurlijk materiaal. Maar ook het technologische aspect aan de kunst kun je zien als natuurlijk: ten eerste omdat het voortvloeit uit mensen en hun organische ideeën over organisch materiaal, maar ook zijn de technologische ontwikkelingen evengoed aan een natuurlijk proces onderhevig. In de Philosophy of Mind, en het Neo-Darwinisme, is zo’n tien jaar geleden een ontwikkeling ontstaan waar vanuit je de natuurlijke selectie van levende wezens en de technologische ontwikkeling als hetzelfde kan zien. Aan de ene kant heb je de genen, de zelf replicerende codes, die door natuurlijke selectie wel of niet worden doorgegeven of muteren, en aan de andere kant heb je de memen, de memes, ook wel de technologische of ideologische genen te noemen; hetgeen voortkomt uit ons, onze ideeën, paradigma’s, zelfs religie en alle technologie dus ook die uit ons voortkomt. Hoewel de eersten aan te wijzen zijn en ook zichtbaar gemaakt kunnen worden, en de tweede niet, volgen ze, volgens de nieuwe ideeën in een stroming van de filosofie, dezelfde regels. Een meme, zoals ook op internet, ontstaat, muteert, overleeft of niet en krijgt zelfs nakomelingen in de vorm van afgeleide memes. Bij de internetmemes is het onmogelijk om te traceren waar ze precies begonnen zijn, op een bepaald moment kun je ook niet meer zeggen dat ze werkelijk zijn ontstaan, ze zijn er. Zelfs als je een meme actief gaat zitten bedenken is het de vraag of het niet toch een afgeleide is van een meme die al eerder bestond, is de meme die jij zelf hebt bedacht of hebt veranderd, dus wel van jou? Zijn je ideeën van jou, je gedragingen die je doorgeeft aan je kinderen en je overtuigingen wel van jou? Wellicht is er een groter mechanisme gaande wat ervoor zorgt dat wij, naast onze genen, onze ideeën aanpassen en doorgeven. Dan is bijvoorbeeld de vraag:’ waarom wel het Christendom en niet de natuurgodsdiensten?’ te beantwoorden met: ‘omdat het nu eenmaal overleefde en de best aangepaste meme van dat moment was.’ Als je op deze manier naar de wereld kijkt is een ingrijpen in de evolutie haast onmogelijk, want de evolutie is er altijd en je bent er zelf onderdeel van. Je kunt niet afstand nemen van de evolutie en er dan weer induiken. Uiteraard is het toepassen van transgenese een ingrijpen, maar het is onmogelijk om te weten wat de status quo van de natuur is, gezien die in constante ontwikkeling en beweging is. De evolutie blijft bestaan, ook als je wat genen aanpast. Het hele mechanisme van de survival of the fittest zal blijven bestaan. Ook is, binnen dit perspectief, het onderscheid tussen natuur en cultuur, en natuurlijk en kunstmatig, zoals wij dat van oudsher onderscheiden, opgeheven. Wat er uit ons voortvloeit is een natuurlijk proces, er is geen terugkeer naar het ‘werkelijk natuurlijke’ want dat is net als een krokodil vragen of hij weer een vis wil worden. Ik weet niet zeker of ik het met dit perspectief eens ben, want het heeft verregaande consequenties voor onze ideeën over ethiek. Aan de andere kant, wellicht is dit perspectief gewoonweg een paradigma-verandering, was onze ethiek aan een grote schoonmaakbeurt toe en overkomt ons dit toch wel, of wij nu willen of niet.
Net toen ik met voorgaande bezig was hoorde ik dat er groeperingen zijn die tegen de Bio Art zijn, om ethische redenen. Dat verbaasde mij dan weer want deze kunstvorm scheen mij, hoewel zeer grensverleggend, in eerste instantie niet zozeer ethisch of onethisch toe. Er zijn blijkbaar twee soorten kritiek: de eerste soort is van de groep die gewoonweg vindt dat het spelen met het natuurlijke niet zou moeten mogen en dat dit ingrijpen in de evolutie en natuur per definitie onethisch is. Daar is dat ingrijpen in de evolutie weer. Ok, stél je zou kunnen ingrijpen in de evolutie, met de zekerheid dat die dan op een andere route afstevent dan anders, dan zijn de voorbeelden die genoemd worden in de folder niet helemaal de juiste, denk ik. De geniale ‘perfecte postduiven’ worden, voor zover ik begrepen heb, wel genetisch gemodificeerd, maar voornamelijk getraind en voorzien van chips voor de data, dat je hier een specifiek ras duif voor nodig hebt is logisch want ze moeten lange afstanden kunnen vliegen en goed kunnen leren. Als dat voorbeeld een ingrijpen in de evolutie is, dan is het trainen van mijn hond om een pootje te geven dat ook.
Een ander soort kritiek vanuit de verontwaardigen is dat jullie er van worden beticht een uithangbord van bedrijven te zijn. Dit laatste is een lastige want inderdaad kun je de vraag stellen of kunst die in dienst staat van het bedrijfsleven nog wel kunst te noemen is. Aan de andere kant: waarom het niet gewoon zien als een synthese van beiden? Het is zowel kunst als wetenschap en ook een manier om de leek te laten zien wat er allemaal kan en mogelijk zou kunnen.
Ik leerde dat Bio Art ook wel speculatieve kunst genoemd wordt, dat leek mij ook een betere benaming want het is in veel gevallen voorspellend of een soort poging om een mogelijkheid te opperen. Maar ook de kunst die geen Bio Art is kan natuurlijk speculatief zijn. Een andere kritiek waar ik over las is de aloude clichévraag of alles wat kan ook moet mogen? Dat is de meest moeilijke vraag vind ik. Gelukkig hoeven kunstenaars zich daar, mijns inziens, geen zorgen om te maken want als je bezig bent met kunst moet alles kunnen en anders zal de wet je wel tegenhouden, of arbeidscodes zoals in het geval van Charlotte Jarvis gebleken is. De moeite die het kost om een arts zover te krijgen om een rectoscopie uit te voeren op een gezond mensenlichaam is een rem die natuurlijk op het maakproces wordt gezet. Verder zou ik jullie, de kunstenaars, aanraden om de meeste ethische verontwaardigden niet te serieus te nemen. Niet omdat ethische kwesties niet belangrijk zijn en ze zijn ook interessant, maar omdat de meeste verontwaardigden geen echt goede argumenten hebben. Het meeste wat ik kon vinden op internet vanuit die groeperingen was gegrond in dezelfde argumentenbasis als de Pro-Life-groep, namelijk een vorm van: ‘omdat het me nu eenmaal tegenstaat’, en vervolgens doen ze alsof dat een uitspraak met een morele waarde is. Als er dan wel een filosoof is die wat roept, houdt dan ook altijd in gedachten dat filosofen zeer makkelijk over kunst schrijven maar meestal geen idee hebben hoe het is om uitvoerend kunstenaar te zijn.
Dan is er nog de publieke opinie op de sociale media, en daarvan word ik vaak melig. Vorige zomer was iedereen verontwaardigd over Monsanto, een bedrijf dat de natuur als eigendom claimt, in diezelfde periode was ineens iedereen solidair met Palestina, waarna iedereen het WK was. Daarna was iedereen de traan om de MH17 en tot een week geleden was iedereen Charlie. Ik betwijfel overigens de ernst van deze zaken niet, maar ik denk dat we het ook kunnen zien als voortvloeiend uit hetzelfde mechanisme waar vanuit onze ideeën voortvloeien; welk idee haalt het nieuws, welk idee is het best aangepast, welk idee overleeft. Welke ideeën wij over 50 jaar zullen hebben of als heel normaal en natuurlijk zullen ervaren weten we nu niet. Maar daarvoor zijn jullie! Gissen, fantaseren en maken zijn de leukste dingen ter wereld en Joost mag het weten!

Technotoop

Geschreven tijdens het symposium ‘Matter of art’, op 7 februari 2015, van MU artspace in Eindhoven. Dit symposium ging over Bio-art, ook wel speculatieve kunst genoemd. In de Bio-art wordt gewerkt met levende materialen. Dit gedicht is dus op die avond zelf geschreven en gebaseerd op de lezingen en presentaties van dat moment.

Als Laurens niet weet wie hij is
Dan weet ik niet of ik hem wel goed zie
Vooral als hij, of om het even wie,
De definitie van de kunst beslist

De aderen van de stad zijn dichtgeslibd
Het lichaam is niet langer meer van ons
Het vet is van de wereld afgesponst
En DNA is ontelbaar keer verknipt

Intuïtie komt van binnenuit
En schimmels zijn om op te eten
Al eeuwen proberen we te vergeten
Dat we altijd kijken vanachter onze huid

We peinzen tot de hersenhemel barst
De lijn van ons tot buitenwereld krimpt
En of je het online deelt of grotendeels verzint
De zebravinkjes twitteren het hardst

Snoozen

Op 29 januari werd ik gevraagd om tijdens de Inspiratiedag van het Startcollege, van de Albeda en Zadkine colleges, een NicoDijkshoorntje te schrijven. Het startcollege is een nieuwe methode en een nieuwe opleiding om jongeren een extra kans te bieden om hun MBO-opleiding af te kunnen ronden, het betreft een opleidingsjaar in zeer basale vaardigheden die noodzakelijk zijn voor hun toekomstige werk. De dag bestond uit lezingen en workshops en vond plaats in het BCN-gebouw in Capelle aan den Ijssel. Later zal ik voor hen, en voor communicatiebureau ‘Het Stormt’ teksten schrijven voor het communicatieboekje en voor het implementeren van deze nieuwe methode.

Ergens in Nederland was er vanochtend een MBO-student waarvan de wekker om zeven uur ging, net als bij mij, en die besloot om nog éven te snoozen, net als ik.
Nu is het niet zo dat de student en ik geen zin hadden, maar het was heel koud in onze kamers en nog acht minuten extra slaap kon toch wel, wat maakte ’t uit.. ach.
Zolang de docent maar niet boos wordt, ah joh, ‘k zie wel!
Maar shit hee! Mij wachtte een leger aan docenten op mijn werk, en ik had geen briefje van mijn ouders.

Het Startcollege; basisvaardigheden voor MBO Niveau-1.
Bij aankomst zien de docenten eruit zoals ik ze ken: veel spijkerbroeken met lerarenschoenen.
Het thema: inspireren en delen. Peter Loonen legt uit: ‘We moeten ons laten inspireren, laten we dat beloven en die belofte waarmaken.’ Dan zegt Peter: ‘De uitkomst van vandaag moet zijn dat we het elke dag een beetje beter doen.’
Ok, dus ik moet geïnspireerd raken en ik moet het morgen al beter doen.
Een man achter me zit hard te zuchten, hij voelt de bui al hangen.
Dan is daar ineens Yvonne van Sark, als zonnevrouw in het grijze BCN-gebouw.
Yvonne lijkt zo’n vrouw die, als haar zoons geen zin hebben, zacht neuriet in het huis, hen een plak ontbijtkoek geeft en zegt: ‘Valt wel mee, hup!’ Onmiddellijk beginnen haar zoons Franse woordjes te stampen. Yvonne vertelt: ‘Intrinsieke motivatie vs extrinsieke motivatie. Deze kunnen niet zomaar bij elkaar opgeteld worden, want, zo blijkt uit een onderzoek: belonen werkt en het plots niet meer belonen werkt averechts.
Minder belonen betekent minder motivatie. Dit alles klinkt als een combinatie van ouderwets conditioneren en ‘positive reinforcement’, dat met dat niet straffen en alleen maar belonen bij goed gedrag. De hedendaagse opvoedkundige methode, waar laatst nog van bleek dat het, hoewel een lucratief model, niet echt wetenschappelijk aantoonbaar effectief is. Maar vooruit, Yvonne heeft een punt: middels de extrinsieke motivatie kun je de intrinsieke motivatie aanwakkeren. Aan de andere kant, dacht ik: hoezo?? Hoezo is dat de taak van de docent? Je bent toch geen verkoper van je eigen vak? ‘Een mens moet toch leven, geld verdienen en aan de slag?’ –Merkt de ouwe knar in mij op: ‘Je maakt maar zin, anders pech!’
Of zitten we, met alle extrinsieke motivatie in een existentiële crisis?
Dan zit ik bij de workshop van Ineke Veerkamp. Haar kleurenvest representeert de kleuren die ze wil representeren. Ik denk na over de zuchtende man in het begin en vraag me af of er ooit, in de geschiedenis der mensheid, één docent is geweest die uitkeek naar de nieuwe ontwikkelingen in het onderwijs? Één man reageert op de naam ‘Twitter’ alsof het de naam van zijn schoonmoeder betreft. Ineens hoor ik iets wat mij verbaast: ‘stagair bij de Albert Heijn’ en ‘assistent van de bediening in een restaurant.’
WAT??
Ik besef ineens hoe weinig ik van dit onderwerp weet. Iemand die de bediening assisteert.. wie is dat dan?
Ik werkte vroeger in een restaurant en had geen assistent, het was gewoon een lollig bijbaantje, voor even.
Ik besef hoe arrogant dit klinkt.
Ik ken helemaal niemand die MBO doet of heeft gedaan, misschien één iemand..?
Mijn vrienden studeren aan de Universiteit, doen vaak meerdere studies en vinden amper een baan. Is het zo’n andere wereld? Nou ja.. mijn vrienden en medestudenten hebben twee masters afgerond en moeten een onbetaalde stageplek aannemen of een trainee-ship. Sommigen kunnen overigens wel een cursus op tijd komen gebruiken en ik ook wel, vooral als het koud is.
Maar.. en dan.. dus.. hoe gaat het leven verder van die leerlingen? Ze moeten zich de 21st century skills eigen maken, want vaste banen zullen uitsterven, de arbeider zou ophouden te bestaan en het concept ‘baas’ zal oplossen in het niets. De fijne ambtelijke baantjes met zekerheid en werktijden tot vijf uur klinken mij al een tikkie ouderwets in de oren.
Jongeren moeten zelf nadenken, autonoom zijn, zoals Yvonne als zei.
Maar, als die jongeren niet weten hoe je je behoort te gedragen op het werk, hoe kunnen ze dan ooit creatieve, autonome en flexibele volwassenen worden? Of ben ik nu te pessimistisch?
Dan in de lunchpauze (zonder bel!): kroketten, koffie en verhalen van een jonge vrouw die vertelt dat ze, sinds ze kinderen heeft, liever all-inclusive vakanties boekt en niet langer backpackt door Zuid-Oost Azië.
Er wordt van jullie verwacht dat jullie all-inclusive docenten zijn. Jullie moeten de studenten motiveren om zichzelf te motiveren, jullie voeden hen half op en jullie zijn in veel gevallen hun laatste kans, zo leer ik van John. John was eerst gymnastiekleraar en nu werkt hij in de kaders van het onderwijs. Hij draagt de leraarste schoenen van vandaag.
Van jullie wordt zoveel verwacht om van jongeren functionerende mensen te maken, het is een enorme taak.
Dat brengt mij bij de workshop van Luc van Hecke: mindfulness en openheid van geest.
Luc doet vrij academisch aan, het zit ‘m in ’t kapsel en brilletje. Een leesbril om zijn nek met aan elke kant één glas. De bril is momenteel ontkoppeld, één glas leeg, één glas full, met een magneetje ertussen voor de energie.
Goed, maar het is wel zinnig in een te hectisch schema. Je moet kunnen ontspannen en om kunnen gaan met een stuiterende klas zonder teveel ergernis.
Ik hoop dat de student die vanochtend, net als ik, nog even op de snoozeknop drukte nu na de pauze op school naar de les is gegaan of naar de stage. Daar schijnt een kloof te zitten: de onderwijs-praktijkkloof.
De bedrijven hebben geen posities voor de leerlingen. Maar waarom is de opleiding er dan? Of gaat het om een soort moderne Melkertbanen?
De woorden die op de PowerPointpresentaties te lezen zijn vandaag doen in elk geval alsof dat wel zo is.
Een greep:
-Gerealloceerd
-Kennisconstructie
-Doelrealisatie
-Werkplekleren
-Laagdrempelige incidentmethode
-Hybride leeromgeving

Taalspel of poëzie?

In elke workshop hoor ik iets nieuws over een volledig nieuw onderwerp, voor mij. Maar er zijn ook patronen en archetypes te ontwaren.
In elke workshop zijn er twee a drie mensen die vertellen dat de workshop leuk en aardig is, maar dat op hún school de situatie toch echt zo is dat ze hier niet eens aan toekomen. Ik noem hen de ‘Nee hoor→bewijs!’-types.
Dit type geeft voorbeelden vanuit hun school en ervaring om hun mening te staven dat wat de workshopleider zegt echt dus niet zo werkt/kan/is, want kijk→één bewijs!
’t Is net alsof ze denken dat de workshopleiders hen wat opleggen. Ach.. klagen is ook lekker.
Dit type ligt dichtbij het type wat zegt: ‘Protocollen? Daar heb ik niks mee.’- met een soort ‘ik kom uit de praktijk dus jij weet dit niet zoals ik’-houding.
Dan is er nog het: ‘Wat?? Jouw methode past niet op die van mij?? Maar.. maar maar.. dan heb jij dus ongelijk!’-type.
En er is natuurlijk het volgende type: ‘Oh maar eh.. ik hou gewoon van praten in tegenstelling tot typen, en eh, die moderne snufjes, daar geloof ik niet in hoor! Dit type schudt z’n hoofd en lacht even een opmerking naar de buurman met een blik van: ‘Ik doe ’t gewoon op mijn manier, doe ‘k al jaren!’
Dit type doet mij nog het meeste denken aan de man die gevraagd worden naar zijn skills als minnaar en dan antwoordt: ‘Nooit klachten gehad’ en daar dan trots bij kijkt.
De tekst in de ballonnetjes boven onze hoofden is toch wel: ‘Nou, valt nog te bezien!’
Deze archetypes, en eigenlijk iedereen en vooral ik ook moeten naar Yvonne van Sark.
Zij straalt de motivatie in de mensen, lijkt nooit te oordelen, is de hele dag vrolijk én ze is beeldschoon.
Nee.. daar kan ik niet tegenop, zij snoozt ’s ochtends niet natuurlijk. Iedereen die zij motiveert stopt acuut met snoozen.
Wat nu? Peter introduceerde mij vandaag met de opmerking dat ik wellicht een app zou maken. Geen idee maar ik wil er best een bedenken. Als we nu een app bouwen waarbij het verkeer/ de file/ vertraging/ loopafstand gekoppeld wordt aan de wekker en de snooze-mogelijkheid. Nouja, Yvonne is die app, Luc is die app.
Jullie zijn dat zelf: de anti-snooze app!

Funeraire Academie

Door de Funeraire Academie ben ik gevraagd om voor en tijdens hun Expertmeeting teksten te schrijven op basis van hun thema. Het symposium had als thema: ‘Fundamenten van Ritueel: Taal, Handelen, Ruimte en Tijd’ en vond plaats in het Crematorium Tilburg op 18 september 2014 waar een nieuwe aula geopend werd. De Funeraire Academie is een organisatie waar de praktijk (Uitvaartondernemers en ritueelbegeleiders) en theorie (hoogleraren religiewetenschappen en Het Nederlands Uitvaartmuseum) elkaar ontmoeten, zij doen onderzoek en denken na over de ontwikkelingen binnen de uitvaartindustrie.
Ik heb de eerste twee gedichten van te voren geschreven, de laatste tekst in dit rijtje is het Nico Dijkshoortje van die dag.

Kleine doodsangst

Als ik dood ben,
ga ik niet naar gene zijde,
ik blijf keurig op mijn plaats.
In nette jurk gehesen blijf ik liggen
en verroer geen vin.
Geen andere kant
Geen overgang
Geen: ‘Deze is voor jou, Es!’
Alleen mijn ene gezichtsuitdrukking
met een twijfelachtige schouderophaal: ‘Meh.’
Mijn voeten, in schone witte sokken,
rusten op een blokje, mijn bed thuis blijft leeg.
De rundervinken blijven onaangeroerd
op mijn gaspitje staan.
De planten op mijn vensterbank
zijn de enigen die veranderen.
Geen grote woorden
Geen verborgen anekdotes
Vooral geen stoffige meneer
die iets zegt over hoe ik naar een goede plek ga,
hoe mooi en betekenisvol dat allemaal is
want daar is dan niets van waar.
Ik blijf.

Verwarder door Yarden

De mevrouw in een Yardenpak
Somt op wat hem zo bijzonder maakte.
Zijn broer vertelt een herinnering
van toen hij vier was en nog de kleine broer.
Zijn vrouw draagt een gedicht voor
gevuld met metaforen.
De mevrouw in een Yardenpak
schuift haar Yardenspeldje recht.
Een jeugdvriend vertelt over die
ene keer met die rare buurman.
Zijn baas vertelt over een gat
waar men nu in valt.
De mevrouw in een Yardenpak zegt
dat het jammer is dat ze hem nooit heeft gekend.
Ik denk dat je zo nooit geweest bent.
Ik ken die verhalen niet
van die bal toen op dat dak,
of van de innige gesprekken vroeger
om half vier s ‘nachts.
Nooit was ik je broer, zus of echtgenote
zelfs niet je beste vriend.
Nooit was ík daar toen je die hele
belangrijke keuze maakte in je studententijd..
of bij je huwelijk.
Je was er gewoon, je was mij zeer dichtbij.
Nu ga je de oven in.
Jij warm, ik verkleum, ook hier word ik buitengesloten.
Ik ga naar de wc met een Yardenbordje op de deur,
drink koffie met een Yardenlogo
twee slokjes diep in ’t kopje verstopt.
Zoals je voor mij bent in herinnering:
De vrolijke baard met vrije geest,
verf op de blouse en in gedachten,
zo word je daar niet weggerold,
op het railsje, de vlammen in.
Nog net spelt het vuur geen ‘Yarden’. Poef!

Over de doden niets dan koffie

Ik pak een kopje koffie van het dienblad en denk:
‘Als ik er ben is de dood er niet, als de dood er is ben ik er niet.’
Epicurus had het goed bekeken, het is de bezwerende zin die hem zo beroemd heeft gemaakt. Het lijkt een cliché, maar op mij heeft de uitspraak nooit een lege indruk gemaakt, hij blijft mij geruststellen. Zo ook de ideeën van Plato, hij liet Socrates de woorden spreken: ‘Als filosoof is het leven zelf een oefening in het sterven, de ware filosoof heeft geen aanleiding om bang te zijn voor de dood. Het lichaam is eerder een last en de dood een bevrijding.’
Ik denk dat het lichaam-geestonderscheid een onzinnig onderscheid is, maar de idee dat de filosoof voornamelijk van het lichaam af wil vind ik wel geruststellend.
(Overigens: als u filosofen wil zien met veel geest en amper een lichaam dan raad ik u aan om rond te lopen op de faculteit Filosofie, veel docenten en professoren daar slepen hun lichaam slapjes achter hun geest aan.)
Wellicht niet hier-en-nu genoeg voor Hester Macrander (Uitvaartspreker), maar voor mij nog geen cliché. De anti-ritueelsentimenten van Hester Macrander, en enkele andere ritueelbegeleiders die een lezing geve, roepen vragen bij mij op als: Is het omgekeerde van een ritueel niet nog steeds heel erg een ritueel? En: Is het woord ‘authentiek’ in een omcirkeld schema niet het omgekeerde van authentiek? In de pauze leg ik mijn vragen voor een Jan Renkema (hoogleraar taal aan de Uvt) en hij knikt.
Ik word juist zenuwachtig van woorden als: ‘authentiek’ en ‘oprecht’, ‘gevoel’, en zinnen als: ‘emotie in de taal’ en ‘taal moet communiceren!’
Want, denkt mijn nerdengeest dan: Hoe kan taal nou niet communiceren?
Misschien beter of minder goed maar emoties zet je om in taal en dus communiceer je per definitie. Je kan toch niet spreken zonder te communiceren??

Het mooiste aan taal rondom de dood vind ik dat je de doodsangst kan bezweren.
Dus rijst bij mij de vraag: Ben je na een uitvaart juist banger of minder bang voor de dood? Hoe maak je mensen minder bang? Taal en handeling heeft op iedereen een andere uitwerking, net als de filosofie. Sommigen worden gek er gek van en ervaren een eindeloze, bodemloze, regressie terwijl ik in die uitspraken van Plato en Epicurus juist geruststelling en herkenning vind; dat men al duizenden jaren dezelfde vragen stelt maakt mij minder eenzaam, bevestigt dat ik niet knettergek ben en maken mij ook bescheiden. Want wat is er nu minder origineel dan geboren worden en sterven?
Die: ‘We doen het allemaal’-attitude is denk ik wat en uitvaartritueel behelst.
Allemaal bezig zijn met de dood, allemaal onze eigen sterfelijkheid nog eens overdenken. Maar zijn we dan aan het einde van de middag blij dat we allemaal doodgaan of kijkt u naast zich en denkt u: ‘Nou, hij liever dan ik!’
Tijdens een lezing over het ontwerpen van een crematorium zegt iemand achterin de zaal dat een cirkel de meest democratische vorm is. Maar, stel ik mij voor, dan zit je ook steeds naar je demente oudtante te kijken.. ’zal zij de volgende zijn? Misschien maar ’t beste..’

Wat mij opvalt op deze dag, en wat bij meerdere lezingen langskomt, is het grote onderscheid dat er gemaakt wordt tussen het gevoelige ritueel en het plechtige traditionele ritueel. Het eerste wordt dan vandaag geduid als gevoelig en het tweede als gevoelloos of afstandelijk.
Het nadruk leggen op iemands leven en lichaam wordt dan gevoelig, het plechtig en algemeen spreken over de dood is dan koud en gedateerd en vooral ver verwijderd van de individuele rouwbeleving. Het is een veelgehoord onderscheid: emotie vs. ratio, maar wat houdt het in?
Dan komt Paul Post (hoogleraar religie aan de Uvt.), met zijn haast onomatopeïsche naam: Paul Post, zijn woorden schieten net zo raak als de p’s in zijn naam!
Als dat onderscheid gevoel=beleven/plecht=gevoelloosheid een juiste is dan is de enorme hoeveelheid stille tochten, gedichten en tranen om de MH17 dus hét summum van gevoeligheid.
Mijn familie is Joods, maar niet religieus, en ik ben opgegroeid in Amsterdam. Dode Joden gaan vaak het liefst nog dezelfde dag de grond in, er is geen tonen van het lichaam want eindig in tegenstelling tot de ziel, enzovoort.
Dit zou dan dus als heel koud en afstandelijk gezien kunnen worden, maar iedereen staat stil bij de tijdelijke dood (totdat de Messias komt).
Toen ik in Tilburg ging studeren zag ik voor het eerst opgebaarde lichamen, opa’s en oma’s van vrienden en kennissen. Dit kende ik wel, maar alleen uit documentaires over vroegere pausen. Deze mensen wilden katholiek of traditioneel zijn, of daar nog een lichte band mee behouden. Ik begreep niet waarom dat lichaam dan zo belangrijk geacht werd, dat is het voor een Christen toch helemaal niet als de ziel onsterfelijk zou zijn?
Ik zag wel dat de licht katholieke uitvaarten ruimte biedt om voor iedereen afscheid te nemen zoals zij prettig vinden.

Bij de MH17 voelde ik mij erg gedwongen tot groepsrouw, enkele weken na de groepsvreugde van het WK voetbal. Het voelde bijna alsof ik niet in mijn eentje mocht mijmeren, en mijn vraagtekens jegens stille tochten werden gezien als een uiting van respectloosheid. Ik kan mij zo slecht voorstellen dat je tijdens een stille tocht daadwerkelijk iets aan het voelen bent dat met die MH17 te maken heeft.
Voel ik minder als ik niet in een groep voel?
Als het emotie/anti-emotie onderscheid standhoudt dan is de Orthodox Joodse begrafenis erg ongevoelig en onpersoonlijk. Ik zou zeggen: wel onpersoonlijk maar niet noodzakelijk ongevoelig. De plechtigheid biedt van binnen ruimte voor je eigen gedachten, juist door de kaders die gesteld worden.
De dood geldt voor ons allemaal, ik ga niet doder dan een ander. Uw dood is mijn dood, of is dat te afstandelijk?
Ach, vandaag is ook een ritueel, met afgesproken gebruiken en handelingen. We zijn allemaal onze eigen kleine Yarden, Dela en Monuta.
Ik voel mij.. Dorstig. De ovenruimte was nogal warm.
Ik drink twee slokjes koffie en zie geen Yardenlogo in mijn kopje. Ik drink verder en verder, als het leven zelf, en verder en dan.. is er niets, of.. koffiedik kijken?

Ik coach me een ongeluk

Door LOB (Loopbaan Oriëntatiebegeleiding voor het MBO) ben ik gevraagd om een tekst te schrijven tijdens hun landelijke dag op 17 juni 2014 in het Spoorwegmuseum te Utrecht.
De dag, in de vorm van een conferentie, was bedoeld om de directeurs, docenten en ander onderwijspersoneel op nieuwe ideeën te brengen voor het onderwijs van de toekomst. Het vertrekpunt was het probleem dat de jongeren van nu worden opgeleid voor banen die in de toekomst niet meer zullen bestaan. Hoe om te gaan met de toekomst?
Op de conferentie sprak Ruud Veltenaar, filosoof en zelfbenoemd ‘bevliegeraar’, om het publiek te wijzen op wat ons mogelijk in de toekomst te wachten staat en van welke ouderwetse ideeën we af moeten. De presentator van de dag was Richard Engelfriet.

Zijn we klaar voor de toekomst? Met die vraag begint de dag.
De meneer met het mooie rode overhemd onder het zwarte colbertje, die geen naambordje draagt (heel goed!), vindt dit een retorische vraag. Hij heeft een punt, de vraag is niet goed te beantwoorden.
Als je inziet dat ‘we’ nog niet klaar zijn voor de toekomst, dan betekent dit dat je dus ongeveer weet wat ons te wachten staat en dus ben je in feite beter voorbereid op die toekomst dan iemand zonder mening. En, uiteraard, als je ons wel voorbereid acht op de toekomst, dan ben je dus van mening over genoeg informatie te beschikken om dit te kunnen beoordelen.
Terwijl filosoof en bevliegeraar Ruud Veltenaar (toch de Pierre Wind van de filosofische keuken) tegen ons spreekt over de ‘comfortzone’ en ‘where the magic happens’ , ontstaat er een nieuwe stroming: De culinaire Filosofie.
Ruud neemt een zaadje, plant het in ons hoofd, dan groeit er een kokosnoot uit en vervolgens helpt dit ons uit de comfortzone. Ja, als mijn hoofd uit elkaar spat ben ik wel uit de comfortzone.
Ruud wil ons de comfortzone uit helpen, waar we inzitten mede door onze angst waardoor we de realiteit troebel zien en de dingen niet goed op waarde schatten. Ruud in zó’n bevliegeraar, ik stijg zowat op, mij vastklampend aan het laatste strikje van de vlieger.
Maar, Ruud heeft onder zijn filosofische koksmuts wel uitspraken zitten die nogal atypisch zijn voor filosofen.
Ruud is een filosoof die weet waardoor we de realiteit troebel zien (daar is drieduizend jaar op gezwoegd door de denkers), hij weet hoe je de waarom-vraag kan beantwoorden en hij weet waar de comfortzone zit en ‘where the magic happens’. Onthoud: altijd zo’n vijf centimeter linksboven je hoofd in een krijtcirkel.
Ik studeer filosofie en dus spitsen mijn oren zich meteen zodra een filosoof spreekt. Want, wat ik zo verraderlijk vind aan termen als ‘uit de comfortzone’ is dat het zo ín de comfortzone klinkt.
Ruud Veltenaar geeft ons het advies om elke dag iets voor het allereerst te doen, hijzelf doet elke dag iets wat hij nog nooit eerder heeft gedaan. Maar, denkt de baardplukkende filosoof in mijn hoofd, als je altijd dingen voor het eerst doet, doe je dan ooit iets echt voor het eerst? Zit je dan wellicht niet juist in je comfortzone? Want, wie weet ben je dan wel zó bang om in een 1.0 situatie of comfortzone -of noem het hoe je wil- te zitten zonder meerwaarde, dat je juist in de zone zit die ‘t meest comfortabel is..?
Mijn waarschijnlijk iets té kritische houding komt ook voort uit de ‘trendtelling’ woorden en uitspraken. (Moet ik dat ‘telling’ van Ruud overigens Engels of Nederlands opvatten? Telt hij de trends of is hij iemand die ons ‘tells about trends’?) Ik sta in het programma aangekondigd als een ‘ludieke’ afsluiter. Zodra iets als ludiek wordt bestempeld dan is ‘t vaak het omgekeerde van ludiek. Zo is ‘spontaan’ de minst spontane manier om spontaniteit te verwoorden.
Een aantal andere termen en uitspraken die langskwam: -Bewustzijn creëren. Maar.. hoe doe je dat dan? Een kind maken?
– Coach. Mijn moeder belde mij laatst nog gierend van het lachen op omdat ze een hypotheekcoach toegewezen had gekregen. Vond ze absurd.
Goed, het moge duidelijk zijn dat de pessimist, of voorlopige realist volgens Veltenaar, in mij ruimschoots aanwezig is.

Ik ben zelf nog student aan de Uvt en vanaf september hopelijk in Rotterdam of Leiden.
Het probleem wat het vertrekpunt vormt voor deze conferentie zie ik veel om mij heen: studenten die, met dubbele master, cum laude zijn afgestudeerd vinden geen werk. We worden nog opgeleid voor banen die niet zullen bestaan. Gelukkig heeft ‘filosofie’ nooit garant gestaan voor werk dus voor mij zal de schok minder heftig zijn. Het labyrint dat onderwijs heet lijkt soms verdomd veel op het vertrekbord achter de bar, wat daar nog als analoog residu uit een ver treinverleden hangt: ik wil naar Hannover, maar ehm.. Hannover, Hannover Hannover Gouda en dan via Duivendrecht om zes over een of ander uur. Iets loopt vast en is stug, daar is iedereen ‘t over eens.

De dames en heren hier, die mij veelal doen denken aan de lievelingsconrector die je wel eens matst als hij of zij weet dat je dat biologieproefwerk toch wel haalt. ‘Maar’, zegt de conrector dan, ‘Volgende keer moet je wel nablijven’
De dames en heren vormen kringgesprekken om hun gedachtes op papier te zetten in de vorm van boodschappen. Ze hebben boodschappen voor Jet Bussemakers, zichzelf, het project en de collega.
Een kleine greep uit de kreten op de flip-overs:
-Terug naar de basis, meer aandacht voor het kind
-Leven is het meervoud van lef
-Hoe sluit je aan bij de student?
-Leg de lat hoger, dan hoeven we minder te bukken
-Handel vanuit ervaring!
-Praktisch en concreter wordt nóg beter!
Ok, dus aan de ene kant hyperconcreet en op het randje van open-deur, maar soms wat abstract en vaag.
Aansluiten bij de student bijvoorbeeld. Iedereen wil wel aansluiten bij de student en het lijkt een concrete uitspraak maar juist het HOE is misschien minder concreet dan het klinkt. Het gesprek daarover is bij uitstek een abstract gesprek.

Ik sluit mij aan bij een van de kringgesprekken. Opvallend veel vrouwen met strakke broeken, peper in de reet dus! De gespreksleidster, Christa, vertelt over 2025: ‘Geen verwondering verwerven, maar verwondering verweven.’
2025: nog 11 jaar. 11 oud-en-nieuw’s, 11 koningsdagen, nog 109 keer ongesteld en nog 109 volle manen. En dan? Een hele knappe dame die mijn moeder zou kunnen zijn is de professionalisering zat. Een andere knappe dame die mijn moeder zou kunnen zijn heeft een IPad en houdt ‘m op schoot alsof het een krantje is. Zij is het al!! Het gemak van de verandering, je kan niet anders dan mee veranderen en je bent al aan het veranderen!
Ineens moet ik denken aan de Griekse mythologie en -kwellingen. In het bijzonder de Sisyfusarbeid en Tantaluskwelling en ook aan de fabel van Buridanus over de twee geketende ezels. Die fabel gaat zo: Er zijn twee ezels en links en rechts van hen staan twee bakken water. Ze kunnen net niet bij die bakken om eruit te drinken, ze zullen moeten samenwerken: eerst naar links en dan naar rechts. Zullen ze dit kunnen oplossen?
Deze fabel stond regelmatig op tegeltjes afgebeeld in oude fabrieken voor een goed arbeidsethos.
Wat zou de LOBmythe kunnen zijn?
Het grit, raster, dat aan het plafond hangt zou op ons kunnen vallen. Iedereen zit dan rond de middel vast in zijn eigen vierkantje, als ze voor of achter beginnen te trekken dan valt de rest om. Beroepsoptimist en presentator van de dag Richard Engelfriet maakt nog een grapje over ‘niet op het goede spoor zitten in het spoorwegmuseum’ en achterin hoor je wat mensen kermen.
Ruud Veltenaar de Bevliegeraar zegt dat rollade heel goed is voor het uit je comfortzone stappen en ineens hebben jullie het!
Iedereen een stap naar links, dan een naar voren, links, voor, links, voor, links twee drie vier mars twee drie vier. Jullie knallen de deuren omver, niets houdt jullie tegen. Ruud de bevliegeraar roept ‘TJAKKA! KNALLEN!’, en jullie knallen de wijde wereld in. Ieder z’n eigen hokje, ieder z’n eigen ideeën maar altijd samen.

Veel inspiratie toegewenst maar gebruik iets minder tuttige woorden, borrel ze!