Porcelijntje

Een ‘Porcelijntje’ (voorheen: ‘NicoDijkshoorntje’) is een tekst die ter plekke in het moment wordt geschreven, de vorm kan variëren. Ik word veel gevraagd om dit bij debatten, voor festivals, of tijdens symposia te schrijven. Tijdens het evenement of de lezing schrijf ik de tekst en observeer en reflecteer ik in hoog tempo. Na afloop, meestal als afsluiter, lees ik het dan voor. Deze teksten zet ik op mijn site zodat de aanwezigen de tekst kunnen nalezen, ik krijg vaak dat verzoek. Voor alle andere mensen zal er wat context ontbreken maar ik probeer altijd tussen haakjes aan te geven over wie ik het heb en wat de betreffende spreker heeft gezegd.

Een vlucht ganzen

Op 30 november was ik gevraagd om een Porcelijntje te schrijven op een dag voor coaches van Defensie in Rijswijk. Deze dag was bedoeld om de interne coaches een beter idee te geven van wat zij anderen kunnen bieden en hoe ze dit kunnen formuleren. Deze dag werd geleid door het bedrijf ‘Human Centered Branding’ met Natasja Draer en Joey Vermijs, die de coaches allerlei opdrachten gaven om hun kunde en kennis beter te leren communiceren.

Vanochtend vloog er een enorme vlucht, of toom, ganzen vlak boven de afslag bij Nootdorp. Ze vlogen in meerdere formaties en ik kon nog net veilig zien hoe twee ganzen zich bij een nieuwe formatie voegden. Een oude of zieke gans raakte steeds verder achterop terwijl de voorste vogels net meer snelheid maakten voor een nieuwe afslag richting het zuiden. Er vlogen wel tweehonderd vogels maar slechts vier of vijf eenheden. Ik kon onmogelijk blijven kijken zonder een ongeluk te veroorzaken, miste bijna de afslag en kwam hier aan.

Dit gebouw is ordentelijk, dat woord komt meteen in mij op. Grijze bakstenen, overzichtelijk ingericht, duidelijke bordjes en hier en daar een medaille of insigne en natuurlijk zo nu en dan een Sloveense militair. Tussen de appeltaart en koffie door kijk ik om mij heen: wow wat is iedereen lang! Dat vind ik wel vaker natuurlijk maar iedereen hier is twee meter lang, ook de vrouwen!
Defensie tot nu toe: lange mensen in een achthoekig gebouw.
Vlak voordat we de zaal in gaan hoor ik een man zeggen: ‘ik sta er nogal tweeslachtig in’, terwijl hij een grote hap appeltaart eet. Dat belooft wat!
Erik Joosten vertelt ons over de groei aan coaches en Natasja en Joey vertellen ons over Branding.
Coaching en Branding. Twee woorden die de afgelopen jaren steeds vaker gebruikt worden en Joey en Natasja laten zien hoe zij zichzelf hebben ‘gebrand’: als respectievelijk een ‘starter, not a finisher’ en als een ‘ja-knikker’ Goed, ja prikkelend en je onthoudt het en dat is de bedoeling.
De voorbeelden die ze in hun presentatie geven zijn razend interessant. Van de kern van waarom je mensen helpt tot en met het beseffen dat wat als exentriek wordt gezien stiekem gewoon ‘jezelf zijn’ is, aldus mevrouw McHughes. Ondertussen probeer ik mijn argwaan jegens het woord ‘coach’ te ontrafelen.

In het proces waar Natasja en Joey ons doorheen helpen zijn we ineens allemaal een Michael Jordan (voortkomend uit een uitspraak van Obama waarin hij vertelt dat Michael Jordan zo goed is in iets dat andere mensen bijv. ‘de Michael Jordan of computer science’ zijn). Iedereen in de zaal moet benoemen waar hij of zij goed in is. Enkelen zeggen: verbinden, confronteren, empowerment, leervragen, out of the box. Vervolgens gaat het over authenticiteit, jezelf-zijn, en tot je eigenheid komen.
Dan ineens besef ik waarom ik de term ‘coach’ niet helemaal vertrouw: het is net als met ‘branding’, ‘authenticiteit’ en ‘out of the box’. Het zijn allemaal woorden die vaak gebruikt worden, modieus zijn en redelijk recent in hun huidige betekenis gebruikt worden maar waarbij ik mij altijd afvraag: wat betékent het?
Ik heb zojuist een huis gekocht en kwam er daardoor achter dat je bij de bank een hypotheek-coach kan krijgen. Er bestaat ook zoiets als een stoppen met roken-coach en een winkel coach en een meditatiecoach. Zo’n hypotheek-coach is natuurlijk niet te vertrouwen. Zo iemand is van de bank, behartigt de belangen van de bank en zal dus vooral die belangen coachen. De bank heeft dat prachtig ‘gebrand’ als: ‘we zijn hier voor ú’. Geniaal natuurlijk!
Kijk, ok, ik begrijp jullie coachingsvorm wel en ik wil ook niet flauw doen. Ook begrijp ik dat er steeds meer behoefte aan interne coaches bij defensie is maar een coach zie ik altijd voor mij as iemand met een fluitje op de nek. Wellicht hebben jullie interne fluitjes.

De termen die genoemd worden als: ‘leervragen’ en ‘in de eigen kracht’ klinken leuk maar ook power-pointy. Ze komen zo uit zo’n associatie-web op een slide uit een cursus. Toch hang ik aan de lippen van Natasja en Joey en daardoor bedenk ik dat het blijkbaar heel belangrijk is hoe je iets zegt. Die twee weten op de een of andere manier bepaalde vragen te stellen, allemaal best ontspannen en nonchie, waardoor je beseft dat niet alles wat je in je hoofd hebt ook overkomt en dat je dat dus naar buiten moet brengen. Jezelf zijn… jezelf zijn.. dat is toch zowel het makkelijkste als het aller moeilijkste om te zijn? Dus geen blad voor de mond nemen, zoals de voorbeelden aan het begin van Anouk, Jules Deelder en de oude excentriekelingen laten zien. Maar wél een blad voor de mond nemen zou dan toch ook jezelf-zijn kunnen betekenen? Authenticiteit is een relatief nieuw concept uit de eind 19e/begin 20e eeuw. Het ‘ware zelf’ wat overblijft nadat al het neppe is afgepeld. De term bestaat vaak als negatieve beschrijving: niet-nep en niet-gekunsteld. Je ziet het tegenwoordig veel bij productbeschrijvingen: ‘échte boerenkaas’ en ‘authentiek en ambachtelijk gebakken brood’ en ‘onbespoten glutenvrije quinoasalade’. Allemaal beschrijvingen die impliceren dat het andere dus niet-authentiek is.
Dan hebben we nog ‘image’: de gecondenseerde gebrande vertaling van dat authentieke zelf. Is dat ‘jezelf’ of is dat ‘jezelf als performance’? Ik vind het razend interessant maar ik vraag het mij gewoon af.
‘Kwetsbaarheid’ is ook zo’n term. Wanneer ben je dat dan? Als je huilt? Als je een geheim vertelt?
Een moeder van een vriendin van mij zei eens, toen we nog kinderen waren: ‘het gaat er niet om hoe je bent, het gaat erom hoe je overkomt.’ Dat heb ik altijd onthouden en ook altijd verdrietig gevonden.
Vandaag gaat over een synthese tussen beide werelden: hoe je bent naar voren halen in hoe je overkomt. Klinkt makkelijk, is het denk ik niet, maar wel zinnig: als een coachee jou wil vinden moet hij of zij weten waarop te zoeken en wat jij als coach biedt.
Je kan ook niet overkomen als niks. De te lange coachomschrijvingen die Natasja aan het begin liet zien komen over als iéts en misschien iets wat je niet bedoelde. Hoe dan ook kunnen we concluderen dat ‘branding’ zelf heel goed aan branding heeft gedaan.

Tijdens de lunchpauze kijk ik om mij heen en wat opvalt zijn de schouders. Bijna alle mannen hebben ontzettend rechte schouders en lopen heel trots en rechtop. Als ze stilstaan zetten ze hun voeten net iets verder uit elkaar dan wij gewone burgers. Ook hebben ze opvallend vaak stevige, doortastende, onderkaken en een beetje vierkante haarlijnen. Niet te missen zijn de leren puntschoenen met veters.
De vrouwen zijn allemaal hartelijk. Dit zijn de meisjes uit het hockeyteam vroeger: zakelijk maar warm en met kleding die lijkt te zeggen: ‘je neemt mij serieus maar je komt ook naar me toe om even te praten.’ Allemaal no-nonsens types.
Tijdens het eten spreek ik Mees. Ik spreek hem aan met ‘u’ en Mees vraagt waarom ik hem u noem. Die vraag had ik nou nooit verwacht van een militair!
Ik zeg: ‘omdat u eh jij mag bepalen of ik u eh jou jij mag noemen. Mees vond dat interessant want dat deden zijn kinderen nooit bij anderen. Misschien zagen ze hem te weinig in uniform?
Mees vertelt dat hij opgeleid is als apotheker, nu als militair werkt voor de patiëntenzorg van defensie en ook coach is. Ik vraag hem of hij nog wat aan zijn basistraining heeft. ‘Natuurlijk!’ zegt een mevrouw naast mij. Mees zegt dat hij nog altijd wat heeft aan de kameraadschap en dat gevoel wat daarbij hoort. Hij vertelt dat het veel verder gaat dan je pak goed aan kunnen trekken en om zeven uur al fris klaar kunnen staan. De man naast Mees zegt dat niemand sterft voor ‘volk en vaderland’ maar wel voor de kameraden, voor de eenheid, voor vrienden. Terwijl we onze broodjes eten stel ik me voor dat we in zo’n hipstercafé zouden zitten waar je die authentieke boerenkaas op oorspronkelijk speltbrood kan eten. De militair als hipster in een verfomfaaid retro-uniform. Dan zouden we met gehaakte blaadjes lekker gecamoufleerd opgesteld onder een duurzame steigerhouten tafel zitten. ‘Even helemaal lekker jezelf zijn’ hoor ik de reclamestem al zeggen.
In elk gesprek dat ik voer valt me op hoe aandachtig jullie zijn, ook naar elkaar. Tijdens de presentaties luistert iedereen en de opdrachten worden serieus uitgevoerd.

Twee mannen aan een statafel zijn aandachtig met elkaar in gesprek. Een pakt zijn why-how-whatpapier op en draait het een paar keer rond. ‘Believe in your dreams, is dat wat?’ vraagt de een. ‘Nee moet wel Nederlands’, zegt de ander. ‘Durf in je dromen te geloven’, zegt de een dan. ‘Jaja’, zegt de ander weer. In de beeldronde kraak ik even een noot met Gaby, die ook weer zo’n opvallend intelligente en aandachtige blik heeft. Ze wil iets met goed-beter-best en iets met puntjes op de i, ontwikkeling en groei en een goed beeld daarvoor. Ze zegt dat ze helemaal niet verwacht dat álle puntjes meteen op de i staan. Dat iemand daar misschien een psycholoog voor nodig heeft maar dat zij uiteindelijk met die puntjes kan helpen. In de salon voeren Oekraïense, Duitse en Nederlandse militairen in uniform een filosofische discussie over de NAVO en over of iets not-classified is of un-classified. Een van hen zegt: ‘it can never be not-classified, it is maybe un-classified, why would we use the words otherwise?’
Later google ik defensie even. Er komen misschien nog bezuinigingen aan en ik kom erachter dat ik te klein ben om ooit nog militair te worden.

Die bezuinigingen snap ik niet. Met ál die spanningen in de wereld zijn wij Nederlanders wellicht wat gewend geraakt aan de veiligheid in ons land. Het gaat dan om hetzelfde argument als die anti-vaccinatiegroep die dan zegt: ‘maar niemand hééft toch polio?!’
Nee precies.. we zijn zo veilig omdat jullie blijkbaar iets goed doen. Mensen die ons veilig houden hebben soms wellicht ook zelf hulp nodig bij iets groots of bij iets kleins. Elk mens heeft vragen of loopt tegen dingen aan. Zoals Natasja, Joey en Disneyprins Erik Joosten zeggen: om een ander te kunnen helpen moet je jezelf kennen, als eenheid maar ook als individu. Dus weg met de bescheidenheid en hier met de tikkie trumpiaanse slogans! Ik heb vanaf nu mijn eigen ondertitel voor de reclamecampagne van defensie. Met jullie priemende open aandacht en concentratie. Als je dan ooit ‘jezelf’ kwijt bent dan schiet Disneyprins Erik op zijn vlucht droneganzen te hulp. Hij is nu al razend populair namelijk.
Defensie: je moet het maar kunnen; met aandacht.

Een vlucht ganzen Meer lezen »

Onconferentie

Ik werd gevraagd om op 29 september een Nicodijkshoorntje te schrijven voor de Onconferentie van de gemeente Oosterhout. De avond was gewijd aan de nieuwe Cultuurnota en hoe er nu nagedacht kan worden over cultuur in deze tijd. De bedoeling was voornamelijk dat er per tafel over telkens een ander thema gediscussieerd werd. De avond vond plaats in de publiekshal van het Stadhuis

Op mijn weg hierheen stond ik in één lange file vanaf Rotterdam. Foeterend zag ik mijn ruime optijdkom-marge krimpen. Toen ik uitgefoeterd was ging ik mijn zinnen verzetten en nadenken over waar het plotse remmen na elk stuk toch vandaan komt?
Invoegstroken vertragen de boel wat, ja, en sommige mensen gaan al een kilometer voor de afrit 80 rijden. Ook is het gewoonweg druk op de weg, maar waar komt de vertraging nou echt vandaan?
Één van de punten waar het mis gaat is bij het ritsen. Mensen rijden tot het einde van de strook, waardoor ze stil moeten gaan staan en de rijstrook rechts van hen dus ook. Zou hiervoor zo’n ‘hef de scheidsrechter van de F-jes’-oplossing voor kunnen bestaan?
Ik ga erover peinzen, en nog veel belangrijker: de onconferentie is begonnen!

De inval-wethouder, Marcel Willemsen, is aanwezig hoor ik. Opletten geblazen dus want invallers zijn altijd het strengst
Mister 3.0 himself Hans van Driel vertelt mij dat ik ook een reus ben. Dat heb ik nog nooit gehoord! We moeten van Hans leren hoe we het zelf moeten doen. Naast dat dit het motto is van het Montessorionderwijs bespeur ik een snufje participatiesamenleving van Mark Rutte. Dat is niet erg hoor, heel begrijpelijk.
Maar, laten we eerlijk zijn over waarom er meer noodzaak is voor participeren, holistisch en web-achtig werken en het moderne onoverkomelijke 3.0-denken.
De oorzaak is……. Geldgebrek! Laten we wel wezen.
Er is nu eenmaal minder geld voor alles, maar vooral relatief voor cultuur.
Ja, natuurlijk moet je dan creatief zijn en de handen uit de mouwen en meer samenwerken en minder verkwisten en meer community-denken. Maar, we zullen vooral wel moeten!
Er is geen geld meer voor grootschalige toneelstukken waar 100 nieuwe kostuums voor genaaid moeten worden. Er is geen geld meer voor een heel subsidieleven van een schilder die twee goede schilderijen gaat afleveren.
Ook heerst er angst voor het boven ’t hoofd hangende tegenargument van de cultuurónminnende mens: ‘dus, het geld voor dit hoogabstracte rotondekunstwerk gaat nu niet naar het pakket Tenalady voor mijn demente moeder.’
Eens kijken wat er dan wel kan, in een zaal vol radicale en informele ambtenaren.

In de pauze hoor ik netwerkende mensen met elkaar netwerken. Iemand zegt: ‘ik ben héél visueel ingesteld’ en weer een ander zegt: ‘ik voeg het gewoon toe aan mijn emotie!’
Aan de tafels wordt druk gesproken over cultuurcoaches, over kunsteducatie en de broek ophouden. Twee dames en een heer discussiëren over hoe Oosterhout weer trots wordt op de eigen talenten en culturele successen. De heer wil laten ziendat Oosterhout dus een goede stad is als kweekvijver voor talent. Maar, vraagt één van de vrouwen: wat is het doel, wat heeft Oosterhout eraan?
Dat zijn goede vragen!
Niemand gaat in Volendam wonen omdat Jan Smit er vandaan komt, op enkele gekke fans na. Ook kun je de vraag stellen of Henk Westbroek Henk Westbroek is door Utrecht?
Wat het Oosterhout ook op moet leveren, laat het niet zo uit de hand lopen als de van Gogh-hype in Zundert. Alles is daar nu van Gogh
Het levert geld op maar ’t is natuurlijk wel ellendig al die mokken, routes en dagen. Ergens maak je het ook dood door er zo mee om te gaan.
Ene Arno vraagt zich af wat de definitie van cultuur is. ‘Wat willen we ermee? En wat hebben we er voor over?’ vraagt een mevrouw die Cock heet.
Ja, wat moeten we ermee?

Misschien valt er nog iets te halen uit mijn file-avontuur.
John Nash, van die film ‘A beautiful mind’, had de theorie van Adam Smith (dat wat voor jou het beste is, hetgeen is wat het beste is voor iedereen), gefalsifieerd. Nash stelde dat wat voor jou én voor de anderen het beste is, hetgeen is wat het beste is voor allen.
Dus, tot het einde van de ritsende strook blijven rijden lijkt het beste voor jou, maar is dat niet want jij voegt vervolgens in een trage strook in die traag zijn gaan rijden voor jou.
Netjes ritsen op het juiste moment is het beste én het snelste voor allen, maar echt goed lukt het nooit.
Dus.. moeten we het ritsen opheffen? Of auto’s? Of mensen die niet kunnen ritsen gewoon opheffen?
Hoe moeten we de cultuurnota ritsen? Wat is het beste voor allen en jezelf?

In elk geval blijven doorrijden, liever langzaam dan stilstaan. Als we het aan de community gaan overlaten, wie schept dan het kader en speelt een fractie van een seconde voor reus?
Ik denk Hans van Driel, of anders de beveiliger van vanavond Maurice. Hans wijst aan, Maurice houdt in de gaten
Wie toch stil gaat staan mag zich vervolgens melden bij de formele en behoudende informatiebalie in dit stadhuis.
Maar.. ivm privacy voor de lijn wachten aub.

Onconferentie Meer lezen »

Vrije School

Voor 8 maart 2016 was ik gevraagd om een Porcelijntje te schrijven voor de vrijeschoolconferentie in Zeist. Deze dag werd georganiseerd rond het thema ‘passend onderwijs binnen de Vrije School’.

Onderweg in de bus hierheen zaten een jonge man en vrouw achter mij met elkaar te praten.
Hun stemmen klonken zo vriendelijk, ik wist daardoor zeker dat ze ook naar de conferentie onderweg waren.
De jongen begon over tijd te praten en samen raakten ze een beetje verstrikt in het onderwerp: ‘ja want’, zei de jongen, ‘stel je kan de tijd echt even stilzetten, en je kan overal even kijken hoe laat het is, waar is dan het beginpunt? Hoe laat is het nu dan precies aan de andere kant van de wereld als het hier twaalf uur s’ nachts is?’, vervolgde hij. ‘Ja, twaalf uur s’ middags dus’, zei het meisje. ‘Maar waar begínt de tijd dan?’, ‘o op die manier, jaja nou het meten van de tijd begint daar dus, het lopen van de klok!’
Toen moesten we uitstappen. Er liep een aantal vrouwen met zelfgebreide mutsen dus die volgde ik maar. Ja, ik weet het, ik ben niet onthouden van wat vooroordelen over de Vrije School. Het beginnen met een ochtendspreuk, theorieën van Steiner.. van een afstandje heeft het een hoog zweefgehalte en verwacht je dat alle leraressen hun kleding vilten, iedereen GroenLinks stemt en er vrij veel glutenvrij gegeten wordt. Ik geloof die dingen niet écht, maar ik toets even de vooroordelen die voor de hand liggen. Ergens zijn die mijn hoofd ingekomen door de coole vriendinnen van vroeger die dan op de Vrije School van Amsterdam zaten. Die rookten dan al en hadden kapotte panty’s aan. Zij grapten over de rituelen op hun school en deden de meest zweverige docenten na. Die herinnering zit er goed in.
Merel Boon laat ons nog verder terug onze herinnering in gaan. Helemaal terug naar toen ik kroop, in dier-lijn als larf. Daarna leidt ze ons door de hele chronologie van het leven, tot en met wat het mens-zijn in volle ontwikkeling inhoudt. Het voorstellen van jouw plek op de wereld, met alles waar je voor gemaakt bent en bestaand in een tijd die langer zal duren dan jijzelf. Mooi.
Tijdens de werkgroepen ga ik dan maar naar de les die mij het meest ‘Vrije School’ aandoet: Planetentypen van Joep van Dongen.
Joep is scheikunde- en biologieleraar maar nu vertelt hij als moderne alchemist over de ‘Marskwaliteit’ en over dat Venus gekoppeld is aan het metaal koper en aan de organen nieren en darmen. Maar voor ik zelfs al tot een sceptische gedachte kan komen zegt hij: ‘maar verlies je niet in de indeling van typen en soorten, de mens is veranderlijk.’
Ik interpreteer zijn opmerking als: blijf onthouden dat een model de werkelijkheid representeert, dus verlies je nooit in het model want dan verlies je de werkelijkheid.
Alchemist Joep vraagt ons om op basis van enkele casussen de planeettypen te duiden. Ergens snap ik iets niet. Refereren deze werkelijk aan de planeten zelf? Zijn deze typen inherent aan de planeten? Refereren de menstypen aan de historische archetypen? Is het bedoeld als meer dan alleen bruikbare handvatten? Ach, ik pak dit natuurlijk veel te cerebraal aan, typisch een Jupiter geloof ik. Joep geeft ons een opdracht om weer een opdracht voor leerlingen te ontwerpen. Nu komt de bruikbaarheid van de typen naar voren. Je kan elke leerling activeren door iets te geven wat hun eigenschappen naar buiten brengt. Dus een Mars-achtig type een doe-opdracht geven en een Saturnus de opdracht geven om een toneelstukje over de geschiedenis te schrijven. Ook kun je deze eigenschappen juist tegenkleuren en zo een andere kant van een leerling aanboren en hen niet blind te laten staren op wat ze al kennen.
Joep knutselt met eigenschappen: een snufje esthetiek, afgeblust met een druppeltje introspectie. Joep kookt met zielenroerselen.
In de pauze ga ik even naar de lerarenkamer, blijft spannend om er niet woest uitgezet te worden!
Ik bekijk de naamplakkertjes van de docentenpostvakjes en het valt me op dat elke naam een bijzondere is:
-Anna Birthe
-Armando
-Rimbert
-Aster
-Eric Hercules
-Yvonne Kleinendorst
-Karin Parleviet
-Els Jansen Mediatheek
-Sagitte de Ruigh
-Wiesje
en Wisse
Prachtig.
De gesprekken in de lerarenkamer zijn gemoedelijk, iedereen lijkt elkaar te mogen. De leraren praten over hun hypotheek, de koffieautomaat, over leerlingen en over iemand met autisme. Jullie lijken mij bepaald geen types met plastic nepfruit op de tafels thuis. Ik stel me jullie voor als mensen met veel boeken in schots-en-scheve boekenkasten, met daarin boeken over Keltische weefpatronen en over obscure volkeren op verre eilanden. Eventueel op deze aarde of een andere, maar in elk geval in een echte tijd.
In de aula spreek ik Boudewijn. Boudewijn is leraar euritmie en vindt poëzie het meest belangrijke dat er bestaat. Wat heerlijk, docenten die dit zeggen als normaalste zaak van de wereld!
Zo ga ik de Vrije School gedurende de dag meer en meer zien als een zeldzame enclave waar kunst, persoonlijke ontwikkeling en oprechte nieuwsgierigheid de norm zijn. Ergens merk ik dat ook ik verwetenschappelijkt ben. Ik bevraag alles, en dat vind ik ook wel goed, maar ik wil alles duiden. Ik bedenk voor alles betekenis om mijn kleine wereldbeeld heel te blijven lijmen. Maar ergens daardoor ga je ook denken dat jouw tijd dé tijd is. Alsof het paradigma waarin we leven en denken hét paradigma is. De openheid die deze tijd overstijgt wordt aangemoedigd door jullie. Zoals Jan Fasen zijn Agora heeft gebouwd, hebben jullie allemaal een plein van kennis en verbeelding.
Jullie zijn zeldzame leraren.
Als ik zo in de bus naar huis stap hoop ik dat de jongen en het meisje weer verstrikt raken in het concept tijd.
Dan vraag ik hoe laat het is en antwoorden zij: hoe laat wil je dat het is?

Vrije School Meer lezen »

Een zesje

Op 5 juni 2015 vond het symposium van het Platform ‘Leren van Toetsen’ plaats in de Avanshogeschool te Den Bosch. Ik was gevraagd om een Nicodijkshoorntje te schrijven gedurende de dag. Bezoekers van het symposium waren docenten, beleidsmakers en andere medewerkers van vrijwel alle hogescholen van Nederland.

Bij aanvang zit er een man in het projectiescherm: Diederik Zijderveld. Hij is als the Wizard of Oz, die tegen ons spreekt vanuit het verleden en gedurende de dag in het scherm zal peinzen over wie er moet, een hart of een nieuw stel hersens verdient.
Dan komt de man met ’t beste overhemd van vandaag: Prof. Dr. Filip Dochy. De term ‘competentie’ valt vrij snel.
Ik heb tijdens mij studie nog nooit de term direct gehoord, maar ken hem wel vanuit het HBO en vrienden die daaraan studeerden.
Goed, het gaat om de toetsen. Wat leer je en wat wordt er getoetst?
Van Filip wil ik elke dag wel college. Dan zie je ‘m na afloop in de kantine en dan zegt hij, met z’n Vlaamse tongval: ‘YESS! Goed gedaan, goeie zin!’ en dan Jive-t hij richting ’t volgende college.

Dan komt Susanne Roosen om de discussie aan te wakkeren tussen een groepje studenten en het publiek. Enkele vragen komen langs: Kunnen studenten elkaar beoordelen? En: Waarom nog naar het inzagemoment gaan als je toch al een voldoende hebt gehaald?
Een jongen van de Juridische Hogeschool erkende dat hij toch op een gegeven moment wel weet wat voor soort antwoorden passen bij het soort vragen. Iets merkwaardigs tijdens deze workshop is dat de studenten de vragen op het scherm bediscussiëren, maar hun conclusies vervolgens weer op het projectiescherm verschijnen. Deze slides zijn toch echt van te voren gemaakt.
Is dit niet precies wat jullie niet bedoelen?
Dat de bijdrage van de studenten niet werkelijk meetelt of van invloed is op de volgende stappen en uitkomsten?

Ik raak in het noodgebouw verzeild in het adolescentenbrein bij Kydia Schaap en Noortje Muselaer. Het herhalen van stof blijkt zin te hebben. Hoera!
Maar, het maakt nogal uit of de student ook gelooft dat hij of zij daadwerkelijk kán leren, of dat het nooit meer zal worden dan dit nu.
Daar denk ik even over na en ik betrap mijzelf op de volgende gedachte:
‘Dat is toch de werkelijkheid?’
Later zal je werkgever of opdrachtgever toch ook geen rekening houden met of je wel in jezelf gelooft of niet? Of dat je stiekem, achter de gordijnen van je eigen onzekerheid, wel intelligent bent?
Ook: Hoeveel superintelligente, kritische en zeer zelfstandig denkende mensen heb je nodig in een samenleving?
Het zou geweldig zijn maar enkel dit type persoon in een bedrijf is onwerkbaar. Je hebt altijd een paar volgzame, brave, mensen nodig. Of.. nouja, misschien de hele maatschappij als één groot Googlekantoor. Met glijbanen en alles! Waarom niet.

Oei! Speeddaten is het volgende programmaonderdeel. Iedereen is vooraf op nummer gesorteerd. Ik denk dat de mannen toch wel hopen bij Noortje en Kydia aan tafen te komen, twee knappe blonde dames.
Wat opvalt is dat mensen met brillen bij elkaar zijn gezocht. Kalende mannen bij kalende mannen. Jonge vrouwen bij jonge vrouwen en twee vrouwen met paardenstaart. Toeval?
‘Elkaar iets beter leren kennen.’ Wat nu als er twee ineens heel erg verliefd op elkaar worden? Misschien de twee kalende mannen wel.
Volgend jaar een ‘leren van toetsen’-babyborrel. Maar, ’t is wel het onderwijs dus binnen het thema. Kinderwagens gemaakt van multomappen en op blackboard staat het luierschema.

Buiten spreek ik een man die er economisch uitziet en ook een economisch vak blijkt te geven. Hij heeft iets meegenomen van lezing van Filip Dochy. ‘Hartstikke mooi!’ Zegt ‘ie.
De broodjesrij in de lunchpauze lijkt een beetje op mijn eigen studievoortgang: de weg naar de scriptie maakte mij hongerig en ongeduldig maar toen ik er eenmaal voor stond wist ik niet meer wat ik wilde. ’t Werd kip-kerrie, en de oude Grieken.

Renske de Kleijn weet hier alles van.
Met haar enorme vrolijkheid legt ze even uit waar de term ‘feedback’ nou echt vandaan komt. De spanning die tussen de normen van docenten en die van studenten bestaat. Het beoordelen van afstudeerscripties heeft vaste criteria nodig, maar niet te veel want je wil geen afvinklijst.
Een kritische vrouw in het lokaal is bang dat de lijst niet goedgekeurd wordt als deze te weinig precies is. Aha! Daar zit dus een groot verschil met de universiteit. Mijn scriptiebegeleider zal mij ernstig beoordelen op goed argumentatie en inzicht in de verschillende interpretaties van de literatuur. Een andere begeleider had wellicht de nadruk ergens anders op gelegd.
Ik heb nog nooit een lijstje met normen gezien, misschien toch maar eens vragen.

Precisie: Wat precies is vandaag is een bepaald soort taal. Ergens tussen zakelijk en hip heb ik de volgende woorden en uitspraken geturfd:
-Teamwork
-Shared vision
-Het continu ‘engineeren’ van de eigen aanpak
-What you asses is what you get (best wel erg hoor, deze)
-Reciprocal learning and – teaching
-Time-management
-Mindset
-Flipped learning
-Competentiescan (competentiescan?)
Tussendoor: het geven van complimenten over het ‘zelf’ werken niet, toch blijf ik bij mijn observatie over Filips overhemd.
-De winnaar na het turven: Feedback (en feedforward)

Feedback.
Ik blijf het een moeilijk woord vinden. Ik besef dat dit komt omdat ik uit een andere wereld kom, een waar ik feitelijk wel veel feedback ontvang en geef, maar zo noemt niemand het in de kunst- en filosofiewereld. Dan heet het ‘kritiek’.
Kritiek dus die zowel positief als negatief kan zijn, die hoort bij waar ik mee bezig ben, maar waar ik geen cursus voor heb gehad.
Misschien interpreteer ik de term ‘feedback’ als een eufemisme. Een eufemisme voor ‘negatieve kritiek’. Want als het positief is dan noem je het een compliment.
Een compliment geven/ontvangen is soms moeilijk. Negatieve kritiek geven/ontvangen is altijd moeilijk. Al is het een totaal andere situatie als Renske de Kleijn dit aan mij zou geven. Zij kan het einde der tijden aankondigen als een frisse bries en een leuk compliment.
Misschien dat Diederik Zijderveld aka The Wizard of Oz ons nog een voorspelling kan doen vanuit zijn scherm. De Wizard zou geen moed hoeven uitdelen, want dat hebben jullie al. Geen hart, want dat is bij jullie al groot. Als hij Dorothy (jullie) dan vraagt wat jullie willen, en jullie zeggen: ‘Home, there’s no place like home’, dan springt prof. Dochy op en zegt: ‘Kom mee! Afterparty met cocktails in mijn zwembad in de tuin!’
Maar pas op! De feedback van de onderkant van het zwembad kan hard aankomen.

Een zesje Meer lezen »

Mijn eerste boek over woordjes

Op 19 september 2016 was ik gevraagd om een porcelijntje te schrijven tijdens een symposium over laaggeletterdheid (is dus niet analfabetisme) in de bibliotheek van Boekel. Er spraken experts over cijfers en methodes om laaggeletterdheid te bestrijden. Ook sprak een mevrouw die zelf ooit laaggeletterd was: Ria. Zij vertelde over de cursussen die ze had gekregen en over hoe ze haar ‘handicap’ al die jaren verborgen heeft weten te houden.

Afgelopen dagen dacht ik regelmatig na over laaggeletterdheid. Telkens stelde ik mezelf deze vraag: wat mis je allemaal als je laaggeletterd bent?
Wat krijg je niet mee en hoe anders is die wereld dan die van mij? Eerst dacht ik aan de voor de hand liggende zaken: de krant of een boek lezen, een brief of e-mail van je energieleverancier. Het aanpassen van je abonnementen, gebruiksaanwijzingen en bijsluiters. Verkeersborden. Ook: spelletjes met je kinderen, je kleinkinderen voorlezen. De ondertiteling van een film. Verder bedacht ik no enkele zaken waarbij iemand waarschijnlijk een hele goede smoes moet bedenken: een kruiswoordpuzzel waar iemand een antwoord voor vraagt: ‘5 letters, eindigt op een M!’ Of zelfs iets sufs als een naambordje op een bijeenkomst.
Hoe meer ik dat mij probeerde voor te stellen, des te kleiner bleek die wereld te zijn. Je kan over zo ontzettend veel dingen niet meepraten. Je kan niks controleren bijvoorbeeld en daardoor kun je geen ‘papieren studie’ volgen, want hoe zoek je uit of die ene uitspraak klopt en wat de bron is?
Je weet natuurlijk ook niet wat je niet weet. Als je man of kinderen er niet zijn ben je dus relatief opgesloten in jezelf. Hoe eenzaam!

Als Ria vertelt ben ik diep onder de indruk. Haar handigheid in het verstoppen van de laaggeletterdheid: ‘Wat neem jij? O doe mij dat ook maar!’
Haar doorzettingsvermogen, het plezier in haar ogen als ze spreekt over lezen en leren.
Door de voorbeelden van Deniz, die methoden ontwikkeld om dit alles te bestrijden, besef ik nog meer dan anders: taal beheers je.
Met taal kun je je diepste gedachten aan een ander laten horen. Als iemand lager-geletterd is stel ik mij zo voor dat de verbale vocabulaire ook iets achter zal blijven. Als je nieuwe woorden niet kan lezen en zelfs niet op kan zoeken dan leer je ze ook niet.
Als iemand die van taal en schrijven haar beroep probeert te maken blijft het verbijsterend en ook haast een bron van gêne.
Ik besef ineens dat ik zó tekstgericht ben dat ik soms, als ik spreek, meeschrijf in mijn hoofd.
Soms als een ouderwetse typmachine of computer, andere keren weer als met een pen. Ik zie de woorden op papier.
Ook hoe een woord eruit ziet is onderdeel van de taal. Een ‘schop’ voelt anders dan een ‘fiets’ en voor mij, en sommigen van jullie waarschijnlijk ook, doet ‘ik wordt’ haast pijn.
Als je de taal niet beheerst dan vermijd je de taal ook, zo is vanavond verteld.
Zouden laaggeletterden lievelingswoorden hebben of lievelingsklanken? Als je niet goed leest proef je de taal wellicht anders. Een stoel is dan geen stoel met een s t o e en l, maar natuurlijk iets waar je gewoon op zit. Misschien is ‘stoel’ dan ook iets met klanken. Klanken die niet persé geschreven zijn maar gesproken worden en tegen de tanden en tong gevoeld. Zou een stoel vervolgens ook anders zitten?

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om niet goed te kunnen lezen en Denis toont ons een ambtelijke tekst met witjes om die ervaring te kunnen benaderen. Het lijkt nog het meeste op het lezen van een taal die niets met het Nederlands te maken heeft: Hongaars bijvoorbeeld, geen touw aan vast te knopen omdat geen enkel woord lijkt op iets dat je kent in het Nederlands of het Engels. Aan de andere kant.. dan benader je de taal al als iemand die een taal beheerst. Je kan geen andere taal leren als je niet vanaf een taal begint. Kunnen wij ons nog herinneren dat we geen Engels verstonden? We weten misschien nog wel dat dit zo was, maar echt voorstellen wordt moeilijk. Dat is precies wat Ria antwoordde toen iemand haar vroeg wanneer ze precies wél kon lezen. Ria zei: dat kan ik niet zeggen, het ging geleidelijk. Niet vreemd natuurlijk: alsof wij op een dag konden praten? Pats! Hoi!

De meneer die de gemeente vertegenwoordigt wil graag dat de cijfers wel helder en duidelijk zijn. Dat willen alle meneren van alle gemeenten. Hij heeft natuurlijk een punt als het om Huize Padua gaat (soort re-integratiehuis ken ik omdat mijn ex uit Gemert komt). Echter.. ja ze wonen er nu eenmaal en hebben een hogere risicofactor. In grote steden staan gevangenissen, dat is het vermelden waard als het gaat om strafblad-statistieken. Risicofactoren en absolute cijfers, het kan een heftige combinatie zijn voor sommigen.

In de pauze loop ik even door deze knusse bieb. Overzichtelijk en vrolijk.
Ik zou hier graag komen! Wie wordt er nou niet gelukkig van een bieb met nog een heuse vragen/suggesties/ideeënbus? Geweldig!
Hier zou ik elke zaterdagmiddag komen en dan zou ik wachten op Ria, die heeft gezegd dat ze nu niet op kan houden met leren. Samen zouden we dan lachen om de gedichten van Annie MG Schmidt en zou ik opmerken dat Ria zelf een personage zou kunnen zijn. Deniz zou ook langskomen en de gemeentemeneer, met zijn gemeentestropdas. Uiteindelijk zou Ria de hele bibliotheek aan ons uitleggen.
Ik hoop dat het jullie gaat lukken voor aan de laaggeletterden in deze wereld een bieb, een wereld aan sprookjes, kennis en grappen, open te breken. Zodat we die allemaal beter kunnen leren kennen en lezen, en leven.

Mijn eerste boek over woordjes Meer lezen »

Wintervuur op kerstavond

Op 24 december 2015 vond er een symposium plaats over familie, in Theater de Nwe Vorst te Tilburg, georganiseerd door het Wereldpodium. Ik was gevraagd om een Porcelijntje te schrijven (formerly known as Nicodijkshoorntje) en dit is het resultaat:

Nog met een stuk chocoladetaart van mijn schoonouders tussen mijn tanden kom ik hier aangerend. Ik verwachtte een theater vol met kerstgestreste mensen die hier, propvol van de zeven gangen, gevlucht zijn voor hun familie. Een soort excuusavond dacht ik, maar dit blijkt niet te kloppen.
Allemaal rustige mensen en niemand lijkt misselijk.
Ik was dus de enige die gehaast bleek te zijn. Ik houd namelijk niet zo van kerst, of… ik koester er geen speciale herinneringen aan of gevoelens over. Mijn familie viert kerst niet echt. Soms komt er wel familie eten, maar nooit in een groot gezelschap. Juist kerst was niet echt iets. Geen zeven gangen, geen dronken ooms en tantes (wel genoeg op andere gelegenheden), geen cadeaus, geen gigantische pannen soep, geen chocoladetaart en geen kerstboom.
Toen ik vriendjes kreeg en met hen meeging naar hun ouders merkte ik pas hoe belangrijk kerst voor het Nederlandse gezin is en in het bijzonder voor het Brabantse gezin. Samenzijn als activiteit.
Ineens zag ik de stress van de familie om allemaal op tijd te zijn, precies op tijd voor het lauwwarme ragoutpasteitje. Met de tijd zo verdeeld dat geen van beide, gescheiden, ouders boos worden en er van iedereen precies evenveel wordt gehouden. Het moet en zál deze drie dagen gezellig zijn!
Gelukkig zijn we hier.

De avond opent met een beschouwing van de familie doorsnee en in de bovenzaal met drie mensen die suikeroom (of –tante) zijn. Frans van Peperstraten, mijn docent filosofie op de Uvt, blijkt een suikeroom te zijn. Hij steunt al jaren een meisje uit Malawi in haar studiekosten en hij beschouwt haar als familie.
Voor veel mensen is familie iets heel duidelijks. Van familie houd je onvoorwaardelijk en voor altijd. Ik houd natuurlijk ook van mijn familie maar heb de mensen die ik uit kan kiezen toch heel erg lief, zij zijn écht bijzonder want niet gegeven. Daarbij zijn ze minder confronterend dan die ene oudtante waar ik zo op zal gaan lijken. Geneticus Toon van Gestel heeft ook zo’n oudtante en van hoe wij allemaal net als zij onze neus kreukelen bij het nemen van een slokje port, daar heeft hij zijn beroep van gemaakt. Zowel hij als zijn kleinzoon hebben een probleem met de stolling van het bloed en de interviewer vraagt hem naar de familieband en hoeveel we genetisch verschillen van chimpansees. Toen de interviewer dus waarschuwde dat hij een alfa-man is dacht ik eerder aan de apenrot dan aan taligheid.
Soms is het jammer dat interviewers bang zijn dat dit soort onderwerpen te moeilijk worden gevonden (want genetica en dat is bèta-ig en dus eng). Want Toon vertelt ontzettend interessant over hoe vrijwel alle mensen binnen een Brabants dorp nog behoorlijk verwant zijn aan elkaar. Wel logisch want men is pas recentelijk verder gaan wonen dan de geboortegrond. Toon vertelt over vindbaar gedrag in DNA: waaghalzen en schijtlijsters. Na kortdurende fokprogramma’s heb je al een verzameling moedige of angstige stekelbaarzen.

In de pauze hoor ik een vrouw tegen haar vriendin zeggen: ‘dus we komen in 99,9% overeen met elkaar maar waarom bende gij dan zo knap en ik nie?’
Volgens Toon is onze beste eigenschap als mens dat we slim zijn en grootmoeders hebben. Nu heb ik al heel lang geen grootmoeder meer. Dat is eigenlijk het enige familielid dat ik is, of één van de twee, een opa én een oma. Ik heb een piepkleine familie, letterlijk en letterlijk en zonder grootouders. Ach, niets zieligs aan hoor. Ik bedenk soms hoe mijn opa nu zou zijn, hoe hij Sam- en Moosmoppen zou tappen.
Dat is wel fijn, dat we alles kunnen bedenken wat we willen, dat gun ik alle kinderen uit de kinderrechtzaken van kinderrechter Frans van der Reijt en mediator Eef van Creij.
Die kinderen, midden in een scheiding of uithuisplaatsing. Hun gun het vermogen om hun eigen familie te kiezen uit alle andere mensen. De gekozen familie.

Zo kunnen we ons vanavond ook zien. Kerstavond met de uitgebreide familie in het theater. Iedereen drinkt al Glühwein dus dat is een goed begin, eten is er ook.
De organisatie zijn onze ouders, die houden het overzicht en wandelen druk heen en weer om telkens te kijken of iedereen wel alles heeft. Uiteraard gaan ze zelf niet zitten als iemand hen dat aanraadt want dat doen ouders niet. Godelieve Engbersen is de tante met nét teveel op en Toon van Gestel is de oudoom die ons elk jaar weer iets interessants weet te vertellen. Later op de avond zal hij ons griezelverhalen vertellen. De minderbroeders Ad en Harrie drinken alle wijn op en spelen vervolgens het kerstverhaal na. Frans van Peperstraten is de suikeroom die zegt: ach, nog één bonbonnetje dan. Hij stopt ons een tientje toe en voorziet ons van goede vragen, waarna moeder zegt: ‘toe Frans, niet meteen zo abstract weet, moet wel gezellig blijven.’ Frans van der Reijt slaat zijn vuist op tafel en barst in lachen uit. Aan het einde van de avond vallen we aan tafel in slaap met de kerst-cd vastgelopen op White Christmas, de kat likt nog aan de zalmmousse.

Ik wens jullie allemaal een heel mooi en fantasievol jaar. Nu ga ik weer naar mijn schoonouders, de andere helft van het stukje chocoladetaart ligt nog op mij te wachten.
Kerst went en er blijft altijd nog één gaatje over voor liefde.

Wintervuur op kerstavond Meer lezen »

Patatje

Door Polis, de studievereniging van Organisatiewetenschap aan de Universiteit van Tilburg, ben ik gevraagd om twee Nico Dijkshoorntjes te schrijven voor hun symposium over reputatiemanagement. De dagvoorzitter was Richard Koopman en de sprekers waren drie communicatieadviseurs van verschillende bedrijven: Gerjan Vasse van de NS, Debbie de Wagenaar van de McDonald’s en Doekle Terpstra, CEO van Hogeschool InHolland.
Dit is de tweede tekst, als afsluiter:

Debbie de Wagenaar wilde geheim agent worden, maar zij komt uit een tijd waar er nog wel werk was voor afgestudeerden dus ze werd uiteindelijk communicatie expert in de directie van McDonald’s, waar wij over enkele jaren achter de toonbank van de Mac zullen staan. Ze is van de Mac en ze is hyperslank. Goeie communicatie! Terwijl zij vertelt over dat de McDonald’s teruggeeft aan de community stel ik mij voor dat een dun smakelijk patatje vrolijk vertelt hoe goed het is dat de aardappelschilmevrouw nu iets te doen heeft. Een jongen die een vraag stelt, over de verhouding tussen geld verdienen en geld teruggeven aan de gemeenschap, deelt mijn gedachte. Ergens klinkt haar verhaal, hoewel ontzettend enthousiast en goed opgebouwd, een beetje krom: eerst de indruk wekken dat ’t de goedkoopste optie is om een hamburgermenu te eten als avondeten, eerst de bevolking verslaven aan E-nummers, smaakversterkers en hoge zout- en suikerwaardes en dan toch maar iets teruggeven aan de nu dikke en zieke bevolking die zich hebben ontleerd hoe je voor 4 euro een gezonde maaltijd voor twee maakt. Hoewel het een vrije keuze is verandert het gemak ons leef- en eetpatroon.

Debbie de Wagenaar komt heel nuchter over en geeft tussendoor ook toe dat het McDonald’s niet altijd lukt om in een doelstelling te slagen. Haar ogenschijnlijke nuchterheid en transparantie zorgt dat ik nog nauwlettender luister naar haar woordkeuze. Ik merk dat ik wantrouwiger wordt naarmate ze vaker in haar verhaal benadrukt dat het géén romantisch PR-praatje is. Dan oordeel ik van binnen extra hard over de achterliggende intentie van dat teruggeven aan de gemeenschap. Want, hoezeer de persoon die daar achter de schermen bij McDonald’s werkt en het overzicht houdt met betrekking tot de Ronald McDonaldhuizen, en hoezeer de kinderen en families in die huizen profiteren en blij zijn dat ze nu geen 100km heen en weer hoeven te rijden voor de vijftiende chemokuur van Kareltje van zeven. Hoe goed en mooi en geweldig dat ook is. De McDonald’s dit nooit doen als het niet goed was voor hun imago en het mij en ons geen positief gevoel en beeld zou geven van het merk middels lachende kinderen met spierwitte tanden die liever worteltjes eten dan kipnuggets, waardoor wij toch wel even langs de Mac gaan als we de munchies hebben om één uur s’ nachts ‘want’, denken we overtuigd: ‘de calorieën in een McKroket vallen wel mee’, en dit alles uiteindelijk meer inkomsten genereert voor McDonald’s? Het draait uiteindelijk om geld, niet?

Maarja, een slager kan ook niet elke keer een plakje worst als cadeau geven aan alle peuters die binnendartelen. Dan heeft het hebben van een slagerij als inkomstenbron geen zin meer. Debbie de Wagenaar vertelt in haar verhaal dat, voor de duidelijkheid, géén PR-verhaal is, over eten met een verhaal: Echt rundvlees, echte aardappel, echt moet het zijn, echt. Ook Richard Koopman stipte het huidige belang van de ‘echtheid’ van je benadering en product aan als ondernemer. Dat doet mij denken aan de hippe winkeltjes, kaasboeren en traiteurs in de pijp en het centrum van Amsterdam die als paddenstoelen uit de grond schieten. Om de milieubewuste bakfietsmoeders te lokken staat daar op steeds meer etalages en borden: ‘Echte Boerenkaas’, of: ‘Biologische robuuste broodjes, ‘authentieke quinoayoghurt met bananenshake en glutenvrije speltpap met cranberry’s uit oma’s tuin’. Het klinkt goed, maar wat is ‘t? Wat is dat ‘echte’ dan?


Het stelt de consument gerust want dit is nu in de mode, en het is ook in de mode om het belangrijk te vinden of iets echt is, wellicht terecht.

Maar was de kaas eerst dan nep? Is een biologische kip een betere en meer gelukkige kip? Waarschijnlijk loopt geen van die kippen dolgelukkig in een idyllische weide met paardenbloemen en een boerin die maiskorrels uit haar schort strooit. We kunnen onmogelijk allemaal wilde of vrije dieren eten, óf we eten minder vlees, óf we zullen wel aan de megastallen in een flat moeten geloven. ’t Is het één of het ander.


Échte boerenkaas zal vast echter zijn, maar dat ‘echt’ is zo moeilijk te proeven, misschien zit het in de gaten.

Ook moet ik denken aan een fragment van Middas Dekkers, de bioloog en schrijver. Hij liep op TV door een bos, een wild natuurgebied. ‘Maar’, zei hij, ‘het kost heel veel werk en aandacht om dit gebied zo wild te houden.’


Echt. Ik vind het opvallend dat het in twijfel trekken van alles, het meer afhankelijk zijn van technologie en de hang naar ‘echt’ en ambachtelijk allemaal naast elkaar bestaat in deze tijd. Willen we echt écht? Of willen we een romantisch verhaal wat ons een gevoel geeft van de echtheid en de romantische natuurlijkheid?
Dat vraagt een meneer, die op Henk Westbroek lijkt, zich ook af.

Doekle Terpstra, van InHolland is aan het woord. Hij vergelijkt niet met romantiek maar met sport: De sportcoach en de CEO. Hij houdt niet van het woord: CEO. Ineens denk ik aan de woorden en termen die vandaag het meest zijn langsgekomen en die mij opvielen;

  • Awareness
  • Engagement (dat gek genoeg op z’n Engels werd uitgesproken)
  • Excellentie
  • Echt/Real
  • en de klapper: Transparantie.

Dat woord: transparant, is voor mij vrij diffuus geworden gaandeweg het symposium. In zo’n rijtje lijkt het alles behalve transparant. Het is een veel gehanteerde taal die ik niet spreek en waar ik de zin niet helemaal van begrijp. Ik ben dan ook filosoof en dan ben je er om problemen te creëren of aan te wijzen, niet om ze op te lossen.

Doekle Terpstra doet niet aan crisismanagement, want bij hem ligt iets gewoon ‘aan diggelen’, hij staat in zijn eigen verhaal.

Bij Doekle geen piramides, kreten, flowcharts of vinkjes, hij zoekt mensen met goede wil.

Als hij groente zou verkopen dan zou ’t een biologische, grote komkommer zijn en dan niet zo’n gladde van de AH, maar een met knoken en deuken en dan zou hij zeggen: “Joah, issie niet minder lekker om!”

Ik hoop dat jullie in het bedrijfsleven je mannetje durven staan later en je houdt aan je principes en overwegingen.

Poeh, heb zin in een cheeseburger. Zo’n vieze vettige met nepkaas en een dooie augurk. Ach, heb gister nog twee euro aan een zwerver gegeven voor de daklozenkrant.

Dan sta ik wel quitte, toch?

Patatje Meer lezen »

Nederlands Nu!

Op 18 juni werd ik gevraagd om een Porcelijntje te komen schrijven bij een conferentie voor docenten Nederlands op het Christelijk Gymnasium te Utrecht. De inzet van de dag was het denken over o.a. een vernieuwing voor de examinering van het vak.

Op weg naar deze conferentie keek ik uit het raampje van de trein en zat te mijmeren over mijn Nederlandse lievelingswoord. Ik overwoog het woord: ‘onomatopee’, maar vond het niet echt Nederlands genoeg. Daarna kwam: ‘verpozen’ langs en vervolgens ‘naargeestig’ en toen was het hek van de dam. De gehele route langs het dorpse kanaal, van station naar hier, bleven de woorden mij om de oren vliegen: vermaledijde en akkefietje en nochtans.
Hiervoor, op het stoepje, kwam ‘snuisterij’ en eenmaal in de zaal dacht ik: ‘panopticum’, maar ook dat telt niet. Schermutseling telt weer wel!
Binnen ving iemand van de organisatie mij op die zich onmiddellijk verontschuldigde omdat ze ‘vreesde dat ze in gebreke was gebleven’. Op zo’n moment weet je het zeker: hier zijn docenten Nederlands aanwezig.

We beginnen boven met een socratisch gesprek over het vak Literatuur, inclusief het nét niet helemaal handig ombouwen van het klaslokaal: Die mensen moeten daar en die daar, en iets met de kopse kant.
Hoe maak je literatuur onmisbaar?
Een mevrouw vroeg zich af waarom het nut van literatuur altijd bevraagd dient te worden. Ze zei: ‘wat is het nut van wiskunde dan in de bovenbouw?’ Ja, goed punt.
Een andere vrouw oppert dat de canon altijd onduidelijk zal blijven maar dat leerlingen nu eenmaal de geschiedenis een beetje mee moeten krijgen. Want leerlingen weten niet wat goed voor ze is, toch?
Over het eerste punt, betreffende het nut van wiskunde, zat ik nog even na te denken. Ik heb zo een op een niet veel aan wiskunde gehad tijdens mijn studie filosofie, maar geen een vak op mijn school sloot precies aan. Daarbij bestond het vak Filosofie niet op mijn school. De manier van denken echter, die je aangeleerd wordt, sluit wel weer aan. Exact of niet, een wetenschap of niet, de verruiming van de mogelijkheden van je denken is iets wat altijd een nut heeft, ongeacht.
Daar komt dan dus de Bildung om de hoek kijken, wat helaas geen Nederlands woord is want mooi.

Ik ben dus geen docent maar ik geef wel veel poëzie- en schrijfworkshops aan middelbare scholieren. Daar krijg ik, ondanks dat ik het makkelijker heb want ik ben de leuke nieuwe docent die altijd nieuw blijft, toch vaak de vraag: ‘mevrouw, waarom moet dit, wat heb ik eraan?’
Voordat ik er erg in had veranderde ik laatst, na die vraag, in een juf en zei: ‘je mening, gevoelens en ideeën kunnen verwoorden en opschrijven is altijd belangrijk, ook als je geen schrijver of neerlandicus wil worden. Dit zal altijd nuttig zijn, ongeacht je beroep en leven. Daarbij.. alle zeer succesvolle mensen ter wereld zijn heel heel erg creatief, en dat zijn echt niet alleen de kunstenaars. Steve Jobs was een ongelooflijk creatieve man die iets bedacht wat er nog niet was. Daarvoor moet je snel kunnen denken, associëren en begrijpen wat er al wél is en je ideeën kunnen verwoorden.’
Vorige week was kwam een wiskundige in het nieuws die een nieuw godsbewijs had gepostuleerd. Dat kan zo iemand alleen als hij het durft om buiten de dingen te denken die hij heeft geleerd, maar die dingen moet hij eerst wel hebben geleerd!
Hersengymnastiek, of het nu poëzie of een formule betreft.

Een wiskundig/filosofisch godsbewijs is nooit verweg.
In de literatuurworkshop benoemt een mevrouw dat de Bijbel, bijvoorbeeld, door niemand geschreven is. Dan zie ik even later in de pauze op een steen in de muur van dit gebouw staan: ‘De vreze des Heren is het begin der wijsheid’. We zijn natuurlijk wel op een Christelijk Gymnasium.
Godvrezend – ook een mooi woord vind ik. Des te meer omdat het een deugd schijnt te zijn, wat blijkt uit de rouwadvertenties waar ‘Godvrezend’ tussen ‘liefdevolle moeder’, ‘goede vriendin’ en ‘geduldige echtgenote’ staat bij Annie in de Volkskrant. God hebbe haar ziel.

Na de pauze, waarin ik mij afvroeg waarom ‘kartoffelsalat’ zo vaak onvertaald op bordjes staat. Zuurkool noemen we toch ook geen Sauerkraut? Of is er iets fundamenteel anders aan kartoffelsalat dan aan aardappelsalade? Hoe dan ook..
Na de pauze ga ik naar de workshop: ‘hoe ziet het ideale examen eruit?’
Het socratische gesprek is aan strenge regels onderhevig maar het absolute antwoord mag niet gegeven worden. Het enige verschil met dialogen van Plato is dat niemand vandaag ‘bij Zeus, Socrates!’ heeft geroepen.
Een vrouw vraagt zich af wie er precies getoetst wordt: de leerling of de docent zelf?
De man die er het meest uitziet als een leraar Nederlands stelt voor dat het examen maar voor 50% meetelt. Ik ken de hel van de examens niet vanuit jullie perspectief maar ik kan mij iets voorstellen bij de opborrelende nijd om een tweede corrector (of andere eerste).
Bij de ‘creativiteit in de les’-workshop wordt Radio Gehaktbal uitgelegd. Het gaat hier om de opdracht om een fout uit de ondertiteling te halen.
In de laatste pauze kijk ik naar jullie schoenen. Ik heb, op een na, geen van heren kunnen betrappen op leren puntschoenen met gaatjes erin. Precies hoe jullie op mij overkomen: fris, enthousiast, bereid tot kritisch denken en met een heel geestig T-shirt van een man met daarop de tekst: ‘Hoe duur kost dat?’

Ik heb veel gehoord over liefde voor de taal en ik denk dus dat jullie ook wel veel lievelingswoorden zullen hebben.
Wedijveren, proleet, korzelig, verdonkeremanen. Fnuiken?
Hoe kennen we die woorden toch? Mijn moeder heeft mijn vader eens korzelig genoemd, en nadat ik de betekenis leerde kennen bleek dat ze gelijk had. Verder hoor ik dat woord nooit!
We kennen het uit boeken die we weer van onze docenten moesten lezen. Die liefde voor de taal.. die geeft af, die krijg je van jullie. Dat weet ik zeker.
Als ik zo terugwandel naar het station, weer langs het kanaaltje en de molen, dan denk ik aan de Olijke Tweeling in een bootje. Van het papier springen ze zo het kanaal in.
Eenmaal thuis zal ik een beschuitje eten en niet weten of het beschuitje zelf zo lekker smaakt of de klanken van ‘beschuitje’ over mijn tong? Smaakt koffie net zoals het klinkt?
Voor dat soort voorbeelden van speelsheid moeten we jullie dankbaar zijn.
Heel erg dankbaar!

Nederlands Nu! Meer lezen »

Robots!

Ik werd gevraagd om op 26 november een Nicodijkshoorntje te schrijven tijdens de Trendnacht2015, van Brabantkennis. Dit jaar was het thema: Robots. De avond vond plaats in meerdere zalen met sprekers van o.a. de TUEindhoven en TUDelft. Er waren ook robots te zien, van onderwijsrobots tot zorgrobots. Dit is de column die ik als afsluiter heb voorgelezen:

In de popcultuur wordt de robot vaak geportretteerd als iets engs en vreemds.
Als je naar een avond over robots gaat verwacht je dan ook een zaal vol pokdalige tieners die voor het eerst sinds hun twaalfde hun kamer hebben verlaten, maar niets blijkt minder waar. Een zaal vol knappe mensen!
Hoe dan ook: nerdmodus: AAN!
We kunnen vanavond een robot winnen, hoor ik. Wie weet is een van de mensen in de zaal een robot. Als dat zo is dan gok ik dat ‘ie tussen de groep mannen in strakke donkerblauwe pakken zit. Met hun leren puntschoenen, lichtblauwe overhemden en net iets te korte broeken. Misschien winnen we gedeputeerde Christophe van der Maat dus wel!

Maarten Steinbuch is in elk geval geen robot. Dat kan niet, daar is hij veel te slim voor. Daarbij hebben robots nooit volle baarden.
Zo ontzettend interessant aan zijn keynote is om te zien hoe hij moeiteloos lijkt te kunnen wisselen tussen het menselijke- en robotperspectief. Hij wil de technologie laten doordenderen maar kan zich als echt menselijk algoritme ín de menselijke geest nestelen en begrijpen dat een chirurg bijvoorbeeld tegendruk nodig heeft als hij werkt met een robot, dat hij moet voelen, de robot moet leiden en niet andersom. Behalve als de robots het alleen beter kunnen. Tsjalling Swierstra (tongbreker!) plaatst juist vraagtekens bij dat ‘beter dan wij’-aspect.
Hij introduceert de robot als monster (het woord \’robot\’ komt oorspronkelijk uit het Tsjechisch en betekent zoveel als ‘horige’ of ‘slaaf’). De robot als niet-wij, een lichaams- en geestesvreemd object dat zich als subject/mens voordoet in onze wereld.
De slaaf die in opstand komt tegen de meester, de dekknecht die muiterij pleegt. Creepy!
Vanuit de popcultuur zijn we gewend om het fenomeen robot met argwaan te bekijken, maar is dat terecht?
Tsjalling sprak over de leefwereld en hoe de robots die meer en meer zullen betrekken, en ons ook zullen veranderen. Maar, houdt hij als slag om de arm, meestal is het resultaat van technologie onbevredigend. Afwasmachines leveren ons tijd op die we vullen met dingen die ons een burn-out bezorgen. We overdenken onze eigen paradoxen niet goed genoeg: tijd creëren om te praten in plaats van af te wassen, terwijl we juist fijn praatten tijdens de afwas!

Ik denk dat Tsjalling een punt heeft, maar ik overpeins toch het een en ander:
Ja, de robots zullen ons veranderen, maar dat doet alles al. TV veranderde onze manier van kijken. De wasmachine gaf de vrouw meer tijd voor werk en zelfontplooiing. Vuur vormde onze manier van eten en onze spijsvertering, de computer gaf ons het slechte idee om alles wat hip en nieuw is 2.0 of 3.0 te noemen en smartphones namen ons talent tot vervelen af.
Echter, het omgekeerde is ook te zeggen: doordat we op een andere manier wilden kijken ontstond de TV, omdat ons spijsverteringsstelsel het toeliet konden we voedsel koken en omdat vrouwen al die tijd ook hersens hadden ontstond de wasmachine. Alles is een extentie van ons! De auto van onze benen, de vork van onze hand, de smartphone van onze geest en de robot van een synthese van alles.
Je kunt het ook zien als onderdeel van de evolutie; zoals armen ontstonden en nuttig bleken, zo ontstaan robots en ontstaat technologie om later te kijken of alles ervan nuttig bleek en overleefde.
Als je zo kijkt is er geen goede of slechte technologie, alleen die is blijven bestaan en die uitgestorven is. Dan kun je het zorgrobot Alice net zo min kwalijk nemen dat ze geen inherente ethiek kent als dat je panda’s kwalijk kan nemen dat ze zo’n eenzijdig en onmogelijk eetpatroon hebben. Het ontstaat en wie (of wat) overleeft?

Maar goed, ok. We willen inderdaad geen muiterij van onze slaven, dat is duidelijk.
Dat kan alleen als we onze slaven zelf goed behandelen. Als je ze ziet als extenties van onszelf en onze ontwikkeling dan zijn ze onderdeel van ons.
In het boek en in de film wordt het monster van Frankenstein tot monster gemáákt door de buitenwereld. Wij maken het monster zelf tot monster!
Terwijl ik op deze conferentie rondloop is het enige écht enge wat ik kan bedenken, behalve uiteraard de hypothetische zelfmoord-/oorlogsrobots met een slecht humeur, dat het systeem, de grote bedrijven, nog meer onze leefwereld betrekt dan nu en zich als handhaver gaat gedragen. Een Shell-auto die je verbiedt om bij BP te tanken, een belastingrobot die je betrapt op 100 euro zwartwerken en een overdreven overheidsrobot die jou een grap hoorde maken over Mark Rutte en je loon inhoudt.
Dát is eng.
Maar, dat zal alleen ontstaan als slechte mensen dat als extentie van hun grieven nodig gaan hebben of kunnen maken. Dus, in feite is er niks veranderd. We hebben nog altijd behoefte aan wetten die ons beschermen tegen slechte mensen en systemen, en die de slechte mensen en systemen ook weer tegen henzelf beschermen.
Wel lastig aan robotrechten is de vraag of je van een robot dan ook plichten kan eisen?

Goed, ik ga eens een bionische arm bekijken. Ah, ik kom bij Tilrobots die oma later uit bed zullen hijsen. Oma’s dag zal er dan een zonder mensen worden? ‘s Ochtends uit bed getild en gewassen door Asimo, in de middag bezocht door Alice en in slaap gezeehond door knuffelrobot Paro. Het zal zo zijn als wij dat willen of als wij er behoefte aan ontwikkelen, druk als we zullen zijn door al die vrijgemaakte tijd.
\’Mag je een mens niet bedotten?\’ vraagt Margo van Kemenade. Is zo’n robotzeehond wel bedotten? Wat is echt voor een diepdement persoon? Is de onherkenbare zoon, de onbekende dus, dan wel echt?
Misschien moeten we een ethiekrobot uitvinden. Een die weet of hij mag bestaan en of wij hem wel hadden mogen maken.
Overigens, als wij robots maken, zijn wij dan de goden van de robots? Maken zij dan weer mensenkerken? Kunnen wij ons wel voorstellen hoe iets zal zijn voor het er is? Of zal het altijd een afspiegeling zijn van onszelf en dus leren we des te meer over de mens door technologie te ontwikkelen?
Zal ik vervangen worden? De filosoof en schrijver..
Is dat enger dan de dood, er wel zijn maar geen functie dienen? Misschien.
Maar dan kan ik mij altijd nog bij het blauwe maatpakken-leger voegen. Dan staat Robotpenner 8.0 waar ik nu sta: –maak grap hier–.
Tot die tijd denk ik in mijn hoofd, met mijn laptop, op internet, met anderen en met pen en papier.

Robots! Meer lezen »

Scroll naar boven