Filosofisch

Bio Art en Matter of Life, een essay

.

Op 7 februari vond het symposium ‘Matter of art’ plaats in de MU Artspace te Eindhoven. In MU was op dat moment een tentoonstelling over Bio Art, speculatieve kunst die met levende materialen werkt.
Voor deze avond was ik gevraagd om de openingstekst te schrijven over het thema en ook om een nicodijkshoorntje te schrijven gedurende de avond. Hieronder is het essay dat ik als openingstekst heb geschreven te lezen

Ik had nog nooit gehoord van Bio Art, maar het verbaasde mij helemaal niet dat er gewerkt wordt met levende materie, het leek mij een natuurlijke stap voor kunstenaars in deze tijd, de volgende stap in de evolutie van kunst en de onderwerpen en materialen van de kunst. Daarna moest ik denken aan wat natuurlijk precies betekent, en evolutie?
Toen ik het foldertje las voor de Matter of Life tentoonstelling las ik het zinnetje: ‘Ingrijpen in de evolutie om de perfecte postduif te creëren.’ Ingrijpen in de evolutie, kan dat wel? Kun je ook volledig niet in de evolutie ingrijpen? Is eenvoudigweg bestaan niet al een ingrijpen in en een deelnemen aan de evolutie? Met die vraag bekeek ik de tentoonstelling, die werkelijk prachtig is. Terwijl ik langs de bloemen, schimmels, duiven en cellen liep bedacht ik dat deze kunst op twee manieren juist heel natuurlijk is. In eerste instantie is het natuurlijk vanwege de materialen, ook transgenese gebeurt uiteraard met natuurlijk materiaal. Maar ook het technologische aspect aan de kunst kun je zien als natuurlijk: ten eerste omdat het voortvloeit uit mensen en hun organische ideeën over organisch materiaal, maar ook zijn de technologische ontwikkelingen evengoed aan een natuurlijk proces onderhevig. In de Philosophy of Mind, en het Neo-Darwinisme, is zo’n tien jaar geleden een ontwikkeling ontstaan waar vanuit je de natuurlijke selectie van levende wezens en de technologische ontwikkeling als hetzelfde kan zien. Aan de ene kant heb je de genen, de zelf replicerende codes, die door natuurlijke selectie wel of niet worden doorgegeven of muteren, en aan de andere kant heb je de memen, de memes, ook wel de technologische of ideologische genen te noemen; hetgeen voortkomt uit ons, onze ideeën, paradigma’s, zelfs religie en alle technologie dus ook die uit ons voortkomt. Hoewel de eersten aan te wijzen zijn en ook zichtbaar gemaakt kunnen worden, en de tweede niet, volgen ze, volgens de nieuwe ideeën in een stroming van de filosofie, dezelfde regels. Een meme, zoals ook op internet, ontstaat, muteert, overleeft of niet en krijgt zelfs nakomelingen in de vorm van afgeleide memes. Bij de internetmemes is het onmogelijk om te traceren waar ze precies begonnen zijn, op een bepaald moment kun je ook niet meer zeggen dat ze werkelijk zijn ontstaan, ze zijn er. Zelfs als je een meme actief gaat zitten bedenken is het de vraag of het niet toch een afgeleide is van een meme die al eerder bestond, is de meme die jij zelf hebt bedacht of hebt veranderd, dus wel van jou? Zijn je ideeën van jou, je gedragingen die je doorgeeft aan je kinderen en je overtuigingen wel van jou? Wellicht is er een groter mechanisme gaande wat ervoor zorgt dat wij, naast onze genen, onze ideeën aanpassen en doorgeven. Dan is bijvoorbeeld de vraag:’ waarom wel het Christendom en niet de natuurgodsdiensten?’ te beantwoorden met: ‘omdat het nu eenmaal overleefde en de best aangepaste meme van dat moment was.’ Als je op deze manier naar de wereld kijkt is een ingrijpen in de evolutie haast onmogelijk, want de evolutie is er altijd en je bent er zelf onderdeel van. Je kunt niet afstand nemen van de evolutie en er dan weer induiken. Uiteraard is het toepassen van transgenese een ingrijpen, maar het is onmogelijk om te weten wat de status quo van de natuur is, gezien die in constante ontwikkeling en beweging is. De evolutie blijft bestaan, ook als je wat genen aanpast. Het hele mechanisme van de survival of the fittest zal blijven bestaan. Ook is, binnen dit perspectief, het onderscheid tussen natuur en cultuur, en natuurlijk en kunstmatig, zoals wij dat van oudsher onderscheiden, opgeheven. Wat er uit ons voortvloeit is een natuurlijk proces, er is geen terugkeer naar het ‘werkelijk natuurlijke’ want dat is net als een krokodil vragen of hij weer een vis wil worden. Ik weet niet zeker of ik het met dit perspectief eens ben, want het heeft verregaande consequenties voor onze ideeën over ethiek. Aan de andere kant, wellicht is dit perspectief gewoonweg een paradigma-verandering, was onze ethiek aan een grote schoonmaakbeurt toe en overkomt ons dit toch wel, of wij nu willen of niet.
Net toen ik met voorgaande bezig was hoorde ik dat er groeperingen zijn die tegen de Bio Art zijn, om ethische redenen. Dat verbaasde mij dan weer want deze kunstvorm scheen mij, hoewel zeer grensverleggend, in eerste instantie niet zozeer ethisch of onethisch toe. Er zijn blijkbaar twee soorten kritiek: de eerste soort is van de groep die gewoonweg vindt dat het spelen met het natuurlijke niet zou moeten mogen en dat dit ingrijpen in de evolutie en natuur per definitie onethisch is. Daar is dat ingrijpen in de evolutie weer. Ok, stél je zou kunnen ingrijpen in de evolutie, met de zekerheid dat die dan op een andere route afstevent dan anders, dan zijn de voorbeelden die genoemd worden in de folder niet helemaal de juiste, denk ik. De geniale ‘perfecte postduiven’ worden, voor zover ik begrepen heb, wel genetisch gemodificeerd, maar voornamelijk getraind en voorzien van chips voor de data, dat je hier een specifiek ras duif voor nodig hebt is logisch want ze moeten lange afstanden kunnen vliegen en goed kunnen leren. Als dat voorbeeld een ingrijpen in de evolutie is, dan is het trainen van mijn hond om een pootje te geven dat ook.
Een ander soort kritiek vanuit de verontwaardigen is dat jullie er van worden beticht een uithangbord van bedrijven te zijn. Dit laatste is een lastige want inderdaad kun je de vraag stellen of kunst die in dienst staat van het bedrijfsleven nog wel kunst te noemen is. Aan de andere kant: waarom het niet gewoon zien als een synthese van beiden? Het is zowel kunst als wetenschap en ook een manier om de leek te laten zien wat er allemaal kan en mogelijk zou kunnen.
Ik leerde dat Bio Art ook wel speculatieve kunst genoemd wordt, dat leek mij ook een betere benaming want het is in veel gevallen voorspellend of een soort poging om een mogelijkheid te opperen. Maar ook de kunst die geen Bio Art is kan natuurlijk speculatief zijn. Een andere kritiek waar ik over las is de aloude clichévraag of alles wat kan ook moet mogen? Dat is de meest moeilijke vraag vind ik. Gelukkig hoeven kunstenaars zich daar, mijns inziens, geen zorgen om te maken want als je bezig bent met kunst moet alles kunnen en anders zal de wet je wel tegenhouden, of arbeidscodes zoals in het geval van Charlotte Jarvis gebleken is. De moeite die het kost om een arts zover te krijgen om een rectoscopie uit te voeren op een gezond mensenlichaam is een rem die natuurlijk op het maakproces wordt gezet. Verder zou ik jullie, de kunstenaars, aanraden om de meeste ethische verontwaardigden niet te serieus te nemen. Niet omdat ethische kwesties niet belangrijk zijn en ze zijn ook interessant, maar omdat de meeste verontwaardigden geen echt goede argumenten hebben. Het meeste wat ik kon vinden op internet vanuit die groeperingen was gegrond in dezelfde argumentenbasis als de Pro-Life-groep, namelijk een vorm van: ‘omdat het me nu eenmaal tegenstaat’, en vervolgens doen ze alsof dat een uitspraak met een morele waarde is. Als er dan wel een filosoof is die wat roept, houdt dan ook altijd in gedachten dat filosofen zeer makkelijk over kunst schrijven maar meestal geen idee hebben hoe het is om uitvoerend kunstenaar te zijn.
Dan is er nog de publieke opinie op de sociale media, en daarvan word ik vaak melig. Vorige zomer was iedereen verontwaardigd over Monsanto, een bedrijf dat de natuur als eigendom claimt, in diezelfde periode was ineens iedereen solidair met Palestina, waarna iedereen het WK was. Daarna was iedereen de traan om de MH17 en tot een week geleden was iedereen Charlie. Ik betwijfel overigens de ernst van deze zaken niet, maar ik denk dat we het ook kunnen zien als voortvloeiend uit hetzelfde mechanisme waar vanuit onze ideeën voortvloeien; welk idee haalt het nieuws, welk idee is het best aangepast, welk idee overleeft. Welke ideeën wij over 50 jaar zullen hebben of als heel normaal en natuurlijk zullen ervaren weten we nu niet. Maar daarvoor zijn jullie! Gissen, fantaseren en maken zijn de leukste dingen ter wereld en Joost mag het weten!

Bio Art en Matter of Life, een essay Meer lezen »

Zoek Licht of Zoeklicht

Op 12 februari 2015 vond de opening van de tentoonstelling Zoeklicht plaats, een tentoonstelling samengesteld uit werk van de Fontys Collectie, waarvan het depot in Den Bosch zit. De tentoonstelling is geheel samengesteld door vijf laatstejaarsstudenten van de Fontys Academie voor Beeldende Vorming te Tilburg. Ik was gevraagd om hun tentoonstelling te openen met een voordracht. De tentoonstelling zal door het land reizen en nog enkele maanden te zien zijn. Dit is het essay dat ik voor die dag heb geschreven.

Dus ik open de tentoonstelling: bij deze. Zo, ik heb het abstracte lint doorgeknipt, een zware taak voor een lichte tentoonstelling. Het lint in de tentoonstelling is gespannen tussen een stip van Har Sanders, in ‘Een vrolijke bui’ en een stip in ‘Triangles’ van Paul Panhuysen, just connect the dots.. Maar wat zit er tussen de stippen, wat is de connectie tussen de ene en de andere stip? Het thema van de tentoonstelling is Zoeklicht, of Zoek Licht. Dus vandaag zit het licht tussen de stippen: wij schijnen licht op iets of het licht schijnt ons toe. De studenten die deze tentoonstelling hebben samengesteld hebben precies dit gedaan, zij hebben licht als thema, als bron, gekozen en laten ons dit licht zien door middel van de werken die ons toeschijnen, en ook het licht dat in die werken zit schijnt ons toe. Terwijl ik langs elk werk loop vraag ik mij af of ik een tentoonstelling als een geheel moet zien of als losse onderdelen met samenhang. Niets in een tentoonstelling is toevallig, er is geen objectieve manier van een werk tonen, de werken in de buurt van een ander werk beïnvloeden hoe ik kijk en een witte muur of verder lege ruimte is een keuze. Een van de eerste dingen die mij opviel was hoe tachtiger jaren de tentoonstelling is. Eerst had ik daar een verhaal bij bedacht over dat mijn leeftijdsgroep uitsluitend uit hipsters bestaat die hunkeren naar de tijd vlak voor en tijdens hun geboorte, inclusief enorme 80s feestjes met synthesizermuziek. Niets bleek minder waar: het depot is nu eenmaal ergens daarna grotendeels opgehouden met aankopen, kan gebeuren. Ik vond de verklaring ook wel jammer want het deed mij denken aan de hoekige inrichtingen van de huizen van mijn ooms en tantes vroeger. Echter, de tentoonstelling is hierdoor wel een soort strook van zo’n zandlagenpaal die ze in de grond duwen en waar je dan onderaan de schelpjes vindt uit de steentijd. De strook is een zorgvuldig samengestelde, uit een tijd waarin bijna alles kon, men nog snel een economische crisis doorkwam, iedereen een pak droeg en de garnalencocktail ontstond die velen nog altijd tijdens kerst moeten doorstaan. Het was, achteraf gezien, een lichte tijd vergeleken bij nu, zeker voor kunstenaars.
Wij zijn de eerste generatie die een moeizamere carrière zal krijgen dan onze ouders, dus wat moeten wij daarmee? Ik heb, tijdens mijn opleiding, nog net meegemaakt dat fondsen wilden dat alles vernieuwend was of multicultureel. De fondsen hebben nu minder geld dus daarmee is dat gezeur ook opgelost, maar wat moeten we met deze tijd waarin we beticht worden van te weinig originaliteit, te weinig strijdlust en teveel relativisme? Ik denk dat ook dit relativeren de beste oplossing is, en dan vooral de manier waarop er door generaties boven ons naar de geschiedenis wordt gekeken.
Vaak praten mensen graag over kunstenaars of denkers die hun ‘tijd ver voorbij waren’, en ‘uniek’, en meestal klopt dit helemaal niet. Of mensen nu spreken over Leonardo DaVinci, Immanuel Kant, Michelangelo of Mondriaan, je kunt altijd goed traceren hoe de tijd waarin zij leefden en hun, soms vrij onbekende, voorgangers de omstandigheden creëerden waarin zij konden floreren. De Verlichting was er ook niet ineens van de een op de andere dag, de Franse Revolutie was minder verlicht dan in de films en veel ideeën over hoe geweldig en bevrijdend de Verlichting was bestaat bij de gratie van een, voor die tijd, vrij precieze framing van de Middeleeuwen, die nadien niet voor niets en gedeeltelijk onterecht de ‘Dark Ages’ genoemd worden. Om iets te noemen: vaak wordt er gedaan alsof theologische kritiek onmogelijk was en iedereen dacht dat de wereld plat was. Men wist toen al een tijd dat de wereld niet plat was en filosoof/theoloog Thomas van Aquino heeft redelijk controversiële teksten geschreven en hij werd betaald en gewaardeerd door de Kerk. Veel oudere zuurpruimen hebben nog een idee dat de mensheid werkelijk ergens op afstevent, alsof er een eindpunt is en de mens een symbool daarvan, veroorzaakt door een interessante combinatie van kerkelijke opvoeding en net niet begrepen Darwinisme, wat op een oorspronkelijke willekeurigheid gestoeld is, niet op de mens als neusje van de zalm der evolutie.

Vroeger was helemaal niet persé beter en het is onmogelijk dat iedereen daadwerkelijk een opa heeft die in het verzet heeft gezeten.
Zo worden wel meer zaken uit de geschiedenis verheerlijkt vooral om deze tijd de grond in te boren. Door een vertroebeld beeld van wat vernieuwing inhoudt wordt het predicaat vernieuwend in deze tijd lijmloos gesproken, en zal het nergens op blijven plakken. Dus hoe zal, ondanks dat alles, de zandlaag-dwarsdoorsnede van onze tijd eruit zien als er over dertig jaar weer een tentoonstelling wordt gemaakt met werk van uitsluitend deze jaren? Zou het werkelijk een collage aan Vines zijn (hele korte filmpjes, is een app) waarin meisjes, in bloemenjurken van hun moeder, een time-laps hebben gemaakt van hoe hun ijsje lekt? Of een Snapchatverzameling van harige mannen met hun lul uit hun broek? Egodocumenten waarin het verzetsverleden van opa wordt opgerakeld? Coming-of-age performances waarin een jongen in David Bowie-kleding zijn eigen onvindbaarheid danst in een decor gemaakt van Ritalinpillen? Nee, dat zou te cynisch zijn en iets waar de ouwe zuurpruimen bang voor zijn, ware het niet dat ze niet weten wat Vine is en ook niet dat dit alweer passé is ongeveer.
Nee. Manus, een van de projectleiders van de tentoonstelling, gaf het antwoord: Zombie Formalism. Volgens Manus zou dat deze tijd samenvatten. Ik had wederom een heel verhaal bedacht bij de term, iets met hernieuwde angst voor de dood die ik ook in zombieseries denk te bespeuren, maar hier had het niets mee te maken. Er is maar een klein aantal artikelen te vinden over dit onderwerp en de definitie verschilt nogal, vooral afhankelijk van de smaak van de schrijvers, maar het is zoiets als dit: Een meta-kritische reductionistische schilderstroming die teruggrijpt op het minimalisme en action painting, ermee wil zeggen dat de uitspraak ‘schilderen is dood’-dood is, vandaar de term Zombie, er tegelijk commentaar op geeft en onmiddellijk beticht wordt van precies te zijn waar ze op afgeven (de glitz van een Jef Koons) en ook teveel inschikken in de telefoonfoto-cultuur en de happige geldwolven die opzoek zijn naar iets wat nét hip genoeg is maar ook decoratief op een zelfbewuste manier. Kortom.. er wordt veel van gevonden. Het interessante is dat de critici denken dat je creativiteit oproept door te zeggen dat iets niet creatief is, en het te vergelijken met voorgaande werken. Je krijgt niet iets nieuws door te roepen dat dit hier niet nieuw is. Zowel de ‘moderne’ critici als de ouwe zuurpruimen vergelijken denk ik teveel met vroeger. Hoewel je natuurlijk als kunstenaar goede kennis moet bezitten van de traditie kun je niets anders doen dan er doorheen gaan, ook als dat een teruggrijpen op het voorgaande betekent, alleen zo kom je door je ideeën heen, je kunt er niet op- of afstappen zomaar op een moment.
Enkele dagen geleden heeft Freek de Jonge onze generatie even afgezeken, zoiets komt van hem niet als een verrassing natuurlijk. Hij vindt ons relativistisch en ironisch en weer door die ironie relativistisch. Misschien heeft hij gelijk, maar wat hij niet snapt is dat wij niet ineens anders kunnen worden, wat hij zou willen, want dan zouden we bevelen opvolgen. Hij snapt ook niet dat wij, ondanks onze retro/vintage-honger, helemaal niet willen dat het net als vroeger is. Willen wij in een oorlog strijden om daar grote sterke jongens van te worden? Willen wij een hongerwinter overleven om goede moraal en een goed arbeidsethos te winnen? Ik spreek voor mijzelf als ik zeg dat ik heel blij ben dat we dit niet meemaken en ik wil er dan ook vanaf nu niet meer mee vergeleken worden. De oude moraal hoort bij vroeger, nu is nu. Het enige wat we kunnen doen is maken, gewoonweg heel stom en simpel en ontzettend moeilijk iets maken. Maak wat je zelf wíl, iets anders slaat nergens op. Zet twee stippen op het doek of op papier of op een scherm.
De ene stip is het begin van de tijd, de andere stip het einde van de tijd. Wellicht zijn ze één en dezelfde stip, er is maar één manier om daar achter te komen: just connect the dots!

Zoek Licht of Zoeklicht Meer lezen »

Funeraire Academie

Door de Funeraire Academie ben ik gevraagd om voor en tijdens hun Expertmeeting teksten te schrijven op basis van hun thema. Het symposium had als thema: \’Fundamenten van Ritueel: Taal, Handelen, Ruimte en Tijd\’ en vond plaats in het Crematorium Tilburg op 18 september 2014 waar een nieuwe aula geopend werd. De Funeraire Academie is een organisatie waar de praktijk (Uitvaartondernemers en ritueelbegeleiders) en theorie (hoogleraren religiewetenschappen en Het Nederlands Uitvaartmuseum) elkaar ontmoeten, zij doen onderzoek en denken na over de ontwikkelingen binnen de uitvaartindustrie.
Ik heb de eerste twee gedichten van te voren geschreven, de laatste tekst in dit rijtje is het Nico Dijkshoortje van die dag.

Kleine doodsangst

Als ik dood ben,
ga ik niet naar gene zijde,
ik blijf keurig op mijn plaats.
In nette jurk gehesen blijf ik liggen
en verroer geen vin.
Geen andere kant
Geen overgang
Geen: ‘Deze is voor jou, Es!’
Alleen mijn ene gezichtsuitdrukking
met een twijfelachtige schouderophaal: ‘Meh.’
Mijn voeten, in schone witte sokken,
rusten op een blokje, mijn bed thuis blijft leeg.
De rundervinken blijven onaangeroerd
op mijn gaspitje staan.
De planten op mijn vensterbank
zijn de enigen die veranderen.
Geen grote woorden
Geen verborgen anekdotes
Vooral geen stoffige meneer
die iets zegt over hoe ik naar een goede plek ga,
hoe mooi en betekenisvol dat allemaal is
want daar is dan niets van waar.
Ik blijf.

Over de doden niets dan koffie

Ik pak een kopje koffie van het dienblad en denk:
‘Als ik er ben is de dood er niet, als de dood er is ben ik er niet.’
Epicurus had het goed bekeken, het is de bezwerende zin die hem zo beroemd heeft gemaakt. Het lijkt een cliché, maar op mij heeft de uitspraak nooit een lege indruk gemaakt, hij blijft mij geruststellen. Zo ook de ideeën van Plato, hij liet Socrates de woorden spreken: ‘Als filosoof is het leven zelf een oefening in het sterven, de ware filosoof heeft geen aanleiding om bang te zijn voor de dood. Het lichaam is eerder een last en de dood een bevrijding.’
Ik denk dat het lichaam-geestonderscheid een onzinnig onderscheid is, maar de idee dat de filosoof voornamelijk van het lichaam af wil vind ik wel geruststellend.
(Overigens: als u filosofen wil zien met veel geest en amper een lichaam dan raad ik u aan om rond te lopen op de faculteit Filosofie, veel docenten en professoren daar slepen hun lichaam slapjes achter hun geest aan.)
Wellicht niet hier-en-nu genoeg voor Hester Macrander (Uitvaartspreker), maar voor mij nog geen cliché. De anti-ritueelsentimenten van Hester Macrander, en enkele andere ritueelbegeleiders die een lezing geve, roepen vragen bij mij op als: Is het omgekeerde van een ritueel niet nog steeds heel erg een ritueel? En: Is het woord ‘authentiek’ in een omcirkeld schema niet het omgekeerde van authentiek? In de pauze leg ik mijn vragen voor een Jan Renkema (hoogleraar taal aan de Uvt) en hij knikt.
Ik word juist zenuwachtig van woorden als: ‘authentiek’ en ‘oprecht’, ‘gevoel’, en zinnen als: ‘emotie in de taal’ en ‘taal moet communiceren!’
Want, denkt mijn nerdengeest dan: Hoe kan taal nou niet communiceren?
Misschien beter of minder goed maar emoties zet je om in taal en dus communiceer je per definitie. Je kan toch niet spreken zonder te communiceren??

Het mooiste aan taal rondom de dood vind ik dat je de doodsangst kan bezweren.
Dus rijst bij mij de vraag: Ben je na een uitvaart juist banger of minder bang voor de dood? Hoe maak je mensen minder bang? Taal en handeling heeft op iedereen een andere uitwerking, net als de filosofie. Sommigen worden gek er gek van en ervaren een eindeloze, bodemloze, regressie terwijl ik in die uitspraken van Plato en Epicurus juist geruststelling en herkenning vind; dat men al duizenden jaren dezelfde vragen stelt maakt mij minder eenzaam, bevestigt dat ik niet knettergek ben en maken mij ook bescheiden. Want wat is er nu minder origineel dan geboren worden en sterven?
Die: ‘We doen het allemaal’-attitude is denk ik wat en uitvaartritueel behelst.
Allemaal bezig zijn met de dood, allemaal onze eigen sterfelijkheid nog eens overdenken. Maar zijn we dan aan het einde van de middag blij dat we allemaal doodgaan of kijkt u naast zich en denkt u: ‘Nou, hij liever dan ik!’
Tijdens een lezing over het ontwerpen van een crematorium zegt iemand achterin de zaal dat een cirkel de meest democratische vorm is. Maar, stel ik mij voor, dan zit je ook steeds naar je demente oudtante te kijken.. ’zal zij de volgende zijn? Misschien maar ’t beste..’

Wat mij opvalt op deze dag, en wat bij meerdere lezingen langskomt, is het grote onderscheid dat er gemaakt wordt tussen het gevoelige ritueel en het plechtige traditionele ritueel. Het eerste wordt dan vandaag geduid als gevoelig en het tweede als gevoelloos of afstandelijk.
Het nadruk leggen op iemands leven en lichaam wordt dan gevoelig, het plechtig en algemeen spreken over de dood is dan koud en gedateerd en vooral ver verwijderd van de individuele rouwbeleving. Het is een veelgehoord onderscheid: emotie vs. ratio, maar wat houdt het in?
Dan komt Paul Post (hoogleraar religie aan de Uvt.), met zijn haast onomatopeïsche naam: Paul Post, zijn woorden schieten net zo raak als de p’s in zijn naam!
Als dat onderscheid gevoel=beleven/plecht=gevoelloosheid een juiste is dan is de enorme hoeveelheid stille tochten, gedichten en tranen om de MH17 dus hét summum van gevoeligheid.
Mijn familie is Joods, maar niet religieus, en ik ben opgegroeid in Amsterdam. Dode Joden gaan vaak het liefst nog dezelfde dag de grond in, er is geen tonen van het lichaam want eindig in tegenstelling tot de ziel, enzovoort.
Dit zou dan dus als heel koud en afstandelijk gezien kunnen worden, maar iedereen staat stil bij de tijdelijke dood (totdat de Messias komt).
Toen ik in Tilburg ging studeren zag ik voor het eerst opgebaarde lichamen, opa’s en oma’s van vrienden en kennissen. Dit kende ik wel, maar alleen uit documentaires over vroegere pausen. Deze mensen wilden katholiek of traditioneel zijn, of daar nog een lichte band mee behouden. Ik begreep niet waarom dat lichaam dan zo belangrijk geacht werd, dat is het voor een Christen toch helemaal niet als de ziel onsterfelijk zou zijn?
Ik zag wel dat de licht katholieke uitvaarten ruimte biedt om voor iedereen afscheid te nemen zoals zij prettig vinden.

Bij de MH17 voelde ik mij erg gedwongen tot groepsrouw, enkele weken na de groepsvreugde van het WK voetbal. Het voelde bijna alsof ik niet in mijn eentje mocht mijmeren, en mijn vraagtekens jegens stille tochten werden gezien als een uiting van respectloosheid. Ik kan mij zo slecht voorstellen dat je tijdens een stille tocht daadwerkelijk iets aan het voelen bent dat met die MH17 te maken heeft.
Voel ik minder als ik niet in een groep voel?
Als het emotie/anti-emotie onderscheid standhoudt dan is de Orthodox Joodse begrafenis erg ongevoelig en onpersoonlijk. Ik zou zeggen: wel onpersoonlijk maar niet noodzakelijk ongevoelig. De plechtigheid biedt van binnen ruimte voor je eigen gedachten, juist door de kaders die gesteld worden.
De dood geldt voor ons allemaal, ik ga niet doder dan een ander. Uw dood is mijn dood, of is dat te afstandelijk?
Ach, vandaag is ook een ritueel, met afgesproken gebruiken en handelingen. We zijn allemaal onze eigen kleine Yarden, Dela en Monuta.
Ik voel mij.. Dorstig. De ovenruimte was nogal warm.
Ik drink twee slokjes koffie en zie geen Yardenlogo in mijn kopje. Ik drink verder en verder, als het leven zelf, en verder en dan.. is er niets, of.. koffiedik kijken?

Funeraire Academie Meer lezen »

Scroll naar boven