Het infobordje naast het schilderij

10003263_10152056460792569_1495551804_n

Voor meer info en kaarten kijk hier: festivalcement.nl

Door Theaterfestival Cement ben ik gevraagd om als een writer in residence elke dag een tekst te schrijven over het festival en de voorstellingen. Het festival vindt plaats van 26 t/m 29 maart in en rond de Verkadefabriek te Den Bosch. De teksten zijn ‘Nico Dijkshoorntjes’, op de avond zelf geschreven en in hoog tempo. Ik dwaal rond als spion en festivalbezoeker, niets en niemand is veilig voor mijn pen, ikzelf nog het minst.
De vier schrijfdagen heb ik voor mijzelf opgedeeld in vier thema’s en vragen:
1. Wat voor mensen trekt Cement aan?
2. Hoe staat ’t met het theater?
3. Wat zijn de gedrags- en theatercodes en waarom?
4. Wat is festival Cement?

28-03-2014 Cement 3. Wat zijn de gedrags- en theatercodes en waarom?

Zaallicht uit, fade-in, licht feller en het is begonnen.
Je bent er.
Stefan Jakiela’s: ‘The White Forest With The Forgotten People’.
Drie vrouwen en een man reageren in ritme van hun bewegingen op elkaar en hebben alle vier een plooirok aan. Een regenwoud van de analoge elektronica-achtige soundtrack lijkt hen te bewegen en past in geluid heel goed bij de bloemen op de vloer, hun organische bewegingen en de witte decorvormen.
De choreografie lijkt geïnspireerd te zijn op een viewpoints-oefening. Meteen twijfel ik of het wel goed is dat ik het herken als viewpoints. Viewpoints is een bewegingsmethode die je kunt gebruiken om beter met ruimte, houdingen en mis en scène om te gaan. Het wordt gebruikt om een choreografie op een imaginair raster op de vloer te maken en goed te onthouden.
Van te voren krijgen we een A-viertje met informatie over de voorstelling. Dit is de tweede keer dat zo’n A-viertje wordt uitgedeeld en als je halverwege bent dan gaat ’t zaallicht uit dus dan kun je het niet meer lezen.

De spelers op de vloer hebben een open maar geconcentreerde blik en, zoals bij de kinetische tik-takballetjes bij de tandarts, worden ze bewogen door de bewegingen van de anderen en herhalen deze zo nu en dan.
Stefan Jakiela schijft: ‘Het maakproces heeft zich gericht op het openstellen naar de omgeving en een mogelijke andere gebeurtenis: oncontroleerbaar, organisch, niet logisch, met vallen en opstaan. Het berusten in de toestand kan, paradoxaal genoeg, juist voor verandering zorgen.’
Hij wil toeval en zijn, het zijn in een moment en alles is dan mogelijk. Wat er daar op dat moment op de vloer gebeurt is wat er is, zo is het uitgekiend door de maker en dat is het. Ik had bij de vorige Cementtekst dus niet moeten schrijven dat realisme uit is, want dit is toch een soort zorgvuldig uitgekiend realisme.
Tijdens de voorstelling zit ik na te denken over dat toevals-element. Als er écht sprake is van toeval in een ruimte, en álles zou kunnen gebeuren, dan zou het ook mogelijk zijn dat er niks gebeurt (al kun je ook zeggen dat niks niet bestaat). Maar niks zal er niet gebeuren want dat kan niet bij een voorstelling, of wel? Als alles zou kunnen in een voorstelling, stel dat dit ook echt het uitgangspunt zou zijn, waarom is de stoelenbarrière van het publiek dan een barrière? Waarom klimmen ze dan niet op mij, zou dat dan kunnen?
Het is interessant om op festival Cement het verschil te zien tussen de présence van dansers en van acteurs. De bewegingsacteurs in de voorstelling van Jakiela zijn heel erg aanwezig en je ziet aan hun ogen dat ze present zijn. Dansers lijken minder vanuit hun ogen te spreken, wellicht vanzelfsprekend.
In het type speler op de vloer lijkt een patroon te zitten:
Bij bewegingsvoorstellingen zijn de mannen vaak breed, gespierd, knap of juist ielig en sprietig. De vrouwen zijn vrijwel altijd ontzettend knap en etherisch of er is één eigenschap afwijkend of grappig aan ze, dan hebben ze grote voeten of hele lange armen. Een van de knappe meisjes op de vloer, heeft een hele poos een natte streng haar in haar mond en ze kijkt wulps en mistroostig in de verte alsof ze wil dat iemand haar troost of kust. De wereld van Jakiela is een witte lege sprookjeswereld waar ontmoeten en zijn mij laten mijmeren over rondzwervende neuronen, toevallig en toch wetmatig.
Na de voorstelling praat het publiek vooral met mensen die ze al kennen. Maar dat is misschien bij alle bijeenkomsten zo?
De theatermeneren kloppen elkaar op de schouder: ‘hé Karel, weet je nog toen en toen? Ah mooi man!’
Bij de theater- en dansvoorstellingen valt mij op dat er vaak wordt gekozen voor de diagonale beweging en positie. Ook bij ‘The Animated’ van Hilde Elbers en Lea Martini: twee stoeltjes, hun enige decor, staan op de diagonaal.
Twee vrouwen in rode coltruien dansen de techno beat van hun leven. Een lange heipaal hartslag sleurt ze van de ene uitputtende repetitieve beweging in de andere. Elke beweging lijkt op iets maar is het net niet. Ze vechten net niet, ze vallen net niet en ze bewegen net niet sexy. Daarvoor ontwikkelt elke beweging zich te snel tot de uitvergrote mechanische versie ervan. De code van de diagonaal gaat ook op voor de bewegingsrichting van veel dansers op het festival. Ik moet weer denken aan de voorstelling van Jakiela. De overeenkomst tussen deze twee voorstellingen is het element toeval. Bij Jakiela is toeval het uitgangspunt van het maakproces en daar wordt ik geconfronteerd met de niet-patronen van het toeval. Bij ‘The Animated’ van Elbers en Martini zou het bijna kunnen dat de bewegingen toevallig en in het moment zijn ontstaan, ware het niet dat er erg veel dynamiek in voorkomt in intentie en komische licht-uit-licht-aan tableaus. Bij de laatste voorstelling wordt toeval gebruikt om mij als kijker op het verkeerde been te zetten. Ik zie de grens tussen sensueel en agressief voor mijn neus verdunnen.
Wat is de functie van toeval in het theater, vraag ik mij de hele avond af. Wat is het aan toeval dat makers het willen tonen? Is het leven zelf toevallig? Is theater een manier om er structuur in aan te brengen of is theater juist een manier om te tonen wat er is?
Als je echt toeval wil laten zien, waarom zou je dan de grenzen van het theater erkennen? Mag ik dan ook heel hard door een voorstelling heen roepen? Waarom zitten we bijna altijd in een theater? Waarom moet er een fade-out zijn aan het einde? Zijn het enkel codes en afspraken om daarbinnen vrijheid te kunnen genereren? Waarom moeten we stil zijn en waarom wordt er toch vrij vaak verwacht dat ik als publiek de referenties en codes snap? Als ik ze niet zou snappen, en ik snap uiteraard maar een deel, zou ik dan nog weten waar ik naar zit te kijken? Voor wie wordt er dan bewogen en gespeeld? Moet ik de infobordjes naast het schilderij eerst lezen voor ik een schilderij bekijk? Is het noodzakelijk? Deze vragen zijn niet nieuw, er is in het verleden erg veel geëxperimenteerd en deze vragen werden toen ook opgeworpen over de Avant-Garde van toen. Ik meen ook niet de spot te drijven maar ik wil altijd graag het vanzelfsprekende bevragen, ik kan het niet stoppen. Ik begrijp en ervaar zelf ook dat de wereld verwarrend is, maar ik vraag mij af of makers zich vaak genoeg de vraag stellen voor wie ze iets maken. Toevalligheid bevindt zich overal om ons heen, maar wie connect the dots?

Ik heb ook maar toevallig een pen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.