Wiskundigen langs de sloot

Op 16 november was ik gevraagd om een Porcelijntje te schrijven bij een dag over cultuuronderwijs voor leerkrachten (basisonderwijs) van de Nutsscholen in Breda. Deze dag stond geheel in het teken van cultuuronderwijs, het belang daarvan maar ging ook over hoe dit het beste aangepakt kan worden. De Nieuwe Veste en de Cultuurwinkel Breda hebben een plan hiervoor opgezet en alle leerkrachten kregen workshops en lezingen over het belang van cultuuronderwijs en de meest recente onderzoeken over hoe kinderen leren.

Juffen en meesters kunnen zich vaak goed inleven in kinderen en je weet zeker dat er juffen in de zaal zitten als er heel hard ààààhh geroepen wordt bij een filmpje van een leeuw die op het punt staat een klein zebraatje op te peuzelen. Als vervolgens iemand Mark Mieras een vraag stelt: ‘wat zou u doen als u minister van onderwijs was?’ en ik hoor een dame naast me in de zaal onverhoopt: ‘zou zijn’ corrigeren, dan smelt ik een beetje.
Onder juffen en meesters, zoveel is duidelijk.
Wetenschapsjournalist en natuurkundige Mark Mieras geeft een zeer interessante lezing en is de eerste spreker van zijn soort die ik eindelijk eens heb horen zeggen dat het concept ‘out of the box’ stiekem best ‘in the box’ is.
Hij vertelt ons over hoe het brein leert, zo blijkt dat de retorische methode eenvoudigweg minder goed werkt omdat je door die gesloten vragen de kinderen onzeker maakt waardoor het leren juist geremd wordt. Kinderen gaan er dan snel vanuit dat ze iets niet weten en niet kunnen en dat komt dan, vaak onterecht, niet meer goed. Kinderen moeten leren fouten maken en ook leren dat het maken van een fout je niet hoeft te ontmoedigen. Uitproberen, opnieuw uitproberen en daardoor creativiteit ontwikkelen. Die creativiteit is zeker ook belangrijk omdat er door de snel ontwikkelende automatisering weinig andere belangrijke tools, dan creativiteit, zullen overblijven op de arbeidsmarkt.
Terwijl ik naar de hersenen op het kussentje kijk (rekwisiet van Mark Mieras) denk ik: ja, maar niet iedereen hééft hersenen op een rood kussentje van velours. Hoewel alle assertieve bakfietsmoeders natuurlijk overtuigd zijn van de onwaarschijnlijke hoogbegaafdheid van hun Sem of Sep, is Sem misschien een heel gewoon jongetje en misschien ook niet zo ontzettend creatief. Wat gebeurt er later met Sem? Want ok, stel dus dat alle scholen het zo aanpakken als Mark wil en zoals de Cultuurwinkel heeft bedacht, en creativiteit wordt ten volste ontwikkeld, dan nog houd je verschil. Dan is Yassin enorm creatief en later hoofd van de afdeling ‘teleporteren’ bij Google, en arme Sem is in verhouding nog altijd minder creatief dan Yassin. Straks krijgt Sem ook nog een burn-out omdat hij altijd te horen heeft gekregen dat ‘iedereen bijzonder is’ maar later dan blijkt dat hij dus precies even bijzonder is als de grootste groep.

In de pauze kijk ik eens goed om me heen. Wat meteen opvalt is de grote hoeveelheid zo nét nonchalant gekamd haar en er is sprake van veel lange – over de billen – T-shirts, donzige lange vesten en van die schoenen die zeggen: ‘ik ben artistiek maar ook stoer en het moet wel ook lekker zitten.’
Buiten spreek ik Hilde, de juf die de man met de vraag stiekem corrigeerde. Hilde is echt zo’n no-nonsense type: kordaat, duidelijk en liefdevol. Ze vertelt dat haar kinderen gek worden van haar taalkundige verbeterdrang en dat ze eerst in de zorg werkte maar de processen haar daar te traag gingen.
Hilde is zo iemand die een kind binnen vijf seconden kan troosten . Zo iemand waar je altijd naar luistert en ook altijd naast wil zitten. Aan Hilde durf je wel te vertellen dat je in je broek hebt geplast, ook nu nog. Ik durf te wedden dat als ik nu in mijn broek zou hebben geplast dat Hilde mij aan de arm zou nemen en zelfs een schone broek in haar tas zou hebben, zo is ze.

Je juffen en meesters zijn de eerste waarop je verliefd wordt als kind, of ja..verliefd..
Ook vandaag zijn de meesters zulke types: Sportief (soort van) en vrolijk en zoals die papa’s in de speeltuin die het leukste meedoen. Van die frisse mannen met gympies en een glimhoofd en vandaag ook één enkele hippe dandy.
In de Lutherse kerk zijn twaalf juffen aan het dansen op ‘twee emmertjes water halen’, en iedereen doet mee. Een willekeurige groep andere mensen zou dit maar raar vinden en stom. Jullie niet, jullie vinden niks gênant en raar.
Ik dagdroom even en denk aan de wereld waarin jullie werken. Een wereld vol kralen, vormpjes, kleurpotloden, ’t kofschip, vulpenvullingen, buitenspelen, kneedgum en rode krullen op het huiswerk. Zo heerlijk als dat klinkt, zo taai kan het zijn. Ik ben geen juf maar ik geef sinds begin dit jaar wel workshops schrijven in Rotterdam, ook op basisscholen. De afgelopen weken gaf ik een workshop ‘griezelverhalen schrijven’ aan groepen 5-6-7. Ik kwam op de meest uiteenlopende scholen: van montessorischolen waar de Luca’s en Sofie’s vroegen om een extra vel papier omdat ze ‘nog een hoofdstuk wilde schrijven en de personages verder wilde bedenken’, tot hele klassen die de taal amper beheersten en nog nooit een verhaaltje hadden geschreven. Die grote verschillen zag ik ook bij leerkrachten. Van enthousiast en voldoende gesteund door school tot en met schreeuwende juffen die mij verzekerden dat dit een rustige middag was omdat maar vier kinderen gevochten hadden.
Ik kreeg zoveel ontzag voor jullie vak en zag ook hoeveel invloed de school zelf heeft op de werksfeer en de ontwikkeling van de kinderen.
Op sommige scholen doen ze weinig creatiefs waardoor ik, als bezoeker, van 9-jarigen de vraag krijg: ‘waarom moeten we dit doen?’ Terwijl ze volgens mij iets super leuks mogen doen: hun fantasie gebruiken.
De grote tweedeling in de maatschappij begint echt al op de basisschool en die enorme verantwoordelijkheid dragen jullie. Daar ben je dan mooi klaar mee. (En dan hebben we het lerarenregister nog niet eens besproken vandaag).
In de smartlappenworkshop wordt dan ook veel gerefereerd aan het grijpen naar de fles.

Ook in de presentatieworkshop wordt door iedereen enthousiast meegedaan. Jullie hebben de kinderlijke onbevangenheid behouden, of het vermogen om gewoon ergens in te duiken en wel te zien wat er gebeurt. Plezier te hebben en om jezelf te kunnen lachen, of misschien zijn jullie precies daarom leerkracht geworden.
Ik koester zelf hele fijne herinneringen aan mijn basisschooltijd op een montessorischool. Mijn liefde voor taal is echt grotendeels te danken aan mijn onderbouwjuf Renate en mijn bovenbouwmeester Ronald, die mij ’t kofschip zo grondig heeft geleerd dat ik zelden tot nooit een dt-fout maak. De toneellessen op die school gaven mij zelfvertrouwen en elke woensdagmiddag orkestje in de klas. Het is dan ook opvallend dat een groot deel van mijn oude klas in de kunsten en aanverwanten is gaan werken.
In de Lutherse kerk hangt een kunstwerk aan de muur, een moderne variatie op een kruis, met de tekst: de liefde zoekt zichzelf niet.
Daardoor denk ik: de creativiteit verveelt zich niet.
Zoals Mark ons aan het begin een neuraal netwerk toonde, kijk ik nu naar de samenleving als de hersenen op het rode kussentje. De kinderen zijn de neuronen en jullie de paden die de informatie overdragen en die goed gelegd moeten worden. Cultuur is dan de neurotransmitter.
Ik heb de bevoegdheid niet maar anders zou ik jullie vandaag een echte mooie rode juffenkrul geven. Jullie maken de generatie van de toekomst klaar voor een wereld waarin goed kunnen sorteren niet meer zo nuttig zal zijn. Een wereld waarin van veel meer mensen creativiteit wordt verlangd en probleemoplossend vermogen.

Als het even niet lukt dan weten we wat ons te doen staat: even langs het slootje wandelen, net als de wiskundigen van Mark Mieras. Als het dan nóg niet lukt bellen we Hilde even; die weet wel raad.

4 gedachten over “Wiskundigen langs de sloot

Laat een reactie achter bij Karlijn Muller Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>