Een dag in het leven van Jasper Mikkers

Op 2 juni 2013 werd de 65e verjaardag van Jasper Mikkers en de uitgave van zijn nieuwe bundel gevierd in jazzpodium De Paradox te Tilburg. Ik was gevraagd een hommage aan Jasper te schrijven.

Loofdier. Waar ben je, loofdier?
Zit je tussen de bladeren?
Kom dan uit de bladeren, loofdier, joehoe!
Ik word wakker.

Ik strek mijn benen en wiebel mijn tenen. Nog alle tien, nog niet vergaan.
Ik sta op.
Ik staar uit het raam en zie een oude vrouw, in een jonge roze jas, met een klein hondje. Ik onthoud dit beeld.
Ik zet koffie, laat het even pruttelen. Ik was mijn gezicht, ik was de groeven van mijn gezicht af. Ik poets mijn tanden met mijn rode tandenborstel. Ik pak een overhemd, die bordeauxrode, knoop van onder naar boven. Knoop één, knoop twee, knoop drie , knoop vier, knoop vijf, knoop zes, knoop zeven, knoop acht. Ik maak knoop acht en zeven weer los zodat ik kan ademen. Ik doe een zwarte, redelijke losse, broek aan en rode schoenen.
Ik giet de koffie in een klein kopje, zo heb ik meer koffie. Ik roer, leg het lepeltje ernaast, neem een slok, pak het lepeltje weer op en roer fiks in het kopje zodat het schuim even blijft tollen en ik het met mijn lippen kan stilleggen. Ik loop naar mijn werkplek en zet de computer aan.
Ik lees iets op het internet over Cees van Raak en grinnik er een beetje om. Ik moet die ouwe viespeuk weer even bellen voor een koffie.
Ah, het artikel over Anton Dautzenberg en ik als duo-stadsdichter staat op een site, goed, we zullen zien.
Misschien moet ik mij toch scheren, maakt me dat jonger? Ik zie steeds meer jonge mannen met baarden, ik scheer mij maar niet.
Ik pak mijn pen en mijn werkblok en begin aan een gedicht.
Het gaat over hoe een oudere vrouw een jong roze vel omslaat en rijen hakken in haar kast verstopt, zoals de bast van een boom haar jaarringen verbergt. Over hoe ik haar pijnlijke, beurse voeten wil kussen tot ze weer teder en mals vlees zijn.
Hoe ik haar om haar verstopdrang juist liefheb en ik haar nooit zal betrappen.
Aan dit gedicht zal ik nog minstens vijf keer schaven.
Ik besluit weer iets op te sturen naar Hollands Maandblad. Zal ik het gedicht ‘Hotelgast’ sturen over die franse maîtresse in bad die niet kan zwemmen? Of ‘Kanten Linten’, over dat jonge meisje op het strand wat net te ontwikkeld is om zonder bovenstukje te poedelen?
De redacteur vindt het altijd mooi als er iets sijpelt in het gedicht, het liefst vocht.
In beide gedichten zijn de vrouwen nat en beiden hebben schuim tussen de benen.
Ik stuur ze allebei maar op.
Mijn e-mail piept. Een e-mail van Thomas Verbogt, hij wil mijn advies.
Het gaat over een meisje op de Toneelacademie in Maastricht, waar hij net een blok ‘schrijven voor performance’ heeft gegeven. Na de performances bleken de hoofddocenten niet onder de indruk van haar performance, terwijl hijzelf specifiek gecharmeerd was van haar teksten en fantasie. Thomas wil weten wat ik zou doen en in hoeverre hij moeite moet doen om de docenten te overtuigen.
Ik schrijf hem dat hij haar moet koesteren.
Iemand overtuigen is te vermoeiend, laat mensen er zelf achterkomen.
Inzicht kost nu eenmaal tijd.
Ik ga een koffie drinken met mijn toch wel vriend Cees van Raak.
We praten over poëzie en Cees is zich, zoals meestal, al bij voorbaat aan het verdedigen tegen een argument wat ik niet plaats. We eten er ook een broodje rosbief bij.
Cees eet zoals hij schrijft: To the point, kort en met een clue.
Ik vouw mijn vlees liever. Zorgvuldig met mes en vork om daarna met de handen zoveel mogelijk vlees per centimeter brood te proeven. Cees en ik waarderen elkaar maar het is ook een nostalgievriendschap, we kennen elkaar nu eenmaal lang.
Ik reken af en koop onderweg naar huis een goede fles wijn voor de vrouw waar ik vanavond blijkbaar mee slaap en ga weer aan het werk.
Ik schrijf een gedicht over nostalgie naar de Brabantse moederschoot. Over het natuurlijke terugverlangen en over hoe drank dit nabootst. Mijn mobiele telefoon piept, een sms’je, een sms’je van Esther. Of we volgende week weer zullen eten, sushi?
Ik stuur terug dat sushi mij te rauw is en dat ik vind dat het mooie gezelschap meer aandacht moet krijgen dan het eten.
Zij stuurt terug: ‘Meesters?’ Meesters. Ik ben toch wel verliefd op haar.
Als we afspreken praten we over mooie dingen; reizen, de liefde, over onzekerheid en over hoe je onoprechte taal kan signaleren. Ze is het mooist met haar zwarte golvende haar los. Ze eet zoals ze praat: Hongerig.
Terug naar de moederschoot. Ik schrijf de laatste twee strofes. Over hoe de moederschoot je hongerig wil verorberen, hoe het hele leven juist een verlangen weg van die schoot is, en hoe drank dit ook nabootst.
Ik leg mijn pen neer en open mijn zesde en vijfde knoop van mijn overhemd ook.
Tijd voor blote vrouwen. Ik Google ‘Hairy pussies’, van Cees geleerd, en druk op ENTER.
Dan rinkelt mijn huistelefoon. Anton. “Mijn Limburgse broederschoot!”, roep ik. Hij vraagt of ik zijn verhaal al heb gelezen over twintig jaar opgekropte fantasieën van een non uit Limburg en hoe die non na het verlaten van het klooster een zeer rechtse politica werd. Ik zeg hem dat ik het een spannende ontwikkeling vind hebben en dat het een goede mep is tegen het conservatisme in het algemeen, lekker, maar dat de voetballiefde van de non in het begin wellicht iets te komisch kan overkomen. Maar het is weer brutaal, en dat is goed. Anton vraagt of ik vanavond op tijd bij de literaire avond zal zijn. Ja ik zal op tijd zijn. Esther zal er ook zijn. Anton begin over haar geile kuiten. Ik vind haar billen mooier. Kuiten, nee billen, nee kuiten, billen. Goed, ik zie je daar.
Geen tijd meer voor hairy pussies, ik moet mij voorbereiden.
Ik pak twee bundels, schud mijn haar, dicht knoop vijf en zes weer en zet een pannetje tomatensoep op. Ik schenk het met dubbele theedoek zachtjes in een kom. Ik doe er een lepel mascarpone in en roer fiks zodat het tolt en mijn lippen het tollen stilleggen.
Nog één keer schud ik mijn haar, neem de fles wijn mee voor de vrouw waarmee ik ga slapen, en ik ga naar het podium.
Op straat zie ik te oude vrouwen naar mij lonken. Ze verbergen niets, ik kan ze niet liefhebben. Ze zijn te vanzelfsprekend met hun kousen en hun hondje.
Bij het podium zie ik Esther, Anton en Thomas. Esther heeft haar haren los en een strakke rok aan. Anton lijkt gelukkig te zijn, Thomas omhels ik gretig.
Esther begint met voordragen. Hèhè eindelijk iemand die geen namen van andere schrijvers in een tekst verwerkt.
Ik heb haar vanaf het begin gesteund, ik zag het meteen.
Iedereen heeft iets voorgedragen waar liefde uit blijkt voor taal en voor gemeende beschrijvingen. Na afloop geef ik Esther een cassis en ik zeg dat ik het mooi vond en vurig. Ze omhelst mij. “Heerlijk die borstjes tegen mij aan”, zeg ik. Esther vindt deze opmerking vies. Ik zeg haar dat ik het wel meen, dat ik heus verliefd ben op haar maar ook weet dat een man als ik geen kans maakt. Esther vindt dat ik mal doe, mijn neushaar moet knippen en dat ik op moet houden. Ik zeg haar dat ze mooi is nu en meestal wel, dat ze bijna dierlijk beweegt. Ze vraagt of zij mijn loofdier is. Ik antwoord dat dit zou kunnen. “Welnee, Jasper, jij bent gewoon mijn vieze lievelingsoom, toch?” En ze dartelt verder, nippend aan haar cassis.
Vieze oom..
Ik omhels iedereen even lang en verlaat het podium. Ik open knoop zes en vijf nog eens en loop naar de vrouw waarbij ik zo ga slapen. De mysterieuze vrouw waarmee ik slaap.
Mijn sijpelende vrouwenbladeren. Kom maar tevoorschijn, kom maar, mijn loofdier.

Een gedachte over “Een dag in het leven van Jasper Mikkers

  1. ad haans

    Eindelijk heb ik me eens wat uitvoeriger over je werk kunnen buigen, Esther, en ik wil je daar iets van laten weten. Toen je ‘Een dag in het leven van Jasper Mikkers’ voordroeg was ik erbij en was ik al gecharmeerd door de losheid, gevatheid en ondeugendheid van de voordracht. Bij herhaalde lezing zag ik pas dat je een titel van Jaspers ‘Eeuwigheid als ontbijt’ hebt gebruikt als aanhef. Dat je je tekst daar ook mee afsluit, geeft een mooie cyclische bouw. Je laat Jasper aan het begin zijn loofdier roepen en ook weer aan het eind, net nadat hij in gedachten vertoefd had bij de vrouw waarmee hij gaat slapen. Je tekst vertoont humor, inlevingsvermogen en geestige karakteristieken, soms een beetje boosaardig en vilein, maar altijd leuk. Ik vind het ook heel grappig hoe je jezelf ten tonele voert in de gedachtengang van Jasper: ‘Ze is het mooist met haar zwarte golvende haar los. Ze eet zoals ze praat: hongerig.’ Het wordt heel grappig en heel ondeugend als je Jasper en Anton laat redetwisten over je kuiten en je billen. Het hoogtepunt van stoute geestigheid bereik je in de zinnetjes; “Esther begint met voordragen, Hè, hè, eindelijk iemand die geen namen van andere schrijvers in een tekst verwerkt’ en in wat daarna komt: de avances van de ‘vieze oom’. Ik heb genoten van je tekst, Esther, maar poëzie zou ik het niet willen noemen.

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>