Categorie archief: Porcelijntjes

Een ‘Porcelijntje’ (voorheen: ‘NicoDijkshoorntje’) is een tekst die ter plekke in het moment wordt geschreven, de vorm kan variëren. Ik word veel gevraagd om dit bij debatten, voor festivals, of tijdens symposia te schrijven. Tijdens het evenement of de lezing schrijf ik de tekst en observeer en reflecteer ik in hoog tempo. Na afloop, meestal als afsluiter, lees ik het dan voor. Deze teksten zet ik op mijn site zodat de aanwezigen de tekst kunnen nalezen, ik krijg vaak dat verzoek. Voor alle andere mensen zal er wat context ontbreken maar ik probeer altijd tussen haakjes aan te geven over wie ik het heb en wat de betreffende spreker heeft gezegd.

Patatje

Door Polis, de studievereniging van Organisatiewetenschap aan de Universiteit van Tilburg, ben ik gevraagd om twee Nico Dijkshoorntjes te schrijven voor hun symposium over reputatiemanagement. De dagvoorzitter was Richard Koopman en de sprekers waren drie communicatieadviseurs van verschillende bedrijven: Gerjan Vasse van de NS, Debbie de Wagenaar van de McDonald’s en Doekle Terpstra, CEO van Hogeschool InHolland.
Dit is de tweede tekst, als afsluiter:

Debbie de Wagenaar wilde geheim agent worden, maar zij komt uit een tijd waar er nog wel werk was voor afgestudeerden dus ze werd uiteindelijk communicatie expert in de directie van McDonald’s, waar wij over enkele jaren achter de toonbank van de Mac zullen staan. Ze is van de Mac en ze is hyperslank. Goeie communicatie! Terwijl zij vertelt over dat de McDonald’s teruggeeft aan de community stel ik mij voor dat een dun smakelijk patatje vrolijk vertelt hoe goed het is dat de aardappelschilmevrouw nu iets te doen heeft. Een jongen die een vraag stelt, over de verhouding tussen geld verdienen en geld teruggeven aan de gemeenschap, deelt mijn gedachte. Ergens klinkt haar verhaal, hoewel ontzettend enthousiast en goed opgebouwd, een beetje krom: eerst de indruk wekken dat ’t de goedkoopste optie is om een hamburgermenu te eten als avondeten, eerst de bevolking verslaven aan E-nummers, smaakversterkers en hoge zout- en suikerwaardes en dan toch maar iets teruggeven aan de nu dikke en zieke bevolking die zich hebben ontleerd hoe je voor 4 euro een gezonde maaltijd voor twee maakt. Hoewel het een vrije keuze is verandert het gemak ons leef- en eetpatroon.
Debbie de Wagenaar komt heel nuchter over en geeft tussendoor ook toe dat het McDonald’s niet altijd lukt om in een doelstelling te slagen. Haar ogenschijnlijke nuchterheid en transparantie zorgt dat ik nog nauwlettender luister naar haar woordkeuze. Ik merk dat ik wantrouwiger wordt naarmate ze vaker in haar verhaal benadrukt dat het géén romantisch PR-praatje is. Dan oordeel ik van binnen extra hard over de achterliggende intentie van dat teruggeven aan de gemeenschap. Want, hoezeer de persoon die daar achter de schermen bij McDonald’s werkt en het overzicht houdt met betrekking tot de Ronald McDonaldhuizen, en hoezeer de kinderen en families in die huizen profiteren en blij zijn dat ze nu geen 100km heen en weer hoeven te rijden voor de vijftiende chemokuur van Kareltje van zeven. Hoe goed en mooi en geweldig dat ook is. De McDonald’s dit nooit doen als het niet goed was voor hun imago en het mij en ons geen positief gevoel en beeld zou geven van het merk middels lachende kinderen met spierwitte tanden die liever worteltjes eten dan kipnuggets, waardoor wij toch wel even langs de Mac gaan als we de munchies hebben om één uur s’ nachts ‘want’, denken we overtuigd: ‘de calorieën in een McKroket vallen wel mee’, en dit alles uiteindelijk meer inkomsten genereert voor McDonald’s? Het draait uiteindelijk om geld, niet?
Maarja, een slager kan ook niet elke keer een plakje worst als cadeau geven aan alle peuters die binnendartelen. Dan heeft het hebben van een slagerij als inkomstenbron geen zin meer. Debbie de Wagenaar vertelt in haar verhaal dat, voor de duidelijkheid, géén PR-verhaal is, over eten met een verhaal: Echt rundvlees, echte aardappel, echt moet het zijn, echt. Ook Richard Koopman stipte het huidige belang van de ‘echtheid’ van je benadering en product aan als ondernemer. Dat doet mij denken aan de hippe winkeltjes, kaasboeren en traiteurs in de pijp en het centrum van Amsterdam die als paddenstoelen uit de grond schieten. Om de milieubewuste bakfietsmoeders te lokken staat daar op steeds meer etalages en borden: ‘Echte Boerenkaas’, of: ‘Biologische robuuste broodjes, ‘authentieke quinoayoghurt met bananenshake en glutenvrije speltpap met cranberry’s uit oma’s tuin’. Het klinkt goed, maar wat is ‘t? Wat is dat ‘echte’ dan?
Het stelt de consument gerust want dit is nu in de mode, en het is ook in de mode om het belangrijk te vinden of iets echt is, wellicht terecht.
Maar was de kaas eerst dan nep? Is een biologische kip een betere en meer gelukkige kip? Waarschijnlijk loopt geen van die kippen dolgelukkig in een idyllische weide met paardenbloemen en een boerin die maiskorrels uit haar schort strooit. We kunnen onmogelijk allemaal wilde of vrije dieren eten, óf we eten minder vlees, óf we zullen wel aan de megastallen in een flat moeten geloven. ’t Is het één of het ander.
Échte boerenkaas zal vast echter zijn, maar dat ‘echt’ is zo moeilijk te proeven, misschien zit het in de gaten.
Ook moet ik denken aan een fragment van Middas Dekkers, de bioloog en schrijver. Hij liep op TV door een bos, een wild natuurgebied. ‘Maar’, zei hij, ‘het kost heel veel werk en aandacht om dit gebied zo wild te houden.’
Echt. Ik vind het opvallend dat het in twijfel trekken van alles, het meer afhankelijk zijn van technologie en de hang naar ‘echt’ en ambachtelijk allemaal naast elkaar bestaat in deze tijd. Willen we echt écht? Of willen we een romantisch verhaal wat ons een gevoel geeft van de echtheid en de romantische natuurlijkheid?
Dat vraagt een meneer, die op Henk Westbroek lijkt, zich ook af.
Doekle Terpstra, van InHolland is aan het woord. Hij vergelijkt niet met romantiek maar met sport: De sportcoach en de CEO. Hij houdt niet van het woord: CEO. Ineens denk ik aan de woorden en termen die vandaag het meest zijn langsgekomen en die mij opvielen;
-Awareness
-Engagement (dat gek genoeg op z’n Engels werd uitgesproken)
-Excellentie
-Echt/Real
en de klapper: Transparantie.
Dat woord: transparant, is voor mij vrij diffuus geworden gaandeweg het symposium. In zo’n rijtje lijkt het alles behalve transparant. Het is een veel gehanteerde taal die ik niet spreek en waar ik de zin niet helemaal van begrijp. Ik ben dan ook filosoof en dan ben je er om problemen te creëren of aan te wijzen, niet om ze op te lossen.
Doekle Terpstra doet niet aan crisismanagement, want bij hem ligt iets gewoon ‘aan diggelen’, hij staat in zijn eigen verhaal.
Bij Doekle geen piramides, kreten, flowcharts of vinkjes, hij zoekt mensen met goede wil.
Als hij groente zou verkopen dan zou ’t een biologische, grote komkommer zijn en dan niet zo’n gladde van de AH, maar een met knoken en deuken en dan zou hij zeggen: “Joah, issie niet minder lekker om!”
Ik hoop dat jullie in het bedrijfsleven je mannetje durven staan later en je houdt aan je principes en overwegingen.
Poeh, heb zin in een cheeseburger. Zo’n vieze vettige met nep kaas en een dooie augurk. Ach, heb gister nog twee euro aan een zwerver gegeven voor de daklozenkrant.
Dan sta ik wel quitte, toch?

Uniform

Door Polis, de studievereniging van Organisatiewetenschap aan de Universiteit van Tilburg, ben ik gevraagd om twee Nico Dijkshoorntjes te schrijven voor hun symposium over reputatiemanagement. De dagvoorzitter was Richard Koopman en de sprekers waren drie communicatieadviseurs van verschillende bedrijven: Gerjan Vasse van de NS, Debbie de Wagenaar van de McDonald’s en Doekle Terpstra, CEO van Hogeschool InHolland.
Dit is de eerste tekst van de dag:

Wat meteen opvalt bij binnenkomst is dat iedereen sober gekleed is. De heren in overhemd, jasje en nette broek. De dames overwegend in het zwart of in een crèmekleurige bloed. Geen van de jongens heeft lang haar, de meisjes allemaal wel. Ik studeer filosofie en daar ben ik vaak één van de netst geklede studenten. In deze zaal lijkt sprake te zijn van een onbedoeld uniform, niet gek natuurlijk: in de organisatie waar jullie later werken of die jullie zullen oprichten word je geacht deze kleding te dragen. Niet te opvallend of schreeuwerig, passend in het idee dat je werkt voor een organisatie met mensen en dat het niet gaat om je persoonlijke voorkeuren maar om het denken binnen die organisatie. Goed, maar als je Richard Koopman dan hoort spreken en hij vertelt over hoe een organisatie een reflectie is van ons brein en onze persoonlijkheid, en hij zegt dat er een dubbelheid tussen morele waarden en ons handelen bestaat, met als voorbeeld het doorschuiven van verantwoordelijk zoals bij verzekeringen met woekerpolissen, dan kun je de vraag stellen of je wel aangemoedigd moet worden om je te voegen naar een intern waardesysteem, een organisatie of een kledingcode. De vragen-app, die tussendoor de studenten in de zaal moet bevragen en peilen, is opmerkelijk omdat de ‘questions’ eerder stellingen zijn. Je hebt telkens drie keuzes. ‘Sja.. de app vroeg het mij, kan ik ook niks aan doen.’ De Fibonaccireeks van Richard Koopman: fractals. Een bloemkool is een fractal en een slakkenhuis is een fractal. Het begint bij een idee, een basis, een onderkant, dat heeft een fractal niet. Aan de onderkant van de, overigens opvallend knappe, dames in de zaal zitten heftige hoge hakken. Zouden ze al spijt en pijn hebben van de schoenenkeuze? Wie mooi wil zijn moet pijn lijden. Hoort dat ook bij de code, of is het hetgeen je net onderscheid naar buiten toe, het enige extra sieraad? Of is het de manier om geëmancipeerd en tegen de zeven hoofdzonden van Richard Koopman in, de mannen recht in de ogen te kunnen kijken? Korte rokjes en hoge hakken. Het is maar goed dat de benen verborgen worden door de grote bureaus in de zaal, anders zouden de mannen zich niet kunnen concentreren denk ik. Die bureaus managen de reputatie voor eventjes. Iemand die zelf geen reputatiemanagement nodig heeft is Gerjan Vasse, de verantwoordelijke voor de communicatie op o.a. Twitter van de NS. Deze man is zó aardig, althans dat lijkt in elk geval zo, wie weet managet hij zijn reputatie zeer geslaagd, maar ik ga ervan uit dat hij echt aardig is. Ik denk dat hij zelfs bovenop een trein in een James Bondscène nog terug zou twitteren over een vierkant wiel bij Enschede. “Natuurlijk harstikke vervelend voor u”, typt hij terwijl hij een overvaller van de trein af probeert te duwen. “Download deze app anders, super handig”, stuurt hij terwijl hij van de trein af saltoot. “Hier, een gele piramide met woorden erin, staat corporate op een powerpointslide, dat managet de reputatie wel”, roept hij terwijl hij eigenhandig de trein tot stilstand sleept.
“Zo, pittige dag hoor”, zegt Gerjan dan, en hij fluit naar huis met een weeïg kaasbroodje van de Kiosk in zijn linkerhand.
Richard Koopman haalde het voorbeeld aan van de Eskimo’s (Inuit) die meer dan 50 woorden zouden hebben voor sneeuw, dit is overigens al debunked, het schijnt meer te zijn zoals wij ook ‘poedersneeuw’ ‘hagel’ ‘natte sneeuw’ etc. gebruiken voor bevroren water dat uit de lucht valt. Hoeveel woorden zouden studenten hebben voor de koffie op de Universiteit van Tilburg? Die kan wel wat reputatiemanagement gebruiken. Het is a: noodzakelijk op het te drinken, b: onvergeeflijk, c: ronduit gevaarlijk voor de gezondheid, d: anders namelijk. “Ja”, zegt de communicatiemevrouw van de Uvt dan. “Douwe Egberts heeft gewoon goedkope apparaten, heb ik niet bepaald hoor, nee nee.” Wellicht heeft die ene aandeelhouder waar de NS en Gerjan ab-so-luut niks aan kunnen doen en veranderen er iets mee te maken. Ik pak toch maar een klein kopje koffie, op onze gezondheid en helderheid van geest dan. Proost!

Bijgeloof

10003263_10152056460792569_1495551804_n

Kijk voor meer info: festivalcement.nl

Door Theaterfestival Cement ben ik gevraagd om als een writer in residence elke dag een tekst te schrijven over het festival en de voorstellingen. Het festival vindt plaats van 26 t/m 29 maart in en rond de Verkadefabriek te Den Bosch. De teksten zijn ‘Nico Dijkshoorntjes’, op de avond zelf geschreven en in hoog tempo. Ik dwaal rond als spion en festivalbezoeker, niets en niemand is veilig voor mijn pen, ikzelf nog het minst.
De vier schrijfdagen heb ik voor mijzelf opgedeeld in vier thema’s en vragen:
1. Wat voor mensen trekt Cement aan?
2. Hoe staat ’t met het theater?
3. Wat zijn de gedrags- en theatercodes en waarom?
4. Wat is festival Cement?

29-03-2014 Cement 4. Wat is festival Cement?

Ik begon de dag met een documentaire over de doodstraf en een kop koffie.
Daarna stond iedereen stil aan de linkerkant van de roltrap in Den Bosch, dat krijg je ervan.
Ik ben bijgelovig, geloof meteen dat dit de rest van mijn dag zal beïnvloeden. Dat een auto mij zal aanrijden, als straf voor mijn haast en slechte gedachten over die stomme, luie links op de roltrap stilstaan-mensen die daar maar staan uit te rusten. Ai nee, nu krijg ik nog een straf, kan ik vanavond niet slapen, zal je zien!

Ik denk vaak na over of ik wel iemand ben of dat ik mij verzin of dat iemand anders mij verzint. Stel dat ik besta, kan ik dan die IK, die de hele dag nadenkt ooit nog uitzetten? Ik ben altijd maar ik en nooit eens iemand anders. Heel misschien werd ik eventjes Nina Willems, zonder dat ik haar lichaam werd. Nina Willems, in haar: ‘Hier Ik, work in progress’, is als een papieren stop-motion poppetje dat mij in het eerste persoonsperpectief wil trekken. ‘Je merkt pas hoe je bewustzijn werkt als er iets misgaat’, zegt Nina. Nog nooit heeft iemand zo intens de mouwen opgevouwen als Nina. Ineens vouwen mijn mouwen zichzelf op en kalmeert mijn sneltrein aan gedachten in mijn hoofd. Even ben ik niemand meer.
De afgelopen vier dagen was ik twee mensen: theatermeisje met een leuk jurkje, enkellaarsjes en in de war-haar, en schrijvende einzelgänger die in een onzichtbare kubus observeert en immuun is. Als ik als theatermaker kijk dan bekruipen mij de tweedehands zenuwen en voel ik de druk om goed te presteren als fronsende programmeurs jouw voorstelling nog éven meepikken als vierde op een rij. Als ik als schrijver door het festival struin dan permitteer ik mij meer, neem ik een neutralere houding aan en praat ik minder. Ik kijk dan zoveel mogelijk als gewoon publiek, maar dan met een pen. Deze twee personen, de twee petten die ik opzet, zijn heel anders. De eerste is onzeker en lichamelijk invoelend, de tweede harder, meer in het hoofd levend en in hoog tempo fantaserend zonder dat ik het anders uit dan in schrift in mijn zwarte boekje. Na de voorstelling van Nina Willems zijn de mede-makers in de zaal kritisch tijdens het nagesprek. Daar word ik gelukkig van en het doet mij, op z’n ouderwets, deugd.
Dat ze hun kloten uit hun broek halen, eerlijk zijn en zonder schroom of bijbedoelingen een gefundeerde mening durven formuleren. Het stelt mij gerust dat er geen vriendjespolitiek wordt bedreven en geen dubbele agenda’s worden gehanteerd. Van dubbele agenda’s word ik zwaarmoedig. In Suze Millius’ voorstelling ‘Moeder en Kind’ zegt de moeder: “Ik word zo zwaarmoedig van nadenken!”, en ik ook. Zwaarmoediger word ik echter van vriendjespolitiek, ben niet zo goed in vrienden maken.
Hier, op dit festival ken ik veel mensen en ze lijken me te mogen. Dat verlicht iets van de donkerbruine wolk die bovenaan de roltrap hangt, op mij wacht en mij vangt als ik te laat boven ben door die mensen die altijd stilstaan aan de linkerkant. Nu heb ik nog minder karmapunten, morgen slecht weer dus. Zie: als schrijver ben ik bijgeloviger, maar in het theater is ook veel bijgeloof. Dat is mooi, tenminste een geloof al is het voor erbij. De moeder in ‘Moeder en Kind’ van Suze zegt ‘dat ze tenminste iets is geworden, ze heeft het ver geschopt’. Wie van de makers op dit festival zouden het ver schoppen? Ik denk best veel. Ze zijn brutaal, vertellen iets en durven ook om niet te pleasen. Opzoek naar hun eigen stijl, opzoek naar de realiteit en opzoek naar hun IK. Iets van jezelf maken in deze, op cultuur neerkijkende, tijd is niet makkelijk en behoeft ballen. Van binnen ben je als maker altijd onzeker, zelfs als je een hipstersnor hebt, en hier mag je nog eventjes uitproberen.
Ik hoop dat jullie, en ik, de onzekerheid kunnen overwinnen; die donkere wolk bovenaan de trap, en dat we ons weerbaar en onverwoestbaar en slim tonen tegen de cultuurhaters. Dat we hun ideeën niet langer als parasieten laten vreten aan de geesten van Nederland. Het moet kunnen!
Op dit festival heb ik mij de afgelopen vier dagen door vele perspectieven heen laten glijden. Ik heb vrij kunnen nadenken en kunnen praten en schrijven en jullie hebben vrij kunnen bedenken, maken en spelen.
Hier is een familie aan het werk, met liefde en fuck-it-attitude. Die vrijheid is waardevol. Als je haar niet meer hebt, als er iets mis is, merk je pas dat je haar had en wat ze betekende. Het verliezen van die vrijheid is de ergste doodstraf denkbaar. Hier heerst vrijheid en kleur, een kleur om de donkerte en negativiteit in te kleuren met mijn lievelingskleur: rood.

Dankjewel Festival Cement, je bent mooi.

Het infobordje naast het schilderij

10003263_10152056460792569_1495551804_n

Voor meer info en kaarten kijk hier: festivalcement.nl

Door Theaterfestival Cement ben ik gevraagd om als een writer in residence elke dag een tekst te schrijven over het festival en de voorstellingen. Het festival vindt plaats van 26 t/m 29 maart in en rond de Verkadefabriek te Den Bosch. De teksten zijn ‘Nico Dijkshoorntjes’, op de avond zelf geschreven en in hoog tempo. Ik dwaal rond als spion en festivalbezoeker, niets en niemand is veilig voor mijn pen, ikzelf nog het minst.
De vier schrijfdagen heb ik voor mijzelf opgedeeld in vier thema’s en vragen:
1. Wat voor mensen trekt Cement aan?
2. Hoe staat ’t met het theater?
3. Wat zijn de gedrags- en theatercodes en waarom?
4. Wat is festival Cement?

28-03-2014 Cement 3. Wat zijn de gedrags- en theatercodes en waarom?

Zaallicht uit, fade-in, licht feller en het is begonnen.
Je bent er.
Stefan Jakiela’s: ‘The White Forest With The Forgotten People’.
Drie vrouwen en een man reageren in ritme van hun bewegingen op elkaar en hebben alle vier een plooirok aan. Een regenwoud van de analoge elektronica-achtige soundtrack lijkt hen te bewegen en past in geluid heel goed bij de bloemen op de vloer, hun organische bewegingen en de witte decorvormen.
De choreografie lijkt geïnspireerd te zijn op een viewpoints-oefening. Meteen twijfel ik of het wel goed is dat ik het herken als viewpoints. Viewpoints is een bewegingsmethode die je kunt gebruiken om beter met ruimte, houdingen en mis en scène om te gaan. Het wordt gebruikt om een choreografie op een imaginair raster op de vloer te maken en goed te onthouden.
Van te voren krijgen we een A-viertje met informatie over de voorstelling. Dit is de tweede keer dat zo’n A-viertje wordt uitgedeeld en als je halverwege bent dan gaat ’t zaallicht uit dus dan kun je het niet meer lezen.

De spelers op de vloer hebben een open maar geconcentreerde blik en, zoals bij de kinetische tik-takballetjes bij de tandarts, worden ze bewogen door de bewegingen van de anderen en herhalen deze zo nu en dan.
Stefan Jakiela schijft: ‘Het maakproces heeft zich gericht op het openstellen naar de omgeving en een mogelijke andere gebeurtenis: oncontroleerbaar, organisch, niet logisch, met vallen en opstaan. Het berusten in de toestand kan, paradoxaal genoeg, juist voor verandering zorgen.’
Hij wil toeval en zijn, het zijn in een moment en alles is dan mogelijk. Wat er daar op dat moment op de vloer gebeurt is wat er is, zo is het uitgekiend door de maker en dat is het. Ik had bij de vorige Cementtekst dus niet moeten schrijven dat realisme uit is, want dit is toch een soort zorgvuldig uitgekiend realisme.
Tijdens de voorstelling zit ik na te denken over dat toevals-element. Als er écht sprake is van toeval in een ruimte, en álles zou kunnen gebeuren, dan zou het ook mogelijk zijn dat er niks gebeurt (al kun je ook zeggen dat niks niet bestaat). Maar niks zal er niet gebeuren want dat kan niet bij een voorstelling, of wel? Als alles zou kunnen in een voorstelling, stel dat dit ook echt het uitgangspunt zou zijn, waarom is de stoelenbarrière van het publiek dan een barrière? Waarom klimmen ze dan niet op mij, zou dat dan kunnen?
Het is interessant om op festival Cement het verschil te zien tussen de présence van dansers en van acteurs. De bewegingsacteurs in de voorstelling van Jakiela zijn heel erg aanwezig en je ziet aan hun ogen dat ze present zijn. Dansers lijken minder vanuit hun ogen te spreken, wellicht vanzelfsprekend.
In het type speler op de vloer lijkt een patroon te zitten:
Bij bewegingsvoorstellingen zijn de mannen vaak breed, gespierd, knap of juist ielig en sprietig. De vrouwen zijn vrijwel altijd ontzettend knap en etherisch of er is één eigenschap afwijkend of grappig aan ze, dan hebben ze grote voeten of hele lange armen. Een van de knappe meisjes op de vloer, heeft een hele poos een natte streng haar in haar mond en ze kijkt wulps en mistroostig in de verte alsof ze wil dat iemand haar troost of kust. De wereld van Jakiela is een witte lege sprookjeswereld waar ontmoeten en zijn mij laten mijmeren over rondzwervende neuronen, toevallig en toch wetmatig.
Na de voorstelling praat het publiek vooral met mensen die ze al kennen. Maar dat is misschien bij alle bijeenkomsten zo?
De theatermeneren kloppen elkaar op de schouder: ‘hé Karel, weet je nog toen en toen? Ah mooi man!’
Bij de theater- en dansvoorstellingen valt mij op dat er vaak wordt gekozen voor de diagonale beweging en positie. Ook bij ‘The Animated’ van Hilde Elbers en Lea Martini: twee stoeltjes, hun enige decor, staan op de diagonaal.
Twee vrouwen in rode coltruien dansen de techno beat van hun leven. Een lange heipaal hartslag sleurt ze van de ene uitputtende repetitieve beweging in de andere. Elke beweging lijkt op iets maar is het net niet. Ze vechten net niet, ze vallen net niet en ze bewegen net niet sexy. Daarvoor ontwikkelt elke beweging zich te snel tot de uitvergrote mechanische versie ervan. De code van de diagonaal gaat ook op voor de bewegingsrichting van veel dansers op het festival. Ik moet weer denken aan de voorstelling van Jakiela. De overeenkomst tussen deze twee voorstellingen is het element toeval. Bij Jakiela is toeval het uitgangspunt van het maakproces en daar wordt ik geconfronteerd met de niet-patronen van het toeval. Bij ‘The Animated’ van Elbers en Martini zou het bijna kunnen dat de bewegingen toevallig en in het moment zijn ontstaan, ware het niet dat er erg veel dynamiek in voorkomt in intentie en komische licht-uit-licht-aan tableaus. Bij de laatste voorstelling wordt toeval gebruikt om mij als kijker op het verkeerde been te zetten. Ik zie de grens tussen sensueel en agressief voor mijn neus verdunnen.
Wat is de functie van toeval in het theater, vraag ik mij de hele avond af. Wat is het aan toeval dat makers het willen tonen? Is het leven zelf toevallig? Is theater een manier om er structuur in aan te brengen of is theater juist een manier om te tonen wat er is?
Als je echt toeval wil laten zien, waarom zou je dan de grenzen van het theater erkennen? Mag ik dan ook heel hard door een voorstelling heen roepen? Waarom zitten we bijna altijd in een theater? Waarom moet er een fade-out zijn aan het einde? Zijn het enkel codes en afspraken om daarbinnen vrijheid te kunnen genereren? Waarom moeten we stil zijn en waarom wordt er toch vrij vaak verwacht dat ik als publiek de referenties en codes snap? Als ik ze niet zou snappen, en ik snap uiteraard maar een deel, zou ik dan nog weten waar ik naar zit te kijken? Voor wie wordt er dan bewogen en gespeeld? Moet ik de infobordjes naast het schilderij eerst lezen voor ik een schilderij bekijk? Is het noodzakelijk? Deze vragen zijn niet nieuw, er is in het verleden erg veel geëxperimenteerd en deze vragen werden toen ook opgeworpen over de Avant-Garde van toen. Ik meen ook niet de spot te drijven maar ik wil altijd graag het vanzelfsprekende bevragen, ik kan het niet stoppen. Ik begrijp en ervaar zelf ook dat de wereld verwarrend is, maar ik vraag mij af of makers zich vaak genoeg de vraag stellen voor wie ze iets maken. Toevalligheid bevindt zich overal om ons heen, maar wie connect the dots?

Ik heb ook maar toevallig een pen.

Wortel

10003263_10152056460792569_1495551804_n

festivalcement.nl

Door Theaterfestival Cement ben ik gevraagd om als een writer in residence elke dag een tekst te schrijven over het festival en de voorstellingen. Het festival vindt plaats van 26 t/m 29 maart in en rond de Verkadefabriek te Den Bosch. De teksten zijn ‘Nico Dijkshoorntjes’, op de avond zelf geschreven en in hoog tempo. Ik dwaal rond als spion en festivalbezoeker, niets en niemand is veilig voor mijn pen, ikzelf nog het minst.
De vier schrijfdagen heb ik voor mijzelf opgedeeld in vier thema’s en vragen:
1. Wat voor mensen trekt Cement aan?
2. Hoe staat ’t met het theater?
3. Wat zijn de gedrags- en theatercodes en waarom?
4. Wat is festival Cement?

27-03-2014 Cement 2. Hoe staat ’t met het theater?

Een man met een Youp van ’t Hek-brilletje, een gifgroen overhemd, donkergroen colbert en een peentjesoranje broek eet heel gehaast zijn bietensalade op een bankje.
Volstaat dit beeld al als theater? Mijn moeder zou zeggen: ‘Zo’n man verzin je niet!’
Wanneer is iets theater? De peentjesman met de bieten is in elk geval geen theater meer, realisme is uit. De wederkeer en de verdwijning van het egodocument, als theatervorm, lijkt ook te hebben plaatsgevonden. Dan vindt iemand een stoffige kartonnen doos van overgrootvader met vergeelde foto’s van hem uit de Eerste Wereldoorlog, maar wie is die vrouw in dat schort achter de staldeur nou? –En daar dan een voorstelling over-.
Het was mooi, maar ook dat is voorbijgegaan. Theater is in elk geval niet zomaar wat en daar dan naar kijken. Een bruine boterham ofzo, of een steen, of iemand die een appel schilt is ook geen theater en mijn moeder die haar haren verft ook niet.
Helpt een bijvoeglijk naamwoord dan? Een blauwe of mooie steen is al meer dan gewoon een steen, maar een gewone steen is ook iets.
Er staat een jongen naast mij met één been op het houten bankje. Het gaat schijnbaar supergoed met hem, en hij zegt dat alles superlekker gaat: ‘Projectjes hier en daar, top!’
Zo’n jongen, in z’n iets te losse capuchontrui verzin je ook niet. Ik verzin nooit iemand waarmee alles superlekker gaat. Meestal gaat het helemaal niet zo lekker met de mensen die ik verzin. Die hebben liefdesverdriet of bulten.
Zijn bulten theatraal? Niet meteen, zomaar een bult ergens. Een bult zonder glitters is maar een bult.
Een man in glitterpak die pianospeelt, terwijl een mooie zwangere vrouw licht ironische liedjes zingt in een huisdecor, is wel theater. Vooral die ironie.
Kiki Jaski-Groenteman en haar man Jan: ‘Groenteman&Groenteman’ in de voorstelling ‘Opzoek naar junkie Djamilla’. Zij vertellen een verhaal over Djamilla, een meisje dat precies zo is als je zou denken bij haar naam: vrolijk, maar een tikkie ordinair. Djamilla heeft het huis van Kiki gehuurd en er een paar maanden later een drugshuis van gemaakt. De politie heeft kilo’s cocaïne en heroïne gevonden. Onder een vaak doorlopend muziekje, met een enorme groove gespeeld door Jan, of een rap over schuld, wisselen ze tussen een vertellend perspectief en een AA-kringgesprek waardoor wij zelf de verslaafden in therapie worden. Ze lijken een verschuiving te willen creëren van het vingerwijzen naar de vieze junk naar een meer begripvolle houding. Waarom is Herman Brood een held en Djamilla een junk? Wij zouden allemaal Djamilla kunnen zijn, bijna.
Als vorm kiezen ze voor het vertellende theater, afgewisseld met liedjes. Een verhaal vertellen is nodig voor theater, alleen de vorm wisselt nog al.
Op dit festival Cement zie ik hyper abstract theater en ook erg concreet theater, het is gradueel. Zoals de stapjes die je zet om van een functionerend mens, met goede baan en knappe vrouw, in iemand te veranderen die z’n heroïnenaald tussen zijn tenen zet omdat de naald nergens anders meer in wil.
De nerd in mijn hoofd roept dat ook vertellend theater abstract is. Een verhaal, mededeling of vraag, is een belangrijk ingrediënt voor theater maar het vertellen van iets uit de werkelijkheid of fantasie in een korte tijd is altijd een representatie en een representatie is toch altijd een abstractie? Dus waarom is een dans in koud blauw licht dan zoveel moeilijker om te begrijpen en te bekijken?
Als we teruggaan naar de bult: Is vertellen over de bult en hoe die er precies uitzag dan toegankelijk theater? Is abstract theater dan alleen de bult aanstippen en het publiek dan de rest van de persoon eromheen laten verzinnen, terwijl een bultdans verlicht wordt door een heel klein laserlampje? Het laten zien, het vertellen en het spelen.
Als je nu een bult in een glitterpak hijst, een liedje laat zingen of en een echt verhaal laat vertellen, zoals de makers hier weer durven?
Nee dat is geen theater, toch?
Zoiets verzin je niet. Zelfs de man in de peentjesbroek verzint zoiets niet.

Rode tasjes rode lippen

10003263_10152056460792569_1495551804_n

festivalcement.nl

Door Theaterfestival Cement ben ik gevraagd om als een writer in residence elke dag een tekst te schrijven over het festival en de voorstellingen. Het festival vindt plaats van 26 t/m 29 maart in en rond de Verkadefabriek te Den Bosch. De teksten zijn ‘Nico Dijkshoorntjes’, op de avond zelf geschreven en in hoog tempo. Ik dwaal rond als spion en festivalbezoeker, niets en niemand is veilig voor mijn pen, ikzelf nog het minst.
De vier schrijfdagen heb ik voor mijzelf opgedeeld in vier thema’s en vragen:
1. Wat voor mensen trekt Cement aan?
2. Hoe staat ’t met het theater?
3. Wat zijn de gedrags- en theatercodes en waarom?
4. Wat is festival Cement?

26-03-2014. Cement 1. Wat voor mensen trekt Cement aan?

Waarom fronzen mensen als ze naar een voorstelling kijken?

Bij de eerste dansvoorstelling (van een tweeluik geïnspireerd op Jeroen Bosch) is ’t meteen raak. Bij ‘All dressed up but nowhere to go’ van Giorgia Nardin zien we twee mensen, man en vrouw, met beiden een overhemd aan en verder niks.
Ze raken gedurende het grootste deel van de voorstelling de grond met maar één been aan. Wie met twee benen op de grond staat is af.
Later trekken ze hun overhemden uit en zijn ze volledig naakt in wat een combinatie lijkt van instinctieve naaktheid en intense preutsheid. Hun vraag lijkt te zijn: Hoe lang kun je naakt zijn zonder elkaar aan te raken en zijn gewone handelingen als krabben aan de kin en hurken, anders zonder kleding?

Dan is er pauze, heel kort, voor de balletvloer en het tweede deel van het tweeluik. De mensen in het publiek tillen heel even hun wenkbrauwen op. Sommigen weten waar ze ’t over hebben, dan knikken ze minstens drie keer tijdens een zin.
De rest praat, maar waarover? Niet over de voorstelling, lijkt ‘t. Eerder over de balletvloer: van wit naar zwart, van naakt naar gekleed.
In ‘Rockers’ van Dante Murillo wiegen de twee mannelijke dansers over de vloer. Mensen om mij heen hebben hun wenkbrauwen weer in de rimpel. Ineens moet ik denken aan hoe mijn iets lompere vrienden hiernaar zouden kijken. Ik denk dat een vriend van mij: Rob (type slimme maar lompige Brabander die vindt dat hij kunst niet snapt), zou denken dat hij naar een parodie zit te kijken van iets dat moderne dans/mime heet. De maker wil, lees ik, zijn lichaam in extase brengen en zich naar de grens van uitputting wiegen en draaien. Extase. Om mij heen leggen mensen hun hand onder hun kin of hun kind op hun hand. Ze kijken geïnteresseerd maar lijken niet in extase. We zitten dus te kijken naar iemand die een ervaring aan het hebben is. Kunnen wij indirect in extase raken of alleen in een geestelijke?
De dansers ademen zwaarder, ik wil mee zuchten en briesen als een stier maar ik ben niet in Afrikaanse oerstam-extase, ik mag alleen maar kijken.
Samen persen de dansers het laatste melkzuur in de nerven van hun spieren en dan is ’t gedaan. Fade-out, fade-in, applaus, af, nog een keer op en weg, poef!
De leden van theatergroep BOG vertellen mij in een voorbereidende tekstlezing dat ze de mening op een voetstuk willen plaatsen. Terwijl ik dit schrijf plaats ik mijn mening ook op een voetstuk, dat kan niet anders. Als ik de zwoele stem beluister van Bog’er Judith de Joode zie ik nog altijd een penis tegen een lichtbehaard bovenbeen klotsen en twee borsten wiegen op de Afrikaanse elektronische beats.
Drankje halen. ‘Hoi wij kennen elkaar, oh ik ken u inderdaad, nee u ken ik niet maar jullie kennen elkaar wel. Hai! Hoi! Hee! Haa!’
De mensen die net in de zaal serieus keken fronzen niet langer maar lachen, op een paar na. Maar dat zijn professionals, programmeurs enzo. Voor hen is dit een werkavond en je moet als maker van goeden huize komen om hen nog van hun sokken te blazen, zoals gewoonlijk.
Bij Compagnie Covar is niets zoals gewoonlijk. We worden heen en weer gesleurd tussen associatieve mijmeringen en het aangesproken worden als leden van het Europese Parlement. Els Roobroeck is de eerste performer van vanavond die mij aankijkt vanaf het toneel. Onder de donkere, Berlijnse, riool-van-de-geest achtige beats van Han Stubbe worden we aangesproken en worden ons beelden verteld. Els heeft iets in haar hoofd en ze wil ’t uitzetten. Bij nader inzien lijkt ze misschien toch dwars door ons heen te kijken. Wij kijken naar een scherm met projecties van een maquettewereld, naar de muzikant die live elektronische muziek maakt en naar de mijmeringen van Els. Wie zijn wij voor haar? Niet alleen een Europees Parlement, want worden we aangesproken als arts. We zijn haar fictieve vijand, haar derde persoonsperspectief.
Zoals Rob, die vriend, mijn derde persoonsperspectief is die alleen maar een penis kan benadrukken.
Compagnie Covar weet een slechte dag zo mooi te vertellen. Van uiensap naar aderlatingen, alles om het hoofd te helpen: Google, Tinnitus, wie is hier nu gek?
De performance doet mij denken aan de poëzie van de Beatgeneration maar dan zonder dat er letterlijk op je gespuugd wordt door Allen Ginsberg als de druppels zijn baard uitzwiepen. Tegen wie spreekt en denkt Els? Tegen wie spreek en denk ik als ik de gedachte denk dat er zo weinig ‘gewoon’ publiek lijkt te zijn. Het publiek is zo langbenig, bebrild en knap, coolbekuifd en zelfverzekerd! Twee oudere vrouwen waren grapjes aan het maken op de gang, lij lachten hard. Zij gingen ‘gewoon’ een avondje voorstelling kijken, of verzin ik het en wordt mijn hoofd in tweeën gezaagd door de snerpende muziek van Covar? Is mijn kijk op de wereld hetzelfde als de fluittoon die Els Roobroeck al maanden hoort? Tuuuuut….derde persoooons. Tot de stilte erop volgt?
Mijn hoofd fronst waarschijnlijk ook in de neutrale stand. Kan ik mijn meninkje en ik ooit uitzetten? Nou ja, deze vraag is al in de derde persoon, dus nee. Dus.
Ik heb rode lippenstift op en ben ook geen gewoon publiek, en dat is juist heel gewoon. Of juist ongewoon? Zie! Daar ga ik. Ik kan nooit met beide benen op de grond komen, dan ben ik af.
Ik penis. Nee, hè. Ik peins. Tuuuut.

Ezelsoren

Deze tekst is geschreven in opdracht van en tijdens het Symposium: ‘Vier de toekomst’, ter ere van het 100-jarig bestaan van de Bibliotheek Midden-Brabant op 26 maart 2014. Er zijn plannen om een nieuw soort bibliotheek te openen in de Spoorzone: ‘Bibliotheek2020’. Sprekers waren o.a. Rob Riemen, Monique Burger, Sander Duivestein. De volgende tekst is dus een ‘Nico Dijkshoorntje’, ter plekke geschreven, reagerend op de sprekers in het moment.

‘In een democratische samenleving is er vrije toegang tot informatie en kennis. Tilburg in navolging van de bibliotheek van Birmingham.’ ‘We moeten immers connected blijven, ondanks de pro’s en contra’s is dat een absolute must.’
‘De digitale bieb heeft een fysieke bieb nodig, en vice versa,’ aldus de twee steunpilaren van Henriëtte de Kok (bestuursvoorzitter van de bibliotheek).

Als boeken gezien kunnen worden als spijzen, dan is Rob Riemen de Johannes van Dam van de literatuur. Vingerlikkend verlekkeren we ons aan het varken aan ’t spit, met appel in de bek, der bibliotheken: die van Alexandrië.

Twee pijnlijke feiten, aldus Riemen:
1. De jongeren van vandaag zijn verwend.
2. De elite heeft ons verraden, ze zijn cultureel ongeletterd.

Het genie is volgens de prins op het witte paard van het Humanisme, nog niet verbannen, poëzie nog niet verbrand maar de leescultuur ligt nagenoeg op sterven.
Dit komt, volgens Riemen, door de onderwijselite, de politieke elite en de culturele elite.
Geen van allen vindt de cultuur belangrijk genoeg om het te doceren, door te geven of te verdedigen.
De verwende jongeren leren er niets over, beseffen niet hoe belangrijk het is, hebben te weinig meegemaakt om meegenomen te kunnen worden door een verhaal, en de elite staat erbij en kijkt ernaar.
Het is alsof ik mijn oudoom hoor spreken: ‘Jullie kennen geen echte problemen of armoede, jullie hebben het te goed, zijn verwend, weten niks en hebben geen grote verhalen.’ Zou Fukuyama met zijn ‘Einde van de grote verhalen’, dan gelijk hebben?
Tegen wie spreekt meneer Riemen? Er zitten amper jongeren in de zaal, en de rest is het al met hem eens of herkent wel iets in wat strenge docenten al eens zeiden, vroeger.
Ondanks dat ik het eens ben met meneer riemen wat betreft de makheid waarmee we de bezuinigingen hebben laten gebeuren, en hoezeer ik ook mijn mede-studenten heb verteld dat filosofie de volgende linkse hobby in de hoek zal zijn, zal ik mij toch even aangesproken voelen.
Ik verwend? Ja misschien, vergeleken bij vorige generaties. Maar de toekomst voor afgestudeerden ziet er momenteel ook niet rooskleurig uit. Is onze historische en culturele kennis minder uitgebreid? Ja, maar wij kunnen zeer snel opzoeken en daarna verbanden leggen. Zijn we minder elitair? Wellicht, maar we hebben weer een ander soort elite, inclusief gedrags- en kledingcodes.
Nu is de ‘tijden veranderen nu eenmaal’-kaart trekken een platitude, maar de ‘vroeger was alles beter, we moeten weer worden als toen’-kaart ook.
Mijn baldadigheid wordt aangesproken als ik hoor dat ze het ‘in Egypte wel kunnen’ en dat ‘jongeren daar wel investeren in hun cultuur.’ Weer die oudoom met z’n: ‘In Frankrijk zijn de kinderen beter opgevoed dan hier.’ Ik stelde de vraag tegen wie meneer riemen sprak, maar de vraag kan ik ook richten aan Sander Duivestein, die stelde dat jongeren tegenwoordig minder sociaal zijn door de sociale media. Het gaat om een andere taal die jongeren spreken. Het pleidooi, en de metafoor, voor ‘culturele tempels’, van meneer Riemen is bij voorbaat gericht aan mensen die het er al mee eens zijn.
Als je jongeren wil aanspreken dan moet dat niet met de ‘The Choice of Tilburg’, de recente marketingcampagne van de Gemeente Tilburg om meer jongeren naar de stembussen te krijgen. Dan denkt een ouder iemand: ‘Jah, ze vinden The Voice of Holland leuk, dus dan werkt The Choice of Tilburg ook!’ Zo gaat dat natuurlijk niet.
Goed, reagerend op meneer Duivestein: jongeren voelen zich misschien iets meer verloren. Wij vinden het moeilijk om nog ergens in te geloven. Er is een houding ontstaan in de vorm van relativisme en dwangmatige ironie, maar minder sociaal zijn we niet. Alleen als je sociaal ziet als enkel fysiek ontmoeten, maar dan geef je ’t antwoord natuurlijk al in de definitie.
Wellicht heeft die leegte een ruimte in onszelf opengemaakt. Gingen de vorige verhalen over tempels en hemelruimtes boven ons, de nieuwe verhalen gaan over de ruimte in ons die we moeten zien te vullen nu de jongere generatie globaler leeft dan ooit maar filosofisch gezien moeilijk nog in iets universeels kan geloven. Universeel in uitspraken als: Kunst is belangrijk! Mensenrechten zijn universeel! enz.
We moeten op onze eigen gronden weer bepalen wat belangrijk is en wat niet. We moeten zelf opnieuw tot de conclusie komen dat je mensenrechten wel als universeel moet zien. Niet omdat iemand zegt dat dit zo is omdat het zo is, dat werkt niet.
Met vergelijkingen als ‘hun leven is minder echt’, van meneer Duivestein, refereer je aan een echtheidsparadigma dat botst. Alsof wij ons leven als minder echt ervaren, elke tel van onze dagen?
Maar, terug naar de bibliotheek, waar je dit allemaal ook kan opzoeken.
Monique Burger (boekhandelaar in Bos en Lommer en vaste gast in de boekenrubriek van De Wereld Draait Door) lijkt het te snappen. Ze dwingt niemand maar stelt vragen. Welke woorden kies je bij een begroeting met je klanten en publiek? Hoe maak je mensen enthousiast? Zij zegt: ‘Geef, stel vragen en weer oprecht geïnteresseerd.’
Dus Bieb, je weet wat je te doen staat: Stel vragen en wees geïnteresseerd in je klanten van de toekomst. Spreek hun taal maar stel je niet aan en weet wat hun paradigma is.
Ik zal dan, naar voorbeeld van meneer Riemen, kritisch blijven en tot in den treure mijn leeftijdsgenoten aansporen om hun kloten uit hun broek te halen en te vechten voor hun interesses.

Die ezelsoren uit ’t verleden sla ik heus wel open, dan lees ik de oude passage en hoop ik er zelf ooit iets aan toe te kunnen voegen. Ik hoop dat de bieb daar gelegenheid voor blijft bieden: ezelsoren voor mijn lege ruimte.